Column Chan Choenni:

Uniformering van gedrag en houding door digitale dataverkeer

Eind november 2019 bezocht ik Guyana. Ik wilde het buurland van Suriname dat geteisterd is geweest door raciale conflicten in de jaren ‘60 van de vorige eeuw weer eens graag bezoeken. Ik had in 1976 een week doorge­bracht in Guyana. Dat was ten tijde van de dictatuur van de Afrikaanse President Forbes Burnham. In Guyana gebruikt men de term African en niet Creole en tegen­woordig wordt de term Afro–Guyanese gehan­teerd voor de in omvang tweede bevol­kings­groep. De Indo–Guyanese (de Hindostanen van Guyana) die toen de grootse bevol­kings­groep vormden, werden onder­drukt en waren tweede­rangs­burgers. Ook heb ik in 2005 de grens­plaats Skeldon een dagje bezocht en daarbij gebruik gemaakt van de zogeheten backtrack. Dat staat voor snelle boten die vanuit Nieuw Nickerie ‘semi-illegaal’ de Corantijnrivier overstaken.

Ik wilde Guyana graag bezoeken vanwege de bijzondere belang­stelling die ik heb voor inter­et­nische verhou­dingen in multi-etnische samen­le­vingen. In dit verband was ik benieuwd naar de stand van zaken in Guyana. Ik had eind jaren ‘70 van de vorige eeuw de politieke geschie­denis van (Brits) Guyana bestu­deerd en had een docto­raal­scriptie geschreven over de politieke geschie­denis van Trinidad, Guyana en Suriname. In 1982 heb ik het ‑met eigen geld- uitge­geven in boekvorm. Maar ik wilde Guyana ook bezoeken voordat het een welva­rende samen­leving zal worden. De voorspel­lingen zijn immers dat met ingang van 2020 Guyana een welvaarts­staat zal worden op grond van de verwachte riante staats­in­komsten uit de exploi­tatie van aardolie voor de kust. De Guyanese bevolking bedraagt nauwe­lijks één miljoen zielen en er wordt ook nog geld vanuit de Guyanese diaspora overge­maakt.

Via vrienden van vrienden lukte het vanuit Suriname een excursie te boeken voor drie dagen. (Ik had vanuit Nederland tever­geefs gepro­beerd dat te doen – je moet dus ter plekke in Suriname zijn om dit te regelen). Mijn vrouw Bina en ik togen met de excur­siebus naar Nickerie. Wij kwamen aan in Canawaima bij de veerhaven. Met een veerboot wordt daar legaal de overtocht gemaakt. Wij moesten bijkans drie uur wachten op het haven­terrein, voordat wij konden ínboarden’; er is strenge controle en er wordt ook nog een ‘derde- wereldland tempo” (excusez le mot) aange­houden.

Ik nam de gelegenheid te baat om de mensen te obser­veren en, in het bijzonder, de inter­et­nische contacten. Maar wie of wat schetst mijn verbazing toen ik zag dat bijna alle passa­giers terstond hun mobiele telefoon tevoor­schijn haalden. Men sprak nauwe­lijks meer met elkaar. Bijna iedereen begon naarstig te bellen of te mailen, te inter­netten, te whatsappen, spelletjes te spelen en wat dies meer zij. Niemand was agressief en geïrri­teerd. Iedereen was rustig op enkele personen die iets te luidruchtig telefo­neerden. Ja, ook enkele rasta types zaten te ‘swipen’ op hun telefoon. Vroeger zouden doorgaans deze jonge­mannen luidruchtig commu­ni­ceren en/of muziek beluis­teren. Af en toe ving ik een kort gelach op wanneer iemand een joke of een grappige foto kreeg doorge­maild dan wel een spelletje had gewonnen. Aan de aanwezige hitte werd nauwe­lijks aandacht besteed. Pas als je het douane­kantoor binnenkwam, waren er venti­la­toren en airco. Wij moesten eerst buiten in de schaduw wachten; er waren wel banken en stoelen.

De houding, maar ook het gedrag, van de passa­giers die van verschil­lende afkomst waren, was welhaast hetzelfde. Eigenlijk overal waar er ergens gewacht moet worden, zoals ook in Nederland, gebruikt men de mobiele telefoon om de tijd door te komen. Er waren naast Surinamers en Guyanezen van verschil­lende afkomst ook Frans Guyanezen, Brazilianen en enkele blanke toeristen. Niemand werd ongeduldig of klaagde over het lange wachten. De zogeheten sociale media i.c. inten­sieve dataverkeer maakt mogelijk dat op elk gewenst moment razendsnel infor­matie wordt gedeeld of gedownload. Welhaast iedereen was rustig en als het ware alleen met zichzelf bezig. Onderlinge commu­ni­catie was er nauwe­lijks en men keek ook zelden naar elkaar.

