Racisme in Nederland en het slavernijverleden

Prof. Chan Choenni

Mama Baranka (Moeder Rots) Standbeeld voor verdraagzaamheid in het Vondelpark in Amsterdam ter herdenking van de racistische moord op Kerwin Duinmeijer.

Eindelijk lijkt het in Nederland opnieuw door te dringen dat racisme een ernstig probleem is in ons land. Over het algemeen wordt racisme van oudsher in Nederland veroordeeld. Vervolgens wordt snel vanuit het heersende besef dat iedereen gelijkwaardig is, ten onrechte geconcludeerd dat racisme niet zo frequent voorkomt in Nederland. De ervaring van veel mensen met een zogeheten migratieachtergrond was en is echter meestal anders. Recent -op 25 mei 2020- heeft de vreselijke en onmenselijke moord op de Afro-Amerikaan George Floyd door een witte politieman het alledaags racisme in de Verenigde Staten nogmaals zichtbaar gemaakt voor de hele wereld. De beelden zijn wereldwijd gedeeld. Dat heeft geleid tot grote consternatie en terechte afwijzing van dit racistisch optreden. Er zijn talrijke demonstraties geweest. Ondanks de beperkende corona maatregelen zijn ook in Nederland velen de straat opgegaan om te demonsteren tegen racisme. Borden met de tekst Black Lives Matter (BLM), maar ook ‘geen racisme in Nederland’, ‘racisme is onmenselijk’ getuigden ervan dat ook in Nederland nog steeds sprake is van racisme. Vooral veel jongeren -zowel zwarte als witte- lieten blijken dat racisme nog steeds een serieus probleem is in ons land. Het klimaat om racisme aan de kaak te stellen lijkt, vergeleken met 30-40 jaar (1980-1990) geleden toen sprake was van een zogeheten eerste antiracisme golf in Nederland, weer gunstig te zijn. Maar of er ook effectieve maatregelen zullen worden getroffen is nog een open vraag.

Tegenwoordig worden berichten en beelden wereldwijd gedeeld door de mogelijkheden van de sociale media, zoals via YouTube, WhatsApp en Facebook. Ook kan men tegenwoordig alles filmen met de mobiele telefoon en over de hele wereld delen alsmede geestverwanten oproepen om te demonstreren en om acties te ondernemen. Mede daardoor is in 2020 sprake van een zogenoemde tweede anti-racisme golf in Nederland. Het besef dat racisme ongewenst is en bestreden moet worden staat dus weer op de politieke agenda. Terzijde: wij gebruiken voor autochtonen in dit kader de term Witten en witte mensen in plaats van de term Blanken en blanke mensen, omdat deze termen tegenwoordig geaccepteerd zijn als eigentijdse aanduidingen. Voorts focussen wij ons in dit artikel vooral op Surinamers in Nederland en de relatie met Suriname.

Zwarte Pieten discussie (beeld: Trouw)

Smalle en brede definitie
Er lijkt sprake te zijn van een historisch kantelpunt. Minister President Mark Rutte wijzigde onlangs zijn standpunt met betrekking tot de figuur van Zwarte Piet. Hij wijst nu Zwarte Piet af, omdat hij heeft gemerkt dat het kwetsend is voor zijn gekleurde en zwarte medeburgers. Maar hij stelt nog steeds dat hij de figuur van Zwarte Piet niet racistisch vind. Dit standpunt heeft te maken met de definitie die men hanteert met betrekking tot het concept racisme. Over het concept racisme is veel discussie en er bestaan verschillende definities. Dat heeft te maken met wat men noemt ‘definitiemacht’. Wie het probleem definieert bepaalt ook de reikwijdte ervan. Ruwweg kunnen wij een onderscheid maken tussen een smalle en een brede definitie. Degenen die een smalle definitie voorstaan menen dat racisme een opvatting of ideologie is, die stelt dat mensen behorende tot een bepaald ras superieur zouden zijn ten opzichte van mensen van een ander ras. Doorgaans wordt daarbij verondersteld dat het witte ras superieur zou zijn aan het zwarte ras. Men kan mensen discrimineren op grond van ras en dat heet dan rassendiscriminatie. De smalle definitie heeft als nadeel dat het vaak lastig is om te bewijzen dat er sprake is geweest van racisme. Want de dader kan stellen dat hij/zij geen racistische opvattingen huldigt en bijvoorbeeld vindt dat ieder mens gelijkwaardig is. Maar het gaat er niet zozeer om of men wel of geen racistische opvattingen heeft of een racistische ideologie huldigt, maar wat het gevolg is van de bejegening of het handelen. Als de gevolgen racistisch zijn, dan is er sprake van racisme los van de opvatting of ideologie van de dader. Bovendien wordt racisme beperkt tot een individuele daad. Racisme is echter een breder verschijnsel en het betreft ook institutionele praktijken. Dat is dan ook de kern van de brede definitie van racisme.

