Rakshá-Bandhan (Rákhi)

Jnan H. Adhin (1927-2002)

Rákhi: Bescher­mingsko­ord
Één van de feesten die niet op bij­zon­der opval­lende wijze wor­den gevierd, doch die een diepe zin hebben, is de Rak­shá-Band­han of het Rákhi-feest, ook wel Sávani- of Salúno-feest geheten. Eve­nals met vele andere feesten het geval is, ver­li­est ook van dit feest de oor­sprong zich in het gri­jze verleden van de Indis­che cul­tu­ur. Het religieuze karak­ter van dit feest is in de loop der eeuwen gro­ten­deels verd­we­nen: het is min of meer gesec­u­lariseerd en heeft ook andere gedaan­ten en betekenis­sen aangenomen, waar­door het bij uit­stek een sym­bool van bescherming is gewor­den. Tra­di­tion­eel wordt er bij dit feest een koord gebon­den om de pols van de per­soon, voor wiens bescherming men zich ver­ant­wo­ordelijk voelt of op wiens bescherming men rekent. Van­daar de San­skrit-naam Rak­shá-Bándhná (let­ter­lijk: bescher­mings­band), welke in het Hin­di Rákhi is gewor­den. In het bij­zon­der geschiedt dit Rákhi bandhná (binden van het bescher­mingsko­ord) door een geestelijke (pandit) om de pols van diens vol­gelin­gen (en hun gezinsle­den) en door een vrouw (meis­je) om de pols van haar (echte of aangenomen) broers. Aangezien de Rak­shá-Band­han op de dag van Púrn­imá (volle maan) van de maand Shrá­van of Sávan (juli/augustus) plaatsvin­dt, wordt de Rákhi in het Hin­di ook Sávani (en dialec­tisch Salúno) genoemd. Op deze feestdag trekken priesters en anderen erop uit om de in diverse kleuren uit­gevo­erde Rákhi’s te binden om de polsen van diege­nen, met wie zij op de een of andere wijze door een “bescher­mings­band” zijn ver­bon­den.

Rak­shá Band­han fes­ti­val in Den Haag

Indráni en Indra
De mythol­o­gis­che achter­grond van de Rak­shá-Band­han gaat terug tot de in de aloude Rig-Veda genoemde ‘hemel­god’ Indra, de ver­per­soon­lijk­ing van de atmos­ferische kracht­en van de natu­ur, die met Thor-Donar (uit de Noordse mytholo­gie) en met Zeus-Jupiter (uit de Grieks-Romeinse mytholo­gie) kan wor­den vergeleken. (Trouwens de woor­den Zeus en Jupiter zijn ety­mol­o­gisch ver­want met het San­skrit Dyaus-Pitar, vad­er van de hemel). En eve­nals Thor-Donar en Zeus-Jupiter tegen de hun vijandi­ge macht­en moesten stri­j­den, was Indra telkens in hevige stri­jd gewikkeld met asur­as en rák­shasas, demo­nen die zijn heer­schap­pij belaag­den.
Nu gebeurde het eens, dat Indra weer bezig was een stri­jd op lev­en en dood met de rák­shasas te voeren, maar deze keer bleef de uit­slag ver­schei­dene dagen lang onzek­er, zodat Indra zelfs aan zijn over­win­ning begon te twi­jfe­len. Maar toen kwam zijn lief­tal­lige echtgenote Shachi hem op een orig­inele en typ­isch vrouwelijke wijze te hulp, waar­door ze hem tot moed en meerdere kracht­sont­plooi­ing kon inspir­eren.
Gedreven door haar grote liefde smeek­te Shachi — die meer bek­end staat als Indráni of Ain­dri (d.i. Indras vrouw) — de hulp vanSav­itr (de stral­ende zon) af door het reciteren van de heilige Gáy­a­tri-mantra, waar­na ze haar echtgenoot een koord om diens pols bond; en in dit gebaar legde ze al de kracht van haar reine liefde, opdat dit koord haar Indra zou bescher­men en naar de over­win­ning voeren.
Toen Indra opnieuw ten stri­jde trok, was het hem alsof de draden van de Rak­shá-Band­han een bij­zon­dere kracht uit­straalden, welke zijn gehele lichaam doorstroomde en hem een voor­di­en niet ervaren sterk­te en moed ver­schafte. Het geluk­te Indra dan ook de rák­shasas een ver­plet­terende ned­er­laag toe te bren­gen, waar­na hij zegevierend naar Indra-Lok (zijn rijk) terug­keerde, waar zijn liefhebbende eega op hem wachtte.

Rak­shá Band­han sur­prise!

