Behoud van de hindoe-identiteit na 125 plus 20 jaar*

Traditie, integratie en persoonlijkheidsvorming

Shiwdatt Ramdhari

Do not fol­low where the path may lead
Go instead where there is no path 
and leave a trail (N.N.)

Wereld­tra­di­tie
In 1975 ver­huis­de ons gezin naar Ned­er­land. Reden was de onzek­er­heid over de richt­ing die het nieuwe Suri­name zou inslaan. Ik kwam in Den Haag op een scholenge­meen­schap te zit­ten. Met een bepaalde klasgenoot kon ik het al heel gauw goed vin­den. Hij bleek heel geïn­ter­esseerd in India en bracht mij op grond van mijn uiter­lijk met de bak­er­mat van het hin­doeïsme in ver­band. Het kon niet uit­bli­jven. Hij stelde van die lastige vra­gen over mijn cul­turele achter­grond waar ik niet eerder over had nagedacht en waar ik regel­matig over moest peinzen. Daarop besloot ik mij te verdiepen in het Indi­ase erf­goed en begreep spoedig waarom India sinds eeuwen tot de ver­beeld­ing van de rest van de wereld heeft gespro­ken. Hier was een human­is­tis­che tra­di­tie ontstaan van het mooiste soort. Een tra­di­tie die uit­gaat van de mens en de Hin­doe aans­poort om zijn lev­en zelf richt­ing en inhoud te geven, en wel op een geheel per­soon­lijke wijze. Het geschreven en gespro­ken woord, de gewi­jde tra­di­tie zogezegd, fungeert hier­bij als bron van inspi­ratie, niet als een sys­teem van gebo­den en ver­bo­den die de Hin­doe in zijn ont­plooi­ing belem­mert.

De vra­gen
Rond 1980–85 zou een verenig­ing van hin­doe­jon­geren – de naam is mij nu ontschoten —  mij uitn­odi­gen om van gedacht­en te wis­se­len over een bran­dende kwest­ie. Inmid­dels had ik na inten­sieve studie een redelijk goed inzicht gekre­gen in de tra­di­tie van mijn vooroud­ers. De gedachtewis­sel­ing zou gaan over de vraag of het mogelijk was om als Hin­doe in Ned­er­land te inte­gr­eren met behoud van je cul­turele iden­titeit. Mijn antwo­ord was een stel­lige beves­tig­ing van de vraag. Ik hield mijn gesprekspart­ners voor dat behoud van iden­titeit zelfs noodza­ke­lijk was, maar niet vol­doende. “De Hin­doe diende ook te streven naar verdere ontwik­kel­ing van die iden­titeit”, was mijn devies. Omdat ik gemerkt heb dat die vraag van toen nog steeds veel Hin­does bezig houdt, wil ik de bovenge­noemde kwest­ie, in dit essay nog­maals aan de orde stellen. Het vol­gende ver­haal is opge­bouwd rond de vol­gende 3 vra­gen. Waarom zou een Hin­doe zijn cul­turele iden­titeit willen behouden, of juist niet? Wat is eigen­lijk die iden­titeit waar we over spreken; hoe kun je die type­r­en?  Hoe moet je je de ontwik­kel­ing hier­van voorstellen? Deze vra­gen zijn deelvra­gen die ik van de eerste, de hoofd­vraag, heb afgeleid.