Ik ben een voorstander van een brede definitie. Ik definieer racisme als een ideologie of opvatting alsmede handelingen, bejegeningen en institutionele praktijken die tot gevolg hebben dat bepaalde groepen mensen en individuen worden achtergesteld en/of geïnferioriseerd op grond van hun vermeende raskenmerken.

Eén menselijk ras
Voor alle duidelijkheid: volgens recente wetenschappelijke inzichten bestaan er geen menselijke rassen. Er is maar één menselijk ras; er zijn wel zogeheten etnische groepen die een aantal kenmerken met elkaar delen. Vaak wordt ook de term bevolkingsgroepen gebruikt. Vroeger werden ten onrechte groepen mensen in rassen onderscheiden en aan de zogenaamde verschillende rassen werden meestal onveranderlijke kenmerken toegekend. Er was bijvoorbeeld een driedeling, namelijk het blanke (witte) ras, het gele ras en het zwarte ras. De huidskleur werd als een onderscheidend kenmerk opgevoerd en vervolgens werd andere kenmerken, zoals intelligentie gekoppeld aan deze ‘rassen’. Het onderscheid in menselijke ‘rassen’ werd echter vanaf de jaren zestig ook als racisme bestempeld. Racisme werd ook gebruikt om bijvoorbeeld de slavernij in Suriname te legitimeren. Zo werd de zwarte of donkere huidskleur als kenmerk van inferioriteit en lelijkheid beschouwd. Hoe lichter gekleurd des te beschaafder en intelligenter men was, zo werd betoogd. Vooral de positie van Zwarte Afrikanen was toentertijd bar slecht en dat werd als bewijs van hun inferioriteit aangevoerd. Dat was eigenlijk tot eind jaren vijftig van de twintigste eeuw het geval. De koppeling tussen intelligentie en huidskleur klopte echter toen al niet helemaal. In India bleek bijvoorbeeld dat in het Zuiden waar de mensen donkerder gekleurd zijn dan in het Noorden, zij gemiddeld even -zo niet intelligenter- waren de mensen in het Noorden.

Cultureel archief
Vooral de nakomelingen van de Zwarte Afrikanen (de slaafgemaakten), namelijk de Afro-Surinamers en Marrons hadden veel last van vooroordelen en negatieve beelden die waren ontstaan door de tijd heen. En met name onder veel witte mensen, maar ook bij leden van andere etnische groepen zijn deze negatieve beelden blijven beklijven en generaties lang doorgegeven. Het feit dat sommige Afro-Surinamers zelf anderen discrimineren en racistisch behandelen doet niks af aan het feit dat zij veel meer last en pijn ervaren van racisme. Daarom reageren zij doorgaans vaak feller op racisme. Dat heeft ook te maken met het slavernijverleden. De Surinaamse cultureel antropologe Gloria Wekker noemde dit het cultureel archief; er bestaan nu eenmaal historisch gefundeerde negatieve beelden die niet snel veranderen. Vooral wanneer de betreffende groep in een inferieure positie blijft, worden deze negatieve beelden niet gecorrigeerd. Pas wanneer bijvoorbeeld een zwarte man als Barack Obama President wordt van Amerika worden door zijn intelligentie en evenwichtig optreden negatieve beelden over zwarte mensen langzamerhand bijgesteld. Beelden over de inferioriteit en gemiddeld lagere intelligentie van Zwarten -dit wordt ook wel biologisch racisme genoemd- zijn door de tijd heen langzamerhand grotendeels gecorrigeerd. Ook beelden over schoonheid in relatie tot de zwarte huidskleur beginnen in de eenentwintigste eeuw te wankelen, doordat bijvoorbeeld Michelle Obama first lady werd. De koppeling tussen zwarte huidskleur en lelijkheid wordt steeds meer betwist en dat heeft ook te maken met emancipatie van Zwarten die vaker machtsposities beginnen te bekleden en in de sport en modebladen figureren.