Global village

En: hoe zat dan met de inter­et­nische verhou­dingen? Wat betreft de aard van de inter­et­nische contacten en verhou­dingen ben ik eerlijk gezegd amper wijzer geworden. Ook tijdens het korte verblijf in Guyana heb ik heel weinig met Guyanezen gesproken. Ik heb wel de indruk dat er sprake van een aanzien­lijke verbe­tering. Ik heb nauwe­lijks verschillen gezien in kledij, uitstraling en houding. Trouwens in Guyana werken veel Afro-Guyanezen als verkopers, landbouwers, sjouwers of berijders van karren. Dat is in veel mindere mate het geval bij Afro-Surinamers. In de tweede stad van Guyana, New Amsterdam, zag ik twee oudere markt­vrouwen. De Afro-Guyanese en Indo-Guyanese zaten gezus­terlijk naast elkaar en keuvelden in het Guyanese dialect. Ik zag ‑met mijn Nederlands-Surinaams perspectief- nauwe­lijks verschil tussen hen op hun haar na. De ene had kroeshaar en de andere glad haar. Maar wat betreft kleder­dracht, uitstraling en huids­kleur waren zij bijna eender. In een ontspan­ningsoord buiten Georgetown lag ik op een bank lamge­slagen door de hitte uit te blazen. Een Afro-Guyanese jongedame zei aller­vrien­de­lijkst tegen mij: Good afternoon, Sir. Vergeleken met 1976 is veel ten goede veranderd. Alleen de politie in schit­te­rende uniformen is nog vrij streng, doch correct. Het zijn nog steeds wel voorna­melijk Afro-Guyanezen. Ik heb de indruk dat ondanks de trauma­tische ervaringen met raciale tegen­stel­lingen en zwarte onder­drukking men gaandeweg een modus heeft gevonden om in harmonie te leven met elkaar. Ik heb het vermoeden dat de digitale wereld en het bijzonder de ‘facilíties’ op de mobiele telefoon niet alleen unifor­mering van houding en gedrag tot gevolg heeft, maar hoogst­waar­schijnlijk ook invloed op weder­zijdse tolerantie. Door het inten­sieve dataverkeer kan men van alles downloaden en kennis­nemen van nieuws over etnische rellen en de zinloosheid ervan, maar bijvoor­beeld ook over terro­risme en de bestrijding ervan. Er ontstaat dus echt een global village.

Ook in een ander opzicht dringt de global village door. Een attractie tijdens de excursie was een bezoek aan de moderne shopping mall in Georgetown. Deze is netter en beter geoutil­leerd dan de shopping Mall Hermitage in Paramaribo. Dergelijke shopping Malls komt men in Aziatische landen, maar bijvoor­beeld ook in Brazilië tegen. Het gedrag van de burgers is bijna overal helzelfde geworden. Er zijn ook zogeheten ‘foodcourts’ en ook rondom het eetge­beuren wordt de mobiele telefoon te voorschijn gehaald. Kortom: het mobiele dataverkeer gaat door alsook de invloed ervan.

Bij de overtocht terug naar Suriname kwam ik de vrij jonge en compe­tente ambas­sadeur Ebu Jones tegen. Hij is nu Ambassadeur in Guyana en was daarvoor Zaakgelastigde van Suriname in Nederland. Hij heeft toen bijvoor­beeld de viering van de van oorsprong Hindoefeest Divali mogelijk gemaakt in het gebouw van de Surinaamse Ambassade in Den Haag. Hij stelde dat dit gebouw het huis van Surinamers in Nederland is. Ambassadeur Jones liep bij Guyanese grenspost informeel gekleed rond. Hij behoort tot een generatie die gelukkig niet denkt dat omdat hij of zij Ambassadeur is, hun medeburgers zich een onder­danige houding jegens hen moeten aannemen. Ambassadeur Jones herkende mij en met een smile riep hij quasi streng: professor Choenni, hoe kunt u zonder mij te melden Guyana bezoeken! Ik ripos­teerde veront­schul­digend en lachend: Meneer Jones, ik was met een excursie maar voor twee dagen, maar de volgende keer zal ik mij zeer zeker eerst bij u aanmelden.

Mijn voornemen om bij een bezoek aan de Surinaamse ambassade in Georgetown eventueel een lezing te houden over inter­et­nische verhou­dingen op de Surinaamse ambassade laat ik (voorlopig) varen. Mijn pleidooi om het betwiste gebied aan de Zuidwestelijke grens, de zogeheten Coeroenie/New River driehoek tot een ecolo­gisch reservaat te verklaren blijft echter overeind. Sterker nog: nu Guyana welvarend zal worden is de behoefte om dit betwiste gebied te exploi­teren ontvallen. Suriname kan dit gebied samen met Guyana ecolo­gisch beheren. Laten wij hopen dat Guyana daadwer­kelijk welvarend wordt en dat deze welvaart ook naar Suriname zal doorsij­pelen. Al met al: wat betreft de inter­et­nische verhou­dingen ben ik positief gestemd geraakt met betrekking tot Guyana; ook omdat de ‘digitale generatie’ zoveel beter geïnfor­meerd is en toleranter dankzij het inten­sieve dataverkeer via de mobiele telefoon.

TOP