Inter­cul­tureel con­tact
Iemand wordt zich pas goed bewust van zijn (cul­turele) iden­titeit in het inter­cul­turele con­tact. Dit kan het geval zijn bij migratie of ver­huiz­ing. Bijvoor­beeld van India naar Suri­name of van Suri­name naar Ned­er­land. Maar de con­frontatie met de eigen iden­titeit kan zich ook voor­doen als iemand in een hin­doegezin in Ned­er­land wordt geboren en lat­er als kind gaat besef­fen dat de waar­den en nor­men in het gezin wezen­lijk ver­schillen van die daar­buiten. Lat­en we de omgev­ing buiten de hin­does­fer­en voor het gemak de Ned­er­landse samen­lev­ing noe­men. Dan is deze de drager van de Ned­er­landse cul­tu­ur, zullen we maar zeggen. Omdat deze maatschap­pij de uit­ge­brei­de omgev­ing is waarbin­nen de kleine groep van Hin­does woont, stel ik voor om de Ned­er­landse cul­tu­ur verder de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur te noe­men. Wel­nu, een prob­leem wordt die cul­turele iden­titeit wan­neer je merkt dat ze een belem­mer­ing zou kun­nen vor­men voor een suc­cesvolle deel­name aan de Ned­er­landse samen­lev­ing. Laat ik dit met een klassiek voor­beeld ver­duidelijken. In de hin­doege­meen­schap wordt beschei­den­heid erg posi­tief gewaardeerd. Maar vri­jwel alle hand­vat­ten voor inter­cul­turele com­mu­ni­catie die allochtone weten­schap­pers de laat­ste jaren hebben geschreven, wijzen er echter op dat beschei­den­heid in de Ned­er­landse con­text (bijvoor­beeld op het werk) nage­noeg alti­jd ver­keerd wordt begrepen. Dit ondanks de meet­bare kwaliteit van de per­so­n­en in kwest­ie (ade­quate oplei­d­ing, werk­er­var­ing, e.d.). Beschei­den­heid kri­jgt in de Ned­er­landse cul­tu­ur meestal niet die posi­tieve waarder­ing en ver­min­dert suc­ces bij sol­lic­i­taties, of belem­mert sti­jging op de bek­ende maatschap­pelijke lad­der. Wie hand­boeken voor aankomende  sol­lic­i­tan­ten raad­pleegt — geschreven door autochtoon-Ned­er­landse deskundi­gen — zal hierin een beves­tig­ing vin­den van het boven­staande.

Assim­i­latie
Bij inte­gratie, waar het mij hier om te doen is, gaat het om het pro­ces waar­bij indi­vidu­ele per­so­n­en — of groepen van per­so­n­en — wor­den opgenomen in de Ned­er­landse samen­lev­ing zon­der dat ze daar­bij hun cul­turele iden­titeit opgeven. Voor de goede orde moeten we echter eerst een ander begrip in beschouwing nemen dat in een adem hier­mee wordt genoemd: assim­i­latie. Dit houdt in dat de per­soon zijn iden­titeit, zijn cul­turele iden­titeit wel te ver­staan, zijn waar­den en nor­men die hij van huis uit heeft meegekre­gen, opgeeft. Doel hier­van is om zo goed mogelijk deel te wor­den van de Ned­er­landse samen­lev­ing. Wan­neer iemand besluit tot assim­i­latie, al dan niet onder invloed van kracht­en uit de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur, kan dat maar één doel dienen: niet onn­odig (veel) opvallen in de Ned­er­landse samen­lev­ing. Con­crete voor­beelden zijn het proberen weg te werken van het exo­tis­che accent, het afzw­eren van typ­is­che kook- en eet­ge­woon­ten, over­waarder­ing van het monotheïsme (één God, vergelijk de chris­telijke god­sop­vat­ting van de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur) ten nadele van het poly­theïsme (veel-goden­dom), van het rationele in vergelijk­ing met het spir­itueel-religieuze. Het is duidelijk, alleen dan kan een indi­vidu assim­i­l­eren als hij niet alleen zijn cul­tureel bepaalde ‘eigen-aardighe­den’ loslaat, maar als hij ook in uiter­lijk opzicht niet meer opvalt in de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur. Zolang dit niet gere­aliseerd is, kan hij “allochtoon” wor­den genoemd. Al is het hem gelukt om in alle andere opzicht­en zijn oor­spronke­lijke cul­turele bagage weg te werken. De iden­titeit van iemand heeft dus niet alleen een cul­turele maar ook een etnis­che kant.

Inte­gratie
Bij inte­gratie echter gaat het erom dat de per­soon zijn iden­titeit niet ver­loochent, niet ontkent. In ieder geval zich er niet voor schaamt. Hij gebruikt deze juist om op een gezonde wijze deel te nemen aan en func­tioneren in de samen­lev­ing. Zon­der dat hij in de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur opgaat. Hij kiest niet voor de gemakke­lijke weg om zijn cul­turele eigen­heid op te geven voor een hoger doel: “vol­waardig” lid van de maatschap­pij te wor­den, inte­gen­deel. Hij put uit de eigen cul­tu­ur voor de vorm­ing van een posi­tief zelf­beeld (de manier waarop hij tegen zichzelf aankijkt) en een unieke en sterke per­soon­lijkheid. Dit zijn de voor­waar­den om als gelijk­waardi­ge par­tij de andere mens tege­moet te tre­den. Hij is ervan over­tu­igd dat de samen­lev­ing niets heeft aan gelijk­soor­tige mensen met een­soor­tige opvat­tin­gen. Een fun­da­menteel uit­gangspunt van de hin­doelevensvisie is immers: geen uni­for­miteit maar diver­siteit. Anders gesteld: een­heid in ver­schei­den­heid. Hij beseft dat de ontwik­kel­ing van de men­sheid slechts mogelijk is gemaakt door diege­nen die — omdat ze ergens van over­tu­igd waren — durf­den andere wegen in te slaan dan de grote meerder­heid die slechts plat­ge­tre­den paden durft te bewan­de­len. Dit geldt dwars door alle cul­turen heen voor alle cul­tu­ur­provin­ciën² (weten­schap, geloof, kun­st en dergelijke).