In dit verband worden ook de zogeheten vooroordelen ontmaskerd. Een vooroordeel is meestal een mening over iemand of een groep mensen. Het gaat bijvoorbeeld over één kenmerk van een stereotype. Een stereotype is een overdreven beeld van een groep mensen dat vaak niet overeenkomt met de werkelijkheid. Het is vaak een vooroordeel of negatief denkbeeld en wordt meestal gebruikt als rechtvaardiging van een bepaalde discriminerende opvatting of actie. Een vooroordeel kan gezien worden als een veelvoorkomende menselijke fout in het denken, redeneren of het nemen van beslissingen. Vooroordelen zijn een menselijk hulpmiddel om een grote stroom aan informatie in pakketten op te slaan in het geheugen. Het is onmogelijk om alle informatie die tot iemand komt individueel te verwerken, daarom worden groepen vaak aan één kenmerk gekoppeld. Daar heeft men een moeilijk woord voor generalisatie. Er wordt bijvoorbeeld als het om racisme gaat dus meestal gegeneraliseerd over zwarte mensen.

Institutioneel racisme
Volgens de brede definitie van racisme bestaan er verschillende vormen van racisme. Wij gaan hier niet verder in op de verschillende vormen. Wij beperken ons tot het noemen van twee vormen van racisme, namelijk het alledaags racisme en het institutioneel of systemisch racisme. Met alledaags racisme wordt bedoeld het racisme dat men ervaart in de alledaagse omgang. Namelijk de racistische bejegening en behandeling die mensen behorende tot een etnische groep ondergaan van de zijde van degenen die menen te behoren tot een superieure etnische groep. Bijvoorbeeld witte verkopers die zwarte klanten vaker verdenken van (neiging tot) diefstal -dat is dus een vooroordeel- en hen extra in de gaten houden. Of een recent voorbeeld: de rapper Akwassi van Ghanese afkomst uitmaken voor Zwarte Piet en vervolgens stellen dat het een grapje was. Terwijl de figuur van Zwarte Piet historisch beschouwd racistische associaties (bijvoorbeeld met een zwarte slaafgemaakte) oproept, wordt gesteld dat de opmerking niet racistisch was bedoeld. Vaak wordt gesteld dat men te overgevoelig reageert op een grapje.

Het zogeheten institutioneel racisme staat voor praktijken, vanzelfsprekendheden en ingesleten gewoonten die tot gevolg hebben dat mensen behorende tot bepaalde etnische groepen in een slechte positie terechtkomen en blijven, maar ook drempels en belemmeringen ervaren om in te stromen en door te stromen in instituties. De manier waarop bijvoorbeeld provincies werven en het principe van degenen die laatst instromen in de arbeidsorganisaties en het eerst weer uitstromen bij bezuinigingen. Deze praktijken zijn niet vanwege racistische opvattingen ontworpen, maar hebben wel het effect dat mensen met een migratieachtergrond worden achtergesteld. Deze instituties moeten worden aangepast aan de verander(en)de samenstelling van de Nederlandse bevolking. Indien dat niet gebeurt dan zal het gevolg zijn dat zijn dat cruciale instituties nog steeds grotendeels wit blijven terwijl omringende samenleving is verkleurd. In het kader van het voorkomen en bestrijden van institutioneel racisme moet dan ook worden gestreefd naar een zo groot mogelijk afspiegeling van de divers samengestelde bevolking. Gedacht kan worden aan het politieapparaat, besturen van belangrijke instellingen, zoals de Tweede Kamer tot bijvoorbeeld het personeel van de provincies.

De multiculturele samenleving
Waarom is in Nederland in 2020 sprake van een historisch kantelpunt met betrekking tot de erkenning van racisme oftewel een tweede antiracismegolf? De Nederlandse samenleving en vooral de grote steden zijn namelijk van kleur veranderd. Volgens de recente gegevens van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) had per 1 juni 2020 bijna een kwart (24,3%) van de Nederlandse bevolking een zogeheten migratieachtergrond –volgens de oude definitie hebben zij een allochtone afkomst. Hierbij zijn geteld degenen die in het buitenland (de eerste generatie) zijn geboren of waarvan tenminste een van de ouders in het buitenland is geboren (de tweede generatie). Dit betekent dus dat de derde generatie -de kleinkinderen- niet worden meegeteld als personen met een migratieachtergrond; zij worden als autochtonen beschouwd. Terwijl velen vanwege hun fysieke kenmerken, zoals huidskleur toch worden onderscheiden en ook gediscrimineerd. Deze zogeheten derde generatie zal in aantal blijven toenemen. Wij kunnen dus stellen –als wij de derde generatie meetellen- dat minstens een kwart van de Nederlanders niet meer tot de categorie witte Nederlanders behoort. Volgens voorspellingen zal het aantal mensen met een migratieachtergrond alleen maar toenemen en het aantal witte Nederlanders afnemen en vergrijzen in Nederland. Bijna een op zeven (13,8%) heeft in 2020 een zogenoemde niet-westerse afkomst; zeg maar een zwarte en gekleurde (niet-witte) afkomst. De mensen met een migratieachtergrond wonen vooral in de grote steden. Er is de laatste tijd meer vermenging tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Witte en zwarte jongeren hebben allerlei relaties en vriendschappen variërend van de muziekscene tot in de sportwereld. Nederland is dus feitelijk een multiculturele samenleving geworden en bestrijding van racisme staat nu prominent op de politieke agenda. Alvorens in te gaan op welke maateregelen nodig zijn om racisme te voorkomen te bestrijden is een korte historische analyse nodig.

