Paramariboi: een jongen uit Paramaribo [Robby Choenni]

Chan Choenni

Onlangs verscheen het boek Paramariboi. Met de creatieve titel Paramariboi wordt gerefe­reerd in het Sranan aan een jongen uit Paramaribo. Dat is trouwens ook de onder­titel van dit boek geschreven door Robby Choenni. De titel sugge­reert hoogst­waar­schijnlijk dat het gaat om een Creoolse jongen, maar het betreft een ‘vercre­ooli­seerde‘ Hindostaanse jongen. Het boek is een levensecht verslag van de jeugd­er­va­ringen van Robby Choenni. Hij is geboren in 1958 en getogen in Paramaribo. Daar heeft hij tot 1973 gewoond, maar is met zijn ouders net als velen geëmi­greerd naar Nederland vanwege de etnische polari­satie en veron­der­stelde onzekere toekomst in Suriname na de onafhan­ke­lijkheid. Dit boek is gepubli­ceerd door Boekscout. Dat betekent dat er een selectie en goedkeuring heeft plaats­ge­vonden, alvorens het werd gepubli­ceerd.

Ja: ik ben een oom van Robby Choenni. Het schrijven van een recensie over een boek van een familielid is uiteraard kwetsbaar. Het risico bestaat dat je wellicht minder objectief wordt en misschien te lovend. Een voordeel is wel dat de recensent meer achter­grond­in­for­matie kan geven over de auteur en de context van de gebeur­te­nissen uitge­breider kan duiden. Deze recensie is dan ook een ‘aange­klede recensie’. Maar wat is nou zo bijzonder aan een boek over jeugd­her­in­ne­ringen dat het moest worden uitge­geven en ook een bredere verspreiding behoeft in de Surinaamse gemeen­schap?

Ik zal dat toelichten. Er zijn immers velen die interes­sante ervaringen en herin­ne­ringen hebben aan Suriname en dat graag zouden willen delen met anderen. Maar de meesten lukt het niet om een goed boek te schrijven en te laten uitgeven door een uitgever. Het is immers geen gemak­ke­lijke opgave. En als geen ander weet ik hoe lastig het is om vooral over gevoelens en gevoelige kwesties te schrijven. Nog lastiger is het om dat op een zodanige wijze te doen zodat middelbare scholieren dit boek kunnen lezen en begrijpen. Daar is een bijzondere vaardigheid voor vereist. Vooral wanneer je openlijk schrijft over jezelf en jouw familie. Dat vereist ook moed en veel doorzet­tings­ver­mogen. Betrokkenen worden immers als het ware in de etalage gezet en zijn daarna vaak onderwerp van openbaar gesprek. Zo heeft bijvoor­beeld Stanley Raghoebarsingh vorig jaar een prachtig boek geschreven over zijn ouders, getiteld Uit de klei van Saramacca. Zijn boek bestrijkt een periode van meer dan een halve eeuw. Hij heeft er ruim tien jaar over gedaan. Het boek van Robby Choenni bestrijkt slechts een paar jaar van de jaren zestig en is ook nog dunner. Maar niettemin is dit boek net zo indringend en infor­ma­tierijk.

Geen grapje

Robby liet mij weten dat hij zeven jaar heeft gedaan over het schrijven van Paramariboi. Hij vertelde mij de laatste jaren tijdens de jaarlijkse nieuw­jaars­feesten van de familie dat hij bezig was een boek te schrijven. Robby heeft humor en maakt vaak grapjes. Ik dacht dan ook dat hij een grapje maakte, want Robby is salesman en muzikant. Hij heeft geen hoge opleiding genoten en ik kon mij niet voorstellen dat hij een boek schreef dat zou worden gepubli­ceerd. Ik was daarom zeer verrast toen hij op het nieuw­jaars­feest begin januari 2020 meedeelde dat hij daadwer­kelijk een boek heeft gepubli­ceerd. Toen de corana crisis uitbrak en ik over meer tijd beschikte heb ik zijn boek gekocht via bol.com. Ik kreeg het boek in handen en dezelfde ochtend heb ik het boek van 124 pagina’s in één ruk en in een paar uur uitge­lezen! Robby heeft behalve de voornamen van zijn vijf broers en zijn zus alles waarheids­ge­trouw opgeschreven. Hij vermeldt in het boek ook zijn toenmalige woonadres, namelijk Calcuttastraat 106a in Paramaribo in de wijk Abrabroki. Iedereen kan dus verifiëren of datgene wat hij heeft opgeschreven klopt. Het is een zeer toegan­kelijk geschreven boek dat een vrij indringend en levensecht beeld geeft van de jaren zestig in Suriname door de ogen van een jongen. Na lezing van dit boek verdween terstond dan ook dat het vooroordeel dat niet-hoogge­schoolde personen niet kunnen schrijven.