Degene die weigert zijn eigen­heid, zijn cul­turele bagage, te ontken­nen en te minacht­en, heeft niet te vrezen van vra­gen over zijn eigen-aardighe­den. Die zijn voor hem een waarde­vol gegeven, zijn vertrekpunt. Inte­gratie is voor hem een opgave waar­bij hij zichzelf tot taak stelt om zijn eigen waar­den en nor­men te rel­a­tiv­eren, ze niet als de beste te zien. Hij vergelijkt ze met die van de omgev­ing. Bei­de waar­den- en nor­men­pa­tro­nen³ probeert hij zodanig te hanteren dat hij zow­el in de eigen cul­tu­ur als in de omrin­gende zijn man­net­je kan staan. Laat ik dit wat con­creter mak­en door een voor­beeld. Ik zag eens op de tele­visie een Chi­nese com­pu­t­er­deskundi­ge. Hij vertelde dat als hij onder Chinezen was, hij nooit sprak over zijn exper­tise en de func­tie die hij uitoe­fende. Als reden gaf hij de eerder genoemde beschei­den­heid op, die Chinezen vol­gens hem waarde­vol vin­den. Maar als lei­d­inggevende in een Ned­er­lands bedri­jf stelde hij zich extro­vert op en deed hij niet de min­ste moeite om zijn deskundigheid te ver­ber­gen, inte­gen­deel. Weer onder Chinezen paste hij zich aan. Hij bewoog zich in bei­de cul­turen met gemak en hanteerde gepaste waar­den en nor­men afhanke­lijk van de con­text, de sit­u­atie, de cul­turele omgev­ing.

Per­soon­lijkhei­dsvorm­ing
Bij assim­i­latie kiest iemand voor de weg van de min­ste weer­stand om op te gaan in de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur. Deze heeft hij feit­elijk tot norm ver­heven en vormt voor hem het uit­gangspunt bij gedrag, gedachte, han­del en wan­del. Ik hoef mij wellicht niet nad­er te verk­laren als ik stel dat het gevolg hier­van een labiele per­soon­lijkheid is. Uiter­lijke ken­merken staan immers een volledi­ge assim­i­latie in de weg. Zo iemand kan alti­jd wor­den aange­spro­ken op pre­cies dat­gene wat hij probeert te ver­ber­gen. Een sim­pele opmerk­ing van een autochtone landgenoot dat hij “toch anders” is en niet behoort tot de gezete­nen, de autochto­nen (al is hij hier geboren) kan zo iemand uit zijn even­wicht halen. De vrees voor deze sit­u­atie kan zich bij assim­i­latie per­ma­nent voor­doen.

Bij inte­gratie accepteert de Hin­doe dat hij een andere achter­grond heeft. Besef van de belan­grijke rol die de Indi­ase cul­tu­ur in de geschiede­nis van de men­sheid heeft gespeeld (en nog speelt) zal hem trots mak­en op deze achter­grond. Hij ziet dan zow­el de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur als de eigen cul­tu­ur als bron van waar­den en nor­men, en probeert een dubbel waar­den- en nor­men­sys­teem te hanteren om op vol­waardi­ge wijze te kun­nen func­tioneren in bei­de cul­turele con­tex­ten. Een sys­teem van waar­den en nor­men fungeert als basis voor zijn etnis­che en cul­turele iden­titeit. Het andere stel van waar­den en nor­men heeft een func­tionele beteke­nis. Het stelt de Hin­doe in staat om bin­nen de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur te func­tioneren op de ter­reinen van arbeid, onder­wi­js, maatschap­pelijke betrokken­heid, etc. Het behoeft wellicht geen nadere uit­leg als ik stel dat de per­soon­lijkheid die hier­bij hoort een sta­biele en dynamis­che is. Wat betekent dit nu voor inte­gratie van de Hin­doe met behoud van zijn cul­turele iden­titeit? Hier­voor is het nodig om na te gaan wat de waar­den en nor­men van het hin­doeïsme zijn. Althans, hoe deze kun­nen wor­den gekarak­teriseerd.