Eerste antiracisme golf
Tot en met begin jaren zeventig waren de aantallen mensen met een niet-westerse i.c. Surinaamse migratieachtergrond vrij klein in Nederland. Surinamers werden toentertijd vaak aangeduid als landgenoten uit de West, omdat Suriname op grond van het zogeheten Statuut sinds 1954 een Rijksdeel was geworden van het Koninkrijk der Nederlanden. Vaak werden zij als Rijksgenoten vriendelijk bejegend. Veel Surinamers in Nederland waren toen goed geschoold en er woonde ook een groep verpleegkundigen en studenten. Er was ook een kleine groep arbeiders, muzikanten en werklozen. Sommigen waren ook actief in de criminaliteit of in de prostitutie. Er was toen ook al racisme in Nederland en af en toe werden er racistische opmerkingen gemaakt over Zwarten. Maar vanaf 1973 toen de immigratie van Suriname in Nederland begon aan te zwellen kwam het racisme veel meer in beeld. Surinamers concentreerden zich in de grote steden en werden steeds meer zichtbaar in het straatbeeld. Raciale discriminatie bij huisvesting, op de arbeidsmarkt en in discotheken, maar ook in de dagelijkse omgang (alledaags racisme) nam toe. Er werden grappen gemaakt over de luie Surinamers en WW (profiteurs van werkloosheidsuitkeringen), het Surinaams accent werd geïmiteerd en racistische statements gedeeld, zoals bijvoorbeeld ”stuur de Surinamers in een lekkende schuit de Noordzee op”. De politicus Joop Glimmerveen wilde de Nederlandse straten ‘blank houden’ en de immigratie uit Suriname stoppen.

Wakamans
Een deel van de Surinaamse jongemannen waren drugsverslaafd en hielden zich vaak op luidruchtige wijze op voor de tropische winkels en uitgangscentra in de grote steden. Meestal waren het zogeheten wakamans die niet wilden werken, maar liefst ‘hosselden’. Dat wil zeggen op (semi) illegale wijze inkomsten verwierven, zoals het handelen in drugs en ’helen’(verkopen van gestolen goederen). Deze jongemannen veroorzaakten veel maatschappelijke overlast en bepaalden grotendeels het negatieve imago van Surinamers. Eind jaren tachtig verdween een groot deel deze groep wakamans uit beeld en het imago van Surinamers begon daarna te verbeteren. De Surinaamse voetballers en entertainers hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld.

Tegen het heersende racisme werd door activisten al in de jaren zeventig stelling genomen. Vooral in de jaren tachtig waren er demonstraties en acties tegen het weigeren van Surinamers en andere Gekleurden bijvoorbeeld bij de ingang van discotheken. Racisme en discriminatie werden bespreekbaar gemaakt. Zoals eerder gezegd kwam toen de eerste antiracisme golf in Nederland op gang. Vermeldenswaard is de racistische moord die in 1983 plaatsvond.

Kerwin Duinmeijer was een Nederlandse tiener van Antilliaanse afkomst die werd vermoord bij zinloos geweld. In de nacht van 20 op 21 augustus 1983 vond in de Damstraat in Amsterdam een steekpartij plaats. De 15-jarige Antilliaan Kerwin Duinmeijer raakte daarbij ernstig gewond. Hij overleed enkele uren later in een ziekenhuis aan bloedverlies. De dader was de 16-jarige skinhead Nico Bodemeijer. Omdat tijdens het incident door Bodemeijer racistische taal werd geuit, werd er door activisten verondersteld dat racisme een rol heeft gespeeld. Niettemin stelde de rechter in haar vonnis dat het niet aannemelijk is geworden dat racisme het wezenlijk motief voor de daad is geweest. Hoewel het nog steeds een twistpunt is, wordt algemeen aangenomen dat racisme een grote rol speelde bij zijn moord.

