Over negers, djoeka's en koelies gesproken

Hans Ramsoedh

Achter de façade van de zo geroemde vreedzame co-existentie van de verschil­lende bevol­kings­groepen in Suriname gaat een onver­holen etnocen­trisme schuil. In eigen (etnische) kring hebben we het over ‘Negers’, ‘Djoeka’s’ of ‘Koelies’. Over en weer schrijven we kwali­fi­caties toe aan andere etnische groepen zoals luiheid, inhaligheid, gierigheid, onbetrouw­baarheid, losse seksuele moraal et cetera.  

Het is niet alleen een goede zaak als we tradities tegen het licht houden maar ook woorden omdat bepaalde tradities en oorspron­kelijk correcte woorden in de loop der tijd namelijk een negatieve lading kunnen krijgen. Ik wijs in dit verband naar de traditie van Zwarte Piet of de woorden ‘joden­streek’ of ‘jodenfooi’.

In deze bijdrage wil ik het hebben over de politiek incor­recte woorden uit de Surinaamse vocabu­laire, te weten de woorden ‘Negers’ (het N‑woord), ‘Djoeka’s’ (het D‑woord) en ‘Koelie’ (het K‑woord). Deze woorden hebben in de Surinaamse context een negatieve conno­tatie. Voor het N‑woord is dat trouwens al enige tijd inter­na­ti­onaal het geval.

Over het N‑woord gesproken. Toen een Republikeinse afgevaar­digde in 2009 tijdens een toespraak van president Obama hem toeriep ‘You lie, boy!’ raakte hij hiermee een open zenuw bij Afro-Amerikanen. Het was al een ongehoorde actie van de afgevaar­digde om de president tijdens zijn toespraak te inter­rum­peren en hem vervolgens uit te maken voor een leugenaar, maar nog ongehoorder was de toevoeging boy. ‘Boy’ is een term uit de Amerikaanse slaver­nij­ge­schie­denis waarbij manne­lijke tot slaaf­ge­maakten of ze nu acht jaar waren of tachtig door hun slavenei­ge­naren met boy werden aange­sproken. Hiermee maakten de slavenei­ge­naren duidelijk hoe de machts­ver­hou­dingen lagen en dat de tot slaaf­ge­maakten niet als volwas­senen werden gezien. Door president Obama boy te noemen maakte de Republikeinse afgevaar­digde duidelijk zich verheven te voelen boven iedere zwarte, ook al is deze de president van het land. Hetzelfde geldt voor het woord ‘Neger’ in de VS. Tot eind jaren zestig van de twintigste eeuw werd de term Negro gebruikt om daarmee de Afro-Amerikaanse bevolking aan te duiden. Bij verschil­lende Afro-Amerikaanse organi­saties kwam de naam Negro nog zelfs in hun naam voor. In zijn befaamde I have a dream-speechuit 1963 heeft Martin Luther King het over de Negro, maar in de jaren zeventig werd de term Negro in de VS langza­merhand in de ban gedaan. Zwarten in de VS vonden deze term denigrerend en racis­tisch. Zij wensten sindsdien als Afro-Americans of African Americans genoemd te worden en met succes. Het woord ‘Neger’ roept reminis­centies op aan slavernij, minder­waar­digheid en ontmen­se­lijking. Sindsdien rust er een taboe op het woord Negro en spreekt men daar nu van ‘The N‑word’. Een uitzon­dering voor gebruik van het N‑woord geldt blijkbaar voor veel zwarte gangstar­appers. In hun raps ontkom je niet aan termen als nigger, nigga en nigga­bitch. Blijkbaar wordt het gebruik van deze termen beschouwd als het prero­gatief van mensen met een Afro-achter­grond.