Geen uni­forme visie
De cul­turele iden­titeit ontleent de Hin­doe aan zijn cul­turele erf­goed, het hin­doeïsme, de hin­doed­harm. De vraag is echter of alle Hin­does op gelijke wijze tegen het hin­doeïsme aankijken als bron van waar­den en nor­men. Immers, als alle Hin­does het erover eens zijn wat onder de hin­doed­harm moet wor­den ver­staan en het ook eens zijn over de waar­den en nor­men die hierin zijn ver­vat, dan zou het eigen­lijk erg een­voudig zijn om op basis hier­van een mens- en wereld­beeld te ontwer­pen. Een lev­ensvisie die dan kan wor­den gespiegeld aan het mens- en wereld­beeld van de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur, om hier­van de sterke en zwakke kan­ten vast te stellen. Wel­nu, er is niet een vast Ned­er­lands mens- en wereld­beeld omdat de ver­schillen bin­nen de Ned­er­landse cul­turele werke­lijkheid heel groot zijn. Dit geldt in veel sterkere mate voor het hin­doeïsme die ervoor pleit dat iedere vol­geling zijn unieke mens- en wereld­beeld ontwerpt.

De meest uiteen­lopende weten­schap­pen hebben zich gestort op het com­plexe soci­aal-cul­turele sys­teem dat we (de tra­di­tie van het) hin­doeïsme noe­men. Er is echter nog steeds geen overeen­stem­ming bereikt over wat de karak­ter­istieke, ken­merk­ende waar­den en nor­men zijn van deze tra­di­tie. Elk van de weten­schap­pers wordt immers beperkt door de zienswi­jze van zijn vak. Zo kijkt de antropoloog anders tegen het hin­doeïsme aan dan de gods­di­enst­weten­schap­per. En de soci­oloog anders dan de filosoof. Zelfs bin­nen een bepaalde groep van geleer­den, bijvoor­beeld de gods­di­enst­weten­schap­pers, kun­nen de opvat­tin­gen over en beschri­jvin­gen van het hin­doeïsme (sterk) uiteen­lopen. Ze zijn het in grote lij­nen wel met elka­ar eens. Eve­nals de meeste swami’s die elk een per­soon­lijke visie op het hin­doeïsme hebben, maar elka­ars lev­ensvisies toch waarde­volle benaderin­gen van de werke­lijkheid vin­den.

Voor een deel hebben de ver­schil­lende inter­pre­taties te mak­en met een eeuwe­noud prob­leem. Het prob­leem van de hermeneu­tiek. Niet twee mensen kijken op dezelfde wijze tegen een tekst aan, zek­er niet omdat veel van die tek­sten zeer cryp­tisch zijn gefor­muleerd (bijv. de Brah­ma­su­tra’s). Boven­di­en gaat het om tek­sten van god­delijke oor­sprong, zoals de tra­di­tie wil, maar die toch door mensen zijn vast­gelegd en becom­men­tarieerd. De gehele tek­st­tra­di­tie van India wordt getype­erd door com­men­taar op com­men­taar, uit­leg op uit­leg van zow­el het geschreven al het gespro­ken woord, sinds de tijd van de Veda’s. Er is dus niet één zienswi­jze of visie op de dharm. Wat ik tot nu toe (en in het hier­na vol­gende) ‘het’ hin­doeïsme genoemd heb, moet daarom eigen­lijk gen­u­anceerd wor­den opgevat.

Actieve en cre­atieve opstelling
Wat lijkt vast te staan is het gegeven dat alle swami’s, hin­doe­filosofen en geleer­den het op één punt eens zijn. Het hin­doeïsme moet men opvat­ten als een groot reser­voir van ideeën, opvat­tin­gen, gebruiken, rit­ue­len en dergelijke. Hieruit kan iedere Hin­doe naar behoefte en in alle vri­jheid put­ten voor de vorm­ing van een (per­soon­lijk) mens- en wereld­beeld dat ook nog aan veran­der­ing onder­he­vig is naar­mate men oud­er wordt.