Robby Choenni schrijft over het opgroeien in een liefdevol gezin in een multi­cul­turele buurt. En vooral de njan dringi prisiri (eten, drinken en genieten) levens­stijl van een Hindostaanse familie in Paramaribo. Zijn vader ‘baas’ Prim Choenni was voorman ‑in de huidige benaming manager- van het bekende trans­port­be­drijf Road Master, dat ondermeer beschikte over grote DAF bussen. Zijn moeder Mani Ramcharan was een knappe vrouw (fan van Sophia Loren) en samen hadden zij een ‘love marriage’ medio jaren vijftig –dat was in een tijd dat onder Hindostanen huwelijken werden gearran­geerd.

De heer Barka/Bakka

Het verhaal over de grote bussen die vooral Creoolse arbeiders van Paramaribo naar het Suralco bauxiet bedrijf te Paranam vervoerden, verdient in verband met de histo­rische vastlegging extra toelichting. De plant (fabrieks­terrein) van Suralco te Paranam werd in 1939 gesticht. De heer Barka Dasu geboren in 1900 en meer bekend als Bakka woonde aan de Koningstraat in Paramaribo. Hij verwierf een vergunning voor het vervoer van arbeiders naar Paranam. Hij liet aanvan­kelijk houten bussen vervaar­digen, namelijk trucks met een houten koetswerk. Bakka werd een vermo­gende man en bouwde toen het grootste huis annex garage/werkplaats aan de Koningstraat. Bakka ke bahut chalti raha (Bakka was heel vermogend), zo lieten oudere Hindostanen mij weten. Bakka was ook heel gentle (goedgeefs) en hield van feesten en lustte ook een borreltje. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er schaarste aan bepaalde goederen en soms ook voedsel. Arme Creolen die op Van Dijk (volkswijk achter de Koningstraat) woonden, kregen rijst, goederen en soms wat geld van meneer Bakka. Zij zeiden: Meneer Bakka wan Gado de, yu na tweede Gado (Er is één God en u bent de tweede God). En de Hindostaanse leading lady Sonja Quintes Bos-Sharma liet mij weten dat zij toentertijd regel­matig ging eten bij Bakka.

Mijn vaders zuster (mijn phuwa dus) was getrouwd met Bakka. Mijn vaders oudere broers en later ook mijn vader Ramkisoor gingen wonen bij hun zwager Bakka. Zij wilden namelijk het zware landbouwwerk op plantage Laarwijk onder leiding van mijn strenge paternale groot­vader Mahashay Soekdew Choenni niet (meer) verrichten. De familie Choenni groeide dus op bij Bakka aan de Koningstraat en inter­na­li­seerde de Creoolse feest­cultuur. Ook baas Prim, de vader van Robby Choenni groeide daar op en leerde het vak van buschauffeur –toen bijna verge­lijkbaar met een piloot.

Helaas overleed Bakka vrij plotseling eind jaren veertig. Het grote huis moest worden geveild, omdat bleek dat hij grote schulden had. De familie Choenni moest enigszins berooid verhuizen naar de volkswijk Abra Broki aan de Calcuttastraat. Maar de traditie van culturele tolerantie en feest vieren bleef overeind. Baas Prim werd daarna voorman van het opkomende bedrijf Sohansingh en vervolgens manager van het bedrijf Road Master. Robby Choenni wijdt mooie passages aan de vriend­schap met eigenaar Salamat van Road Master en zijn kinderen. Bijvoorbeeld met moslim­feest­dagen werd voedsel aan de ouderen van Lansigron (‘s Landgrond Boniface) verdeeld. De ouderen mochten een gratis busrit maken en kinderen onder wie Robby moesten helpen met het verdelen van voedsel aan hen.