Vermeldenswaard is dat In de jaren tachtig de Nederlandse politieke elite bereid was veel geld te investeren om de positie van Surinamers en andere niet-westerse groepen te verbeteren. Er kwam een zogeheten minderhedenbeleid tot stand. Organisaties van Surinamers en zogeheten welzijnsinstellingen floreerden als gevolg van subsidies die ze van de overheid ontvingen. Er werden ook functies gecreëerd om het (etnische) minderhedenbeleid te coördineren in de verschillende steden.

Ik heb toentertijd  een rol gespeeld als activist en onderzoeker. Ik werd gediscrimineerd in 1983 door de gemeente Amsterdam bij mijn sollicitatie als beleidsmedewerker Etnische Minderheden. De toenmalige Amsterdamse wethouder R. Walraven heeft na het onderzoek naar ‘het geval Choenni’ het personeelsbeleid gewijzigd.(zie: Meindert Fennema, Rectificatie van achterstand of rectificatie van achterstelling  in: Tijdschrift Komma, nummer 1, 1985). Ik heb echter later geen baan bij de gemeente Amsterdam aanvaard, maar er konden daarna wel etnische minderheden instromen en doorstromen op hogere functies bij de gemeente Amsterdam.

De Rijksoverheid bleek ook bereid te zijn om racisme aan te pakken en een Landelijk Bureau te subsidiëren om racisme te voorkomen en te bestrijden. Op lokaal niveau werden ook zogeheten anti-discriminatie bureaus (ADB’s) opgericht, die werden gesubsidieerd.

LBR Bulletin

Landelijk Bureau Racis­me­bestrijding
In 1985 werd het Landelijk Bureau Racis­me­bestrijding (LBR) op­ge­richt, dat gesub­si­dieerd werd door het Ministerie van Justitie Het LBR was klein bureau bestaande uit een directeur, enkele juristen, twee voorlichters en wetenschappelijk onderzoeker.

Ik werd aangesteld als de wetenschappelijk onderzoeker. In december 1991 verliet ik het LBR om te promoveren aan de Universiteit van Utrecht op een onderzoek naar dienstplichtigen in de Nederlandse krijgsmacht. In mijn periode bij het LBR heb ik ondermeer een geruchtmakend onderzoek samen met prof. Frank Bovenkerk en Rogier Den Uyl (ja, een zoon van voormalig Minister President Joop Den Uyl) verricht naar discriminatie bij uitzendbureaus. Ik werd geïnterviewd op de Nederlandse televisie en schreef samen met anderen de eerste anti-discriminatie code. Later werden ook anti-discriminatiecodes voor verschillende branches opgesteld. Er waren ook onderzoeken, die niet werden gepubliceerd, zoals bij winkelbedrijven. Samen met het filiaal voor grote winkelbedrijven werden de cijfers inzake ondervertegenwoordiging gebruikt om een beleid te voeren om meer etnisch divers personeel aan te stellen. Dat gebeurde ook naar aanleiding van klachten bij bijvoorbeeld vliegtuigmaatschappijen. Een aansprekend project was het opstellen van richtlijnen bij het toepassen van psychologische tests die nadelig bleken uit te pakken voor allochtonen.

Het LBR heeft verschillende onderzoeken gedaan, zoals ook bij gemeenten en maatregelen voorgesteld. Er zijn ook juridische maatregelen voorgesteld, zoals een wettelijk regeling voor rapportage over het personeelsbestand van arbeidsorganisaties en een plan voor 60.000 banen voor allochtonen. Veel van deze voorstellen zijn gerealiseerd, zij het in afgezwakte vorm, zoals de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (WET BEAA). Sommige maatregelen bleken effectief te zijn en andere minder. Uitgebreide informatie hierover te vinden in het tijdschrift LBR bulletin, periode1985-1995.

Hij zij ook vermeld dat als gevolg van zogenoemde EMO (Etnische Minderheden bij de Overheid) plannen het personeelsbestand van de verschillende ministeries etnisch divers werd. Er moest jaarlijks worden gerapporteerd aan de hand van streefcijfers hoe groot het aandeel etnische minderheden was. Ook in bepaalde gemeenten was gaandeweg sprake van een etnisch divers personeelsbestand. Provincies en andere overheidsaanstellingen, zoals Waterschappen bleven echter grotendeels een wit personeelsbestand behouden. De politie voerde met vallen en opstaan een intercultureel c.q. diversiteitsbeleid. Er ontstonden bureaus voor Intercultureel Management (ICM) en multiculturele management (MCM). En er waren voorlichtingsacties om tolerantie te bevorderen en racisme te voorkomen.