Om het anders te zeggen; iedere Hin­doe haalt uit het reser­voir die ele­menten die bij zijn karak­ter, per­soon­lijkheid, oplei­d­ing, inzicht, e.d. passen en waarmee hij een eigen, maar zo slui­tend mogelijk (coher­ent) mens- en wereld­beeld kan schep­pen. Slui­tend wil in dit ver­band zeggen dat in deze lev­en­sop­vat­ting geen interne tegen­sprak­en voorkomen, althans zo min mogelijk. De plicht tot de ontwik­kel­ing van een per­soon­lijke lev­ens­filosofie is miss­chien wel een van de weinige eisen die de tra­di­tie aan de Hin­doe stelt. Hier­aan gaat een over­denk­ing van zijn menselijke bestaan­swi­jze vooraf. Een per­soon­lijke lev­ens­beschouwing geeft inhoud en richt­ing aan het lev­en van de Hin­doe. Tevre­den zijn met de weten­schap dat je als Hin­doe bent opgenomen in een van de wereld­stromen maakt het lev­en niet zin­vol, lei­dt slechts tot onge­fun­deerde en valse trots. Deze lev­ensvisie moet de Hin­doe in staat stellen om de werke­lijkheid, waar­van hij deel uit­maakt (zow­el de hin­doe- als de Ned­er­landse cul­tu­ur), te begri­jpen; in ieder geval op hoofdli­j­nen.

Diverse wegen van inzicht
Het bouwen van een mens- en wereld­beeld waarmee de Hin­doe de werke­lijkheid kan begri­jpen (zoals die zich aan hem voor­doet, zoals hij die dus ziet), gebeurt voor een groot deel op rationele wijze. Dus via de herse­nen en de rede/ratio. Voor een ander deel gebeurt dit buiten het bewustz­i­jn om. Bepaalde din­gen begri­jpen som­mige mensen immers onmid­del­lijk, buiten de herse­nen en het ver­stand om. Als bij wijze van een bij­zon­der inzicht. Zon­der dat men een en ander onder woor­den kan bren­gen of kan bear­gu­menteren. Hoo­gu­it achter­af. Denk in dit ver­band bijvoor­beeld aan het directe con­tact dat iemand met een kunst­werk (muziek, schilder­ij, beeld­houww­erk) kan hebben. Waarom een bepaald kunst­werk ons aanspreekt kun­nen we vaak niet aangeven. We weten wel dat muziek of een schilder­ij ons diep van bin­nen kan rak­en. Niet alles is dus met de rede te bevat­ten. Dit niet-rationele weten, in India religieuze ervar­ing genoemd, is in het hin­doeïsme een veel belan­grijk­er ken­mid­del (een mid­del om de werke­lijkheid te ken­nen, te benaderen) dan de ratio, het ver­stand. Deze is op zijn beurt weer veel belan­grijk­er dan iets klakkeloos aan­nemen en geloven. Voor de duidelijkheid: in het Indi­ase denken onder­schei­dt men tussen gods­di­enst, filosofie en religie. Bij gods­di­enst gaat het om het geloof in God met inbe­grip van een dienst ter ere van een van zijn of haar per­soon­lijke ver­schi­jn­ingsvor­men. Bij filosofie moet men denken aan het begri­jpen van de werke­lijkheid met behulp van de herse­nen en het ver­stand (de rede/ratio). Bij religie of religieuze ervar­ing speelt de ere­di­enst geen rol. Ook niet het geanaly­seer van de werke­lijkheid door mid­del van de ratio. Het gaat hier om het diepgevoelde besef dat de mens deel uit­maakt van een grot­er organ­isch geheel, een kos­misch plan waarin alle onderde­len met elka­ar samen­hangen. Hierin zijn mens, dier, plant en al het andere in de natu­ur en kos­mos door­dron­gen van ‘het god­delijke’ en hebben gelijke bestaan­srecht. De mens is in deze ervar­ing één met God. Mens en God zijn slechts man­i­fes­ta­ties van een en het­zelfde abstracte principe dat geen vorm en andere kwaliteit­en (ken­merken) heeft, geen begin en geen eind, alti­jd heeft bestaan.