In Suriname zien we een derge­lijke ontwik­keling. Ook hier werd lange tijd gesproken over ‘Negers’ als aanduiding van de Afro-Surinamers. De Afro-Surinamers in het binnenland werden Bosnegers (nazaten van gevluchte tot slaaf­ge­maakten) genoemd. Vóór 1940 werd de term Creool gereser­veerd voor de licht­ge­kleurde groep in Suriname, de groep die voortkwam uit de relaties tussen blanke mannen en zwarte/gekleurde vrouwen. Toen in de tweede helft van de jaren veertig van de twintigste eeuw de eerste politieke partijen in Suriname werden opgericht was een van die partijen de Neger Politieke Partij. Deze partij haalde bij de eerste algemene verkie­zingen in 1949 geen enkele zetel en stierf hierna een stille dood.

Langzamerhand kreeg het woord ‘Neger’ ook in Suriname een pejora­tieve bijklank. In de jaren vijftig en daarna verdween dit woord langza­merhand uit de Surinaamse vocabu­laire. Creool raakte ingeburgerd om de groep stede­lijke Afro-Surinamers aan te duiden. ‘Stadsnegers’ werden stads­creolen en de Bosnegers werden nu Boslandcreolen genoemd. Ik begreep van een docent op de Surinaamse kweek­school in de jaren zeventig dat de term Creool ter vervanging van de term ‘Neger’ door de Creoolse volks­leider Jopie Pengel zou zijn geïntro­du­ceerd omdat dit woord bij hem associ­aties opriep met het woord NEGEREN. Ik weet alleen niet in hoeverre deze infor­matie klopt.

De term Creool is afgeleid van het Spaanse woord Criollo.  Een Criollo was iemand die etnisch gezien Spaans was, maar die geboren was in de koloniën in Zuid-Amerika. Een criollo kon later ook iemand met een klein deel Indiaanse of Afrikaanse achter­grond zijn. Feitelijk zouden we kunnen stellen dat alle groepen in Suriname criollo’s zijn: criollo Afro’s, criollo Hindostanen, criollo Javanen et cetera om ze daarmee te onder­scheiden van Afrikanen, Indiërs en Indonesiërs. Dat heeft uiteraard nu geen zin, omdat dat alleen maar zou leiden tot verwarring en er reeds een groep in Suriname is die op deze term een ‘patent’ heeft.

In het Sarnami (Surinaams-Hindostaans) worden Creolen met de term Kafri aangeduid.  Creolen beschouwen deze benaming echter als beledigend en daarmee dus ook als een scheld­woord. Het is voor mij de vraag of dit ooit ook zo bedoeld is. Zo worden Javanen in het Sarnami Malai [van Maleier] genoemd en ik heb niet de indruk dat deze term door hen als beledigend wordt ervaren. Niettemin is het wel van belang om rekening te houden met elkaars gevoe­lig­heden op dit punt. De term Kafri komt van het Arabische woord Kafir dat ongelovige betekent en sloeg op de animis­tische Afrikanen in Oost-Afrika. Door de islami­tische overheersing van India kwam dit woord in het Hindi terecht en via deze taal uitein­delijk in het Sarnami. Nederlandse zeevaarders pikten later deze term op en noemden de volkeren rond de Kaap kaffers. Door de Nederlandse connectie met de Kaap kwam de term kaffer in Nederland terecht waar het later de betekenis kreeg van onbeschaafd of onbeschoft persoon. De Nederlandse uitdrukking iemand uitkaf­feren heeft naar alle waarschijn­lijkheid een link met het woord kaffer en betekent iemand in grove bewoor­dingen de grond in boren.