Minister Rita Verdonk stond voor een streng integratiebeleid. Imam El Moumni weigerde haar een hand tegen vanwege zijn religieuze opvattingen. (beeld: Volkskrant)

Multicultureel drama?
Het concept multiculturele samenleving als ideaal in de betekenis dat de verschillende culturen een verrijking zijn voor de Nederlandse samenleving en culturele diversiteit moest worden weerspiegeld in de instituties van samenleving werd toen gepromoot. Maar er ontstond weerstand tegen dit ideaal en tegen de getroffen maatregelen bij een deel van witte bevolking die zich bedreigd voelde. Er werd gezegd dat er sprake was van ‘witte terugslag’ of een ‘conservatieve tegenreactie’ aan het eind van twintigste eeuw. Ook de latere Minister President Mark Rutte bleek geen voorstander te zijn van de multiculturele samenleving als ideaal. Er ontstond vooral veel weerstand, omdat sommige activisten wilden dat de overheden het behoud van culturele eigenheid moest ondersteunen en zelfs moest subsidiëren. Voorts wezen de critici er op dat vanwege culturele diversiteit in verschillende landen etnische spanningen waren en soms zelfs burgeroorlogen. Er werd daarom sterk gepleit voor meer aanpassing, gemeenschappelijkheid en het overnemen van de dominante waarden. Op sommige punten had men wel gelijk. De gelijkwaardigheid van man en vrouw, geen discriminatie van homoseksuelen en de scheiding van kerk en staat moest worden gerespecteerd. Want bepaalde radicale moslims stelden zich intolerant op en hun imams predikten haat tegen de in hun ogen ongelovigen (kafirs). Er was ook sprake van een oververtegenwoordiging van allochtone jongeren in de criminaliteit en de onderwijsprestaties van allochtone leerlingen lieten te wensen over. De publicist Paul Scheffer schetste in het jaar 2000 daarom een somber beeld in een geruchtmakend essay getiteld multicultureel drama. In de krant NRC stelde hij ondermeer:

Want waarom wordt er niet in veel dwingender termen gesproken over het achterblijven van hele generaties allochtonen en over de vorming van een etnische onderklasse? Zo energiek als `de sociale kwestie’ van weleer te lijf is gegaan, zo aarzelend wordt nu omgegaan met het multiculturele drama dat zich onder onze ogen voltrekt.

Scheffer stelde verder dat het huidige beleid van ruime toelating en beperkte integratie de ongelijkheid vergroot en bijdraagt tot een gevoel van vervreemding in de samenleving. De tolerantie kreunt onder de last van achterstallig onderhoud en Scheffer concludeerde dat het multiculturele drama dat zich voltrekt de grootste bedreiging voor de maatschappelijke vrede in Nederland was.

Verschillende maatregelen werden teruggedraaid en het LBR kreeg een andere naam, namelijk Artikel 1. Later werd het opgeheven en de taak van racismebestrijding werd opgenomen in een Commissie Gelijke Behandeling (CBG) dat zetelde in Utrecht. Tegenwoordig heet dat Commissie Mensenrechten (CRM), maar deze Commissie heeft nauwelijks racisme bestreden. Ook de regionale antidiscriminatiebureaus (ADB’s) die bestonden werden opgeheven. In de gepolariseerde sfeer rond de eeuwwisseling werd racisme in Nederland nauwelijks meer aan de orde gesteld.

Aanslag op 11 september 2001 Twin Towers in New York.

Islamitisch extremisme
Op de koop toe vonden grote terroristische aanslagen plaats op 11 september 2001 (9/11) in New York, gepleegd door moslimextremisten. Vervolgens werd ook in Nederland het maatschappelijk debat gedomineerd door de opkomst van de radicale politieke Islam en de angst voor terrorisme. Dit werd als het ware de doodsteek aan het landelijke integratiebeleid gericht was op positieverbetering en bestrijding van racisme. Het ideaal van de multiculturele samenleving was al opgegeven. De integratie moest nu worden omgebogen naar aanpassing en verplichte inburgering. Religieuze polarisatie stak de kop. De dood van de criticus van de radicale Islam, Pim Fortuin in 2002 en de dood van de filmer Theo Van Gogh in 2004 door een moslim extremist, vergrootte nog meer de angst voor de extremistische Islam. In 2006 kwam de Partij Voor de Vrijheid (PVV) op en de doodbedreigingen aan het adres van PVV leider Geert Wilders verscherpte de etnische tegenstellingen. Wilders zelf gooide olie op het vuur door de Islam als een intolerante ideologie te portretteren en de Koran als een fascistisch boek te beschouwen. Door de terroristische aanslagen die daarna werden gepleegd in naam van de Islam op verschillende plekken in de wereld bleef ook in Nederland de focus op problematisering van de multiculturele samenleving. De oververtegenwoordiging van Marokkaanse en Antilliaanse jongeren in de criminaliteit en het islamitische extremisme bleven de belangrijkste thema’s. Het besef groeide dat men te toegeeflijk was geweest tegenover radicale imams. De invloed van de zogeheten salafistische stroming die mensen wil dwingen om zich te bekeren tot de Islam en  een parallelle islamitische samenleving voorstaat met eigen wetten (de sharia) baarde zorgen.