We stelden het al. Het hin­doeïsme zet aan tot een actieve houd­ing van de Hin­doe in de wijze waarop hij richt­ing en vorm geeft aan zijn lev­en. Door serieuze studie en dialoog kri­jgt hij langza­am maar zek­er grip op de grond­be­gin­se­len van zijn cul­tu­ur, ten­min­ste zoals hij die ziet. Gaan­deweg bouwt hij een lev­ens­filosofie uit waarin alle onderde­len een ‘logisch’- organ­isch of samen­hangend geheel vor­men. Voor een groot deel zal deze ‘med­edeel­baar’ zijn van­wege de rationele kant van de lev­ensvisie. Voor wat betre­ft het intuïtieve, het gevoels- en geloof­saspect miss­chien niet. De lev­ens­filosofie is een per­soon­lijke aan­gele­gen­heid en hoeft niet op alle onderde­len te wor­den bear­gu­menteerd en uit­gelegd aan een ander. Voor de per­soon in kwest­ie is wel een gevoel noodza­ke­lijk dat alles inner­lijk samen­hangt.

Als de Hin­doe zich van deze opgave bewust wordt en deze uitdag­ing aan­vaardt, zal hij spoedig begri­jpen dat een van de ken­merken van zijn erf­goed is: beschei­den­heid. En wel in die zin dat het zeer moeil­ijk is om de visie van een andere Hin­doe over de tra­di­tie te bekri­tis­eren. Die zienswi­jze is immers langs een andere, zeer per­soon­lijke weg tot stand gekomen. Een andere Hin­doe win­nen voor je eigen, per­soon­lijke (hin­doe-) lev­en­sop­vat­ting is uit den boze omdat het indruist tegen een van haar meest fun­da­mentele uit­gangspun­ten, de vri­jheid en noodza­ak van een per­soon­lijke lev­ens­filosofie. Reden waarom het hin­doeïsme een tra­di­tie wordt genoemd waarin de dialoog cen­traal staat en niet de over­tuig­ing en bek­er­ing, zow­el de dialoog bin­nen de eigen tra­di­tie (intra-cul­turele dialoog) als die met de omgev­ing (inter­cul­turele dialoog). In de per­soon­lijke invulling van de lev­ensvisie schuilt de kracht maar tegelijk­er­ti­jd ook de zwak­te van de hin­doed­harm. Voor dege­nen die het aan­dur­ven is er alle ruimte voor de ontwik­kel­ing van een eigen way of life, lev­enswi­jze. Dege­nen die niet vertrouwen op de eigen ver­mo­gens en had­den gehoopt op een ‘hand­boek des lev­ens’, met hierin de oploss­ing van alle lev­ensvra­gen van alle tijd, zullen teleurgesteld zijn. Hen  rest het vol­gen van de cre­atieve voorhoede. Of over­stap­pen naar een andere tra­di­tie die meer con­crete hou­vast biedt.

Dynamis­che tra­di­tie
Het mens- en wereld­beeld van de indi­vidu­ele Hin­doe is aan veran­der­ing onder­he­vig. Voor een deel omdat ieder mens een per­soon­lijke groei door­maakt, waar­door zijn inzicht­en en lev­enser­var­ing toen­e­men. Voor een ander deel door de ontwik­kel­ing van de grote ongri­jp­bare tra­di­tie van het hin­doeïsme zelf, die niet alleen in de tijd, maar ook van plaats tot plaats, van dorp tot dorp, van per­soon tot per­soon veran­deren. De Hin­doe is dus nooit   ‘af’. Hij is eigen­lijk ‘in word­ing’. Manur bha­va “word mens” zegt een van de heilige geschriften. Put hij uit het reser­voir van de eigen tra­di­tie, dan zal zijn lev­ensvisie voor­namelijk hin­doeïstisch van aard zijn. Maar hin­doe­filosofen en swami’s hebben nooit alleen naar het eigen erf­goed gekeken. Ze hebben zich ook lat­en inspir­eren door andere opvat­tin­gen uit Oost en West. Een voor­beeld zijn de zeer geleerde swami’s van de Ramakr­ish­na Mis­sion. Ze getu­igen in hun pub­li­caties van een even goede vertrouwd­heid met het chris­ten­dom als met het hin­doeïsme. Vergelijk­ing van lev­en­sid­e­alen kan lei­den tot over­name van uitheemse ele­menten. Hier­mee kan het per­soon­lijke mens- en wereld­beeld wor­den uit­ge­bouwd. Maar vergelijk­ing kan ook lei­den tot her­in­ter­pre­tatie van het eigen erf­goed. Dit is een van de ken­merken van het hin­doeïsme. Op een cre­atieve wijze her­in­ter­preteren van de tra­di­tie naar plaats en behoefte en in de tijd is iets wat de cre­atieve hin­do­evoorhoede sinds de tijd van de Rig Veda heeft gedaan. En dit pro­ces van over­name, aan- en inpass­ing in de bestaande struc­turen (de tra­di­tie) zal voort­duren. Slaagt de Hin­doe niet in dit laat­ste en is hij aangewezen op over­name van exo­tis­che ele­menten dan mag dit, gezien het voor­gaande, uit­er­aard geen belem­mer­ing zijn. Door over­name van exo­tis­che cul­tu­urele­menten wordt men niet min­der Hin­doe. Ook hier geldt overi­gens dat de Hin­doe bij zow­el her­in­ter­pre­tatie als over­name streeft naar een zo slui­tend mogelijke filosofie. Mijn per­soon­lijke ervar­ing met de lit­er­atu­ur over het onder­zoek van het hin­doe-erf­goed heeft mij ervan over­tu­igd dat over­name van ele­menten van buiten tot een min­i­mum beperkt  kan bli­jven. Want de wijdte en diep­gang die de hin­doeïsme inmid­dels heeft bereikt, biedt ruimte aan de meest uiteen­lopende opvat­tin­gen. In ieder geval biedt het een ruim kad­er waarbin­nen een verdere en per­soon­lijke ontwik­kel­ing mogelijk is. Daarom is het aan te beve­len om bin­nen deze kaders te werken aan verdere ontwik­kel­ing van de dharm als geheel en van bin­nenu­it eventuele mis­standen aan de kaak te stellen.