Gum en Chelá
Het geloof, dat men een per­soon, met wie men in emo­tion­eel of spir­itueel opzicht is ver­bon­den, tot grotere presta­ties kan (en moet) inspir­eren, lei­d­de reeds in het oude Indië tot diverse gebruiksvor­men van de Rak­shá-Band­han, waar­van hier slechts twee wor­den genoemd, namelijk in de ver­houd­ing tussen Guru en Chelá (meester en discipel) en tussen Puro­hit en Yajmán (priester en gelovige). In oude tij­den, toen de belan­grijk­ste onder­wi­jsin­sti­tuten (Ashrams en Gurukuls) niet in bewoonde cen­tra (dor­pen en ste­den), maar in de vri­je natu­ur (wouden) lagen, trokken de Rishi’s en Muni’s (wijzen en heili­gen) door het ganse Indis­che sub­con­ti­nent om de mensen geestelijk op te wekken. Op de volle-maandag van Sávan nu placht­en deze geestelijke ler­aren grote bijeenkom­sten in de dor­pen te organ­is­eren, waaraan mensen uit naburige (en zelfs verre) plaat­sen deel­na­men.
Op deze bijeenkom­sten bond de Guru (Meester) dan allen, die zich spir­itueel aan hem ver­bon­den voelden, de Rak­shá-Band­hanom de pols. Want de Guru zou nu moeten doortrekken, doch zijn spir­ituele kracht en wijsheid zouden niet wor­den ver­geten, daar immers het koord de discipe­len niet alleen aan hun geestelijke ver­plichtin­gen herin­nerde, maar hun ook de kracht ver­schafte om deze zo goed mogelijk te vervullen.
Het spreekt vanzelf, dat dit gebruik bij de priesters (Puro­hits of Pandits) navol­ging vond: op deze dag gin­gen zij eve­neens de Rákhi binden om de polsen van hun gelovi­gen, die dan door de kracht van dit koord wer­den bescher­md en bezield. Ook in Suri­name gaan de pandits op deze dag rond, om vol­gelin­gen en hun gezinsle­den de gebruike­lijke Rákhi om de pols te binden.
In som­mige krin­gen heeft de Rak­shá-Band­han zelfs de func­tie van een amulet of tal­is­man gekre­gen: men gelooft namelijk, dat dit koord bescherming tegen boze geesten biedt. Aldus beleeft het volk de Rak­shá-Band­han, die bij religieuze plechtighe­den (b.v. hom of havan, het vuurof­fer) om de pols van de offer­aar (yajmán) wordt gebon­den. En dezelfde beteke­nis wordt door het volks­geloof ook gehecht aan de Rak­shá-Band­han, die bij huwelijken (viváh) gebruike­lijk is: door dit koord wor­den bruid en bruide­gom effec­tief tegen de invloed van boze geesten bescher­md!

Moslim­man­nen kri­j­gen om de pols een rákhi gebon­den (India)

Kar­na­vati en Humáyún
In de loop der tij­den ging men in som­mige delen van het onmetelijke Indis­che sub­con­ti­nent de bescher­mende kracht ook op andere wijze beleven. Zo onderg­ing in Rajpútáná (thans de staat Rájasthán) het karak­ter van de Rákhi een com­plete veran­der­ing en werd het binden van dit koord gezien als een beroep om bescherming, dat door een vrouw of meis­je op haar (echte of aangenomen) broer werd gedaan.
De Rájpúts waren (zijn) een rid­der­lijk volk, en hun vorsten hebben in moeil­ijke tij­den het Indis­che rijk held­haftig tegen buiten­landse invallers verdedigd. Wan­neer een stad werd belegerd en er geen hoop op over­win­ning meer bestond, maak­ten alle man­nelijke stri­jd­kracht­en zich gereed de poorten te ver­lat­en en stri­j­dend ten onder te gaan, na de vijand zoveel mogelijk ver­liezen te hebben toege­bracht. Maar alvorens zij de stad voor alti­jd ver­li­eten, werd bin­nen de muren de Jauhar-cer­e­monie voltrokken. Wetend dat zij niet lev­end zouden terugk­eren, en niet wil­lend dat hun vrouwen en kinderen een vre­selijk lot in han­den van de vijand zou tre­f­fen, werd het hoog­ste offer gebracht: de vrouwen en kinderen beste­gen zin­gend en bid­dend de brand­stapel en maak­ten aldus de man­nen geheel vrij om hun laat­ste stri­jd te voeren! In de geest van dit rid­der­lijk volk was deze gedachte van bescherming van de hulp­be­ho­evende in het alge­meen en van de wouw in het bij­zon­der zó supre­em, dat de Rájpúts er alles voor over had­den. En een vrouw kon in troe­bele tij­den dan ook alti­jd met suc­ces een beroep om bescherming doen, vanzelf­sprek­end eerst op haar broers of neven; maar als ze deze niet had, kon ze bescherming inroepen van een andere man, die haar vanaf dat moment als zijn zuster erk­ende. Dit beroep op bescherming werd sym­bol­isch door het binden van de Rákhi gedaan. Terecht beroemd is het voor­beeld van koningin Kar­na­vati, die zich door vele vijan­den bedreigd voelde en daarom een beroep deed op keiz­er Humáyún (1530 — 1556), die hele­maal in de hoofd­stad Del­hi troonde. Daar­toe zond ze met een spe­ciale bood­schap­per een Rákhi aan de haar per­soon­lijk niet bek­ende keiz­er, die dit bescher­mingssym­bool direct accepteerde. En Humáyún heeft zich als een echte broer gedra­gen en zijn zuster Kar­na­vati met inzet van zijn lev­en bescher­md.
Deze his­torische gebeurte­nis toont duidelijk aan, dat de Rákhi de gren­zen van ras en gods­di­en­sten tran­scen­deert (want Humáyún was een Mughal en Mus­lim en Kar­na­vati en Rájpút­ni en Hin­du). En het is deze beteke­nis van de Rákhi, die vooral in Noord-India wijd ver­breid is gewor­den, om welke reden de Rákhi soms als het “feest van de zusters” (bahi­non ká tyauhár) wordt aange­duid.
Ook in Suri­name is deze beteke­nis goed bek­end. Heel pop­u­lair is het lied, waarin de zuster haar broer (bhaiyá mere) vraagt haar niet te ver­geten en Rákhi ke band­han ko nib­háná: de door Rákhi geschapen band op de juiste wijze te beleven door zijn ver­plichtin­gen na te komen.

Para­mari­bo, 5 augus­tus 1968

Bek­ijk de video­clip op youtube: Bhaiya Mere Rakhi Ke Band­han Ko Nib­hana | Lata Mangeshkar | Chhoti Bahen

Dit jaar valt het feest op maandag 3 augus­tus. Feest- en Hoogti­jda­gen 2020
TOP