De brute moord op de politicus Pim Fortuyn schokte heel Nederland.

Gelukkig vonden in Nederland echter geen grote terroristische aanslagen plaats mede dankzij de alertheid van de AIVD (Algemene Informatie en Veiligheidsdienst). De laatste jaren lijkt de angst voor terreur afgenomen. De discussie over racisme werd evenwel op de achtergrond gedrongen niet alleen door angst voor de radicale Islam, maar ook de zorgen over voortgaande immigratie.  Recentelijk is de partij Forum voor Democratie (FvD) opgekomen als anti-immigratiepartij die met quasi-racistische opvattingen over het redden van de Borealen (Noorderlingen) de verdere verkleuring van Nederland tot staan probeert te brengen. Al met al zijn partijen die tegen voortgaande immigratie zijn, sterker geworden in Nederland. Het zal daarom lastiger worden om vergeleken met 30 -40 jaar gelden effectieve maatregelen tegen racisme in te voeren.

Historische omslag in 2020
Tegelijkertijd moeten wij vaststellen dat op enkele terreinen er sprake is van vooruitgang op het terrein van integratie. De onderwijsprestaties van leerlingen van niet-westerse afkomst zijn aanzienlijk verbeterd en ook het gemiddeld opleidingsniveau is verhoogd. In verschillende sectoren en in het bijzonder in het bedrijfsleven is er nu meer etnische diversiteit. Ook wat betreft het samenleven, gaat het relatief goed en er zijn geen zwarte getto’s ontstaan, zoals werd gevreesd. Evenmin zijn er rassenrelen geweest en er bestaat geen grote etnische onderklasse. Er zijn nog steeds problemen met een groep overlast veroorzakende Marokkaanse jongemannen en hun overmatige vertegenwoordiging in de criminaliteit, maar de grote groep Marokkanen is op verschillende terreinen succesvol, zoals in de politiek en in de culturele sector. Al met al blijkt dus dat na 20 jaar de voorspelling van Scheffer te somber was; er is geen sprake is van een multicultureel drama in Nederland. Nederland is een diverse samenleving geworden, waar er sprake van is culturele diversiteit. Ondanks afwijzing van de multiculturele samenleving als ideaal heeft de multiculturele samenleving de afgelopen samenleving toch vorm gekregen. Niet alleen in getalsmatig opzicht -dus in feitelijke zin- maar ook in cultureel opzicht.

Ruim 30 jaar geleden was de verantwoordelijke politieke elite van Nederland wel bereid om maatregelen te treffen om racisme te voorkomen en te bestrijden. Er zijn nu commissies ingesteld die volgend jaar moeten rapporteren hoe racisme te bestrijden. Het gaat zowel om alledaags racisme als institutioneel racisme. Racisme in de sport, zoals witte toeschouwers die apengeluiden maken tijdens voetbalwedstrijden doelend op zwarte voetballers dienst bijvoorbeeld zwaar bestraft te worden. Het geven van hoge straffen en boetes voor racistisch optreden, zoals dat in de Verenigde Staten gebeurt, blijkt effectief te zijn. Het bewijzen van racisme blijkt echter heel lastig vanwege de verschillende definities die gebruikt worden. In de Verenigde Staten wordt de bewijslast omgekeerd: de beklaag­de/beschuldigde moet bewijzen dat er geen sprake was van racistische discriminatie. De maatregelen die in de jaren tachtig en negentig zijn getroffen en die wel succes hebben gehad zouden opnieuw moeten worden ingevoerd. Natuurlijk in een eigentijdse vorm. Het zou jammer zijn deze maatregelen te negeren en pogen opnieuw het wiel uit te vinden. Maar het politieke klimaat is nu veranderd en er wordt sterk rekening gehouden met de anti-immigratiepartijen, zoal de PVV en Forum voor Democratie. Het is dus de vraag of de politieke elite genegen zal zijn om effectieve maatregelen in te voeren.