Inter­cul­turele samen­lev­ing
Ieder Hin­doe dient zich in te span­nen om deel te nemen aan de samen­lev­ing. Op welke wijze ook. Hij moet er voor wak­en om niet aan de rand van de maatschap­pij terecht te komen. Ten tweede moet hij naar ver­mo­gen bij­dra­gen aan de vooruit­gang van de samen­lev­ing. In dit geval de Ned­er­landse. Een van zijn plicht­en in deze is de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur een spiegel voor te houden. Door de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur te con­fron­teren met waar­den en nor­men uit het hin­doeïsme kun­nen de bestaande denkbeelden wor­den gerel­a­tiveerd en eventueel wor­den ver­be­terd door inzicht­en uit de hin­doed­harm. Denk bijvoor­beeld aan hin­doe-opvat­tin­gen over het omgaan met oud­eren, emoties, de natu­ur en inter­menselijke betrekkin­gen.
Maar inte­gratie is een tweez­i­jdig gebeuren. Hierin hebben de indi­vidu­ele per­soon of groep en de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur een gelijke inspan­ning te ver­richt­en. Anders is een suc­cesvolle inte­gratie uit­ges­loten.

De eigen bij­drage van de Hin­doe bestaat in de eerste plaats in het ver­w­er­ven van inzicht in zijn eigen tra­di­tie. Dit is noodza­ke­lijk voor de vorm­ing van een posi­tief zelf­beeld en sta­biele per­soon­lijkheid, het fun­da­ment van waaruit hij vertrekt om de andere mens te ont­moeten. Ten tweede zal hij zich moeten verdiepen in de tra­di­tie van de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur. Bei­de acties kun­nen tegelijk wor­den onder­nomen. Uitein­delijk moet dit lei­den tot het hanteren van een dubbele waar­den- en nor­men­pa­troon. Een sys­teem van waar­den en nor­men vormt de basis voor de cul­turele iden­titeit van de Hin­doe. Het andere stel heeft een func­tionele waarde. Het stelt de per­soon in kwest­ie om op een vol­waardi­ge wijze aan de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur deel te nemen op de ter­reinen van arbeid, onder­wi­js, maatschap­pelijke betrokken­heid e.d.

In de Ned­er­landse samen­lev­ing bestaan meerdere cul­turele tra­di­ties naast en met elka­ar. De wed­erz­i­jdse beïn­vloed­ing is zo inten­sief dat de benam­ing inter­cul­turele samen­lev­ing gerecht­vaardigd is. In zo’n samen­lev­ing zal de Hin­doe niet een dubbel maar een meer­voudig waar­den- en nor­men­pa­troon moeten leren hanteren. De uitdag­ing is in deze sit­u­atie extra zwaar. Toch sluit het aan bij de hin­doe-opvat­ting van lev­enslang leren en werken aan de totale ont­plooi­ing van alle ver­bor­gen ver­mo­gens van de mens. Dit met als doel om zow­el de inner­lijke wereld (per­soon­lijke iden­titeit) als de uiter­lijke (maatschap­pij) met elka­ar in even­wicht te bren­gen.