Een evolutie in het gebruik van woorden geldt ook voor het woord Djoeka in Suriname. In Suriname kennen we een zestal Bosnegerstammen en tot voor kort werden alle ‘Bosnegers’ Djoeka’s genoemd. De term Djoeka is afgeleid van de stam de Djoeka’s of Ndyuka, ook Okanisi of Aucaners genoemd, in Oost-Suriname. In het algemeen taalge­bruik in Suriname raakte de term Djoeka in gebruik om daarmee alle ‘Bosnegers’ aan te duiden. Deze groep  gebruikt naast de eigen stamnaam ook nog steeds de term busi nengre [Negers van het bos] om zich daarmee te onder­scheiden van de stads­creolen. Sinds enkele decennia is de term Marron gebrui­kelijk om ‘Bosnegers’ of ‘Boslandcreolen’ aan te duiden. De term Marron is afgeleid van het Spaanse woord cimmarón dat aanvan­kelijk betrekking had op wegge­lopen vee en later op wegge­vluchte tot slaaf­ge­maakten. Blijkbaar werd de waarde van wegge­lopen vee even hoog geschat als die van wegge­lopen tot slaaf­ge­maakten. Met de aanduiding Marrons wil men vooral refereren aan de heldhaftige strijd van deze groep voor haar vrijheid en onafhan­ke­lijkheid.

Opvallend is hoe snel termen als ‘Neger, Bosneger en Djoeka’ de label politiek incorrect hebben gekregen. Voor een belangrijk deel hangt dit samen met het activisme binnen de Afro-gemeen­schap en haar slaver­nij­ge­schie­denis die anderen ‘sensitief’ heeft gemaakt voor dit verleden en het lijden dat hieraan gekoppeld is.

Hoe zit het dan met het K‑woord: het woord ‘Koelie’? Dit woord wordt in het hele Caraïbisch gebied door met name de Afro-Caraïbische bevolking gebruikt om de groep Hindostanen aan te duiden. Het woord ‘Koelie’ is afkomstig uit het Tamil en betekent een dagloner of sjouwer. In de koloniale periode werd deze term in Azië gebruikt om dagloners of sjouwers mee aan te duiden. In de contract­pe­riode in Suriname (1873–1916) en elders in het Caraïbisch gebied werd deze term gebruikt voor de contract­ar­beiders uit Brits-Indië. Ook na de contract­pe­riode bleef men deze term gebruiken voor de nakome­lingen van de contract­ar­beiders maar dan niet in positieve zin. De persis­tentie van het K‑woord moeten we niet los zien van maatschap­pe­lijke ontwik­ke­lingen. De koloniale maatschappij was een standen­maat­schappij met de blanken als boven­groep. Hindostanen zijn tussen 1873 en 1916 aange­trokken voor arbeid op de plantages die voorheen door de tot slaaf­ge­maakte Afrikanen werd gedaan. Deze laatste groep legde zich neer bij de blanke dominantie in de koloniale samen­leving, maar voelde zich wel verheven boven de ‘koelies’ op de plantages. Dit gedrag van Creolen is wat men ook populair gezegd noemt trappen naar beneden. In de jaren vijftig en daarna kwam de econo­mische, intel­lec­tuele en politieke emanci­patie van Hindostanen op gang, een ontwik­keling die we ook elders in het Caraïbisch gebied zien. Creolen kregen het gevoel op alle fronten voorbij­ge­streefd te worden door Hindostanen. Ook Creoolse politici en vakbonds­leiders hebben in het verleden niet nagelaten om steeds te wijzen op het ‘Koeliegevaar’ in Suriname. ‘De Koelie van die stoel’ was een bekende leuze van sommige Creoolse politici in de oppositie en vakbonds­leiders in hun strijd tegen de dominantie van Hindostanen in de regering-Sedney (1969–1973). Sommige Hindostanen beschouwen de term ‘Koelie’ niet als denigrerend maar eerder als een geuzennaam. Een geuzennaam is een erenaam die men zichzelf geeft, terwijl deze oorspron­kelijk door anderen als scheld- of spotnaam werd gebruikt. Geuzen waren Nederlandse tegen­standers van de Spaanse koning Filips II tijdens de Tachtigjarige Oorlog en het woord geus is afgeleid van het Franse gueux wat bedelaar of schooier betekent. De term ‘Koelie’ is voor mij geen geuzennaam aangezien het in mijn optiek een haast passieve houding impli­