Plantage Laarwijk

In het boek komen verschil­lende ervaringen aan bod; variërend van deelname aan de padvin­derij, jorka tori tot een bezoek aan een Indianendorp en Santi Gron, een dorp van de Marrons samen met blanke toeristen. Maar het mooiste hoofdstuk vind ik het bezoek van Robby samen met zijn familie aan zijn overgroot­ouders wonende op de plantage Laarwijk. Hij beschrijft welhaast filmisch de ontvangst en het verblijf ‘s nachts in het ‘grote huis’. Nadat zij met de boot van Domburg waren overge­stoken naar plantage Laarwijk, brachten zij een dag en een nacht door op Laarwijk. Hij beschrijft zijn overgroot­vader, het dorps­hoofd van plantage Laarwijk, Mahashay Soekdew Choenni en zijn landerij. Op deze plantage woonden Hindostanen, Javanen en Creolen in etnische harmonie samen en allen konden Sarnami–Hindi spreken. Wat betreft multi­cul­turele tolerantie is ook vermel­dens­waard dat een van de oprichters van de nationale Afro-Surinaamse organi­satie NAKS, de toneel­schrijver Eugéne Drenthe, pleegzoon is geweest van de Mahashay. Plantage Laarwijk ligt aan de rechter­oever van de Surinamerivier en is nog steeds te bezoeken –met de boot oversteken vanaf de hoofd­plaats Domburg. De vergane glorie van de plantage en de nostal­gische sfeer is er nog steeds (voor meer infor­matie: google Laarwijk en Choenni).

In 1932 was Drenthe de saibala (bruide­goms­jonker) tijdens het huwelijk van de groot­vader van Robby Choenni. Het is dan ook wrang dat zelfs een cultureel tolerante Hindostaanse familie in 1973 Suriname heeft moeten verlaten vanwege etnische polari­satie. Robby verhaalt over deze spanningen en hoe hij op de Sohansingh school heeft moeten ingrijpen. Opgeschoten Creoolse jongens werden opgehitst en gooiden stenen naar het school­gebouw. De Hindostaanse leerlingen en leerkrachten waren bang. Robby heeft als twaalf­jarige jongen ingegrepen doordat hij een van de raddraaiers herkende van zijn vorige school, namelijk de Saronschool van de Evangelische Broedergemeente. Hij heeft op hem ingepraat in het Sranan en deze intimi­datie is opgehouden. Robby spreekt vloeiend Sranan en kan in het Sranan kaseko liederen zingen; wanneer men alleen maar luistert, lijkt het niet dat het een Hindostaanse zanger  betreft. Maar Robby kan evengoed in het Hindostaans zingen en werd op de Sohansinghschool zowel om zijn moed als om zijn Hindostaanse zang een held.

De vraag is of ook Surinaamse kinderen geboren en getogen in Nederland van dit boek zouden kunnen genieten. Ik gaf mijn dochter Roomyla die in Nederland is geboren in 1983 dit boek om te lezen en te beoor­delen. Zij vond het een mooi boek en heeft genoten van de stoutig­heden en bijzondere ervaringen van een jongen in Suriname. Ook zij maakte de opmerking dat het boek zeer toegan­kelijk is geschreven en door leerlingen van middelbare scholen kan worden gelezen. Het zijn per slot van rekening ervaringen en obser­vaties van een jongen tot met zijn twaalfde jaar. Het boek Paramariboi is te bestellen ondermeer via bol.com. Het kost 18,50 euro en wordt gratis bezorgd. Helaas is dit boek te duur voor velen in Suriname. Daar zijn boeken duur en de waarde­daling van de SRD is een extra drempel om dit boek te kopen. Maar men kan altijd nog dit boek cadeau geven aan familie­leden en vrienden in Suriname en men kan het ook onderling uitlenen.

Bij de foto’s: 1 Omslag van het boek Paramariboi, 2/3 Auteur Robby Choenni samen met muzikant/fluitist Ronald Snijders en 4 Mahashay Soekdew Choenni, overgroot­vader van de auteur

Robby Charmanend Choenni, Paramariboi: een jongen uit Paramaribo, Uitgeverij Boekscout 2019, ISBN 9789463895798, Prijs € 18,50 te bestellen via Bol.com en de boekhandel

TOP