Relatie met slavernijverleden
Op het terrein van racisme en racismebestrijding in Nederland is echter nog een bijzondere dimensie waar rekening mee moet worden gehouden. Dat is het slavernijverleden van Nederland in relatie tot Suriname en Antillen. De nazaten van de Surinaamse en Antilliaanse slavernij wonen in grote aantallen in Nederland. Zij vragen terecht om een effectieve aanpak van racisme. Voor hen is racisme juist extra pijnlijk ook vanwege de gevolgen van deze slavernij en in het bijzonder ook de negatieve beelden over Zwarten die tot op de dag van vandaag een rol spelen. De UNESCO, een organisatie van Verenigde Naties heeft mede daarom de periode 2015-2024 uitgeroepen tot het decade van mensen van Afrikaanse afkomst. Er wordt speciale aandacht gericht op de afstam­me­lingen/nazaten van de zogeheten trans-Atlantische slavernij. De afstam­me­lingen wonen in Noord-Amerika, het Caribisch gebied en Zuid-Amerika, maar bijvoorbeeld ook in Groot Brittanië en in Nederland. De Unesco stimuleert de regeringen van deze landen om financiële middelen ter beschikking te stellen en aandacht te besteden aan deze groepen ter verbetering van hun positie. In Nederland is bijvoorbeeld in 2017 onderzoek gedaan naar Afro-Surinamers en de zogeheten Afrofobie, namelijk specifiek het racisme tegen mensen van Zwarte Afrikaanse afkomst.

Excuses en ereschuld
Tenslotte verdient in dit kader de relatie met Suriname ook aandacht. Suriname is een creatie van Nederland. Na de verovering in 1667 werd Suriname in 1683 bezit van de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname bestaande uit de Stad Amsterdam, de West-Indische Compagnie en de rijke Zeeuwse familie Van Sommelsdijck. Later werd Suriname bezit van de Nederlandse Staat. De stad Amsterdam heeft geld verdiend aan Suriname en aan de slavernij. De gemeente Amsterdam zal een slavernijmuseum inrichten en is voornemens wel excuses aan te bieden voor de slavernij. Maar de Nederlandse Staat heeft weliswaar spijt betuigd, maar weigert nog steeds bij monde van Minister President Rutte om excuses aan te bieden. Wel is aangekondigd dat 2023 als het 160 jaar geleden zal zijn dat de slavernij in Suriname en op Antillen werd afgeschaft een herdenkingsjaar zal zijn. Het is te hopen dat dan wel excuses zullen worden aangeboden. Trouwens veel West-Afrikanen waren destijds slavenhalers, in het bijzonder de lokale vorsten en vooral degenen behorende tot de stam Ashanti (in Ghana). Zij verkochten en/of ruilden krijgsgevangen en roofden Afrikanen voor geweren, kruit, spiegels en kralen. Net zoals de huidige witte Nederlanders zijn ook de huidige West Afrikanen niet persoonlijk verantwoordelijk voor de slavernij. Maar de Staten zijn dat wel. Het zou goed zijn dat Ghana en andere West-Afrikaanse Staten ook hun excuses aanbieden.

Tot slot moet worden vastgesteld dat Nederland richting Suriname een ereschuld heeft en dat compensatie nodig is. Nu in Suriname een nieuwe regering zetelt en de verhoudingen zullen worden genormaliseerd en geïntensiveerd, biedt dat goede mogelijkheden om de ereschuld in te lossen. Juist op terreinen waar Nederland in uitblinkt, kan Suriname ondersteuning worden geboden. Nederland is wereldberoemd om waterbeheer. Bring The Dutch in,  zegt men als er overstromingen en waterbeheer problemen zijn. Welaan: in Suriname zijn in het bijzonder in Groot Paramaribo zijn nog steeds grote en hardnekkige problemen met waterstaat en waterbeheer. Nederland kan om te beginnen een onderhoudsarm waterbeheersysteem opzetten en renovatie van het gebouwde erfgoed in Paramaribo ter hand nemen om de gedeelde geschiedenis met Suriname te conserveren.

Chan Choenni werkte van 1985 -1990 bij het Landelijk Bureau Racismebestrijding (LBR) en was vanaf 1999 ruim 11 jaar beleidsambtenaar Integratiebeleid bij de Rijksoverheid.

Eerder verschenen in Dreamz World, september 2020 (licht herziene versie)

Prof. dr. Chan Choenni ontving voor zijn strijd tegen racisme en voor integratie alsmede voor zijn werkzaamheden als vrijwilliger in besturen  en adviesraden op 27 april 2020 de onderscheiding Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Ramon Ramsodit die de decoratievoordracht deed, spreekt Chan Choenni in de Grote kerk te Haarlem na de plechtigheid.

 

Uw reactie kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam, woonplaats en e-mailadres.

TOP