De antwo­or­den
Laat ons nu terugk­eren naar de drie vra­gen die ik aan het begin van mijn betoog for­muleerde en deze bij wijze van samen­vat­ting van het voor­gaande beant­wo­or­den.

Ad 1. Zolang de Hin­doe in uiter­lijk opzicht nog opvalt bin­nen de meerder­hei­d­s­cul­tu­ur zal hij stelling moeten nemen. De prak­tijk, zijn per­soon­lijkheid en wijsheid zullen bepalen welke keuze hij uitein­delijk zal mak­en. Hij kiest, als het goed is, op een gegeven moment voor de Hin­dostaanse iden­titeit (de etnis­che dimen­sie). Hij kan ook kiezen voor de hin­doe-iden­titeit (de cul­turele dimen­sie). Ontken­nen van die exo­tis­che iden­titeit zal lei­den tot een labiele per­soon­lijkhei­d­son­twik­kel­ing. Accep­tatie en waarder­ing van de eigen iden­titeit kan het begin zijn van een sta­biele per­soon­lijkhei­d­son­twik­kel­ing.

Inte­gr­eren en het lev­eren van een waarde­volle bij­drage aan de Ned­er­landse samen­lev­ing is slechts in het tweede geval mogelijk.

Ad 2. Het hin­doeïsme kun­nen we type­r­en als een tra­di­tie waarin de indi­vidu­ele Hin­doe wordt aange­spo­ord om een zeer per­soon­lijke lev­ens­filosofie te ontwikke­len. Deze way of life vraagt om een dynamis­che en actieve instelling met als doel het vin­den van juiste ver­houdin­gen tussen indi­vidu en samen­lev­ing opdat hij als een sta­biele par­tij aan de verdere ontwik­kel­ing van de (Ned­er­landse) samen­lev­ing kan bij­dra­gen.

Ad 3. Ont­plooi­ing van de etnis­che en cul­turele iden­titeit kan men bereiken door het onder­zoeken van de waar­den en nor­men van het hin­doeïsme en deze in vergelijk­end per­spec­tief te bezien. Het begint met het ver­w­er­ven van inzicht in de grote lij­nen van de hin­doe-tra­di­tie. Deze wor­den op een cre­atieve manier in overeen­stem­ming gebracht met de eigen per­soon­lijkheid, karak­ter , ontwik­kel­ing, e.d.

In het pro­ces van lev­enslang leren daalt de Hin­doe af van het niveau van de grote lij­nen naar het niveau van de details. Het ver­di­ent hier­bij aan­bevel­ing zoveel mogelijk aansluit­ing te zoeken bij het hin­doe-erf­goed. Zo nodig moet de Hin­doe zon­der schroom ele­menten aan het per­soon­lijke mens- en wereld­beeld toevoe­gen die niet kun­nen wor­den her­leid uit de eigen tra­di­tie. Inte­gratie met behoud van de eigen iden­titeit in welke samen­lev­ing dan ook komt dus neer op het ontwikke­len en op gepaste wijze hanteren van een meer­voudig en dynamisch waar­den- en nor­men­com­plex.

Noten:
1*) Dit ops­tel is een bew­erk­ing van een essay dat eerder in de papieren Hin­do­ra­ma ruim 20 jaar gele­den ver­scheen onder de titel ‘Behoud van de hin­doe-iden­titeit na 125 jaar’. Omdat mijn ideeën over het onder­w­erp toen al uit­gekristalliseerd waren betre­ft de aan­pass­ing hoo­gu­it 1 % van de oor­spronke­lijke tekst. Deze ver­sie draag ik op aan pan­dits Mun­shi Rah­man Khan en Jnan Adhin die ons veel moois hebben nage­lat­en.
2) De term cul­tu­ur­provin­ciën heb ik van de Utrechtse indoloog Jan Gon­da.
3) In plu­rale samen­levin­gen hebben we met meer dan twee waar­den- en nor­men­st­ste­men te mak­en waar we naar believen uit kun­nen put­ten, aangenomen dat de ele­menten met elka­ar in even­wicht wor­den gebracht.

Foto’s: Pex­els, Pix­abay en San­skritiMagazine e.a.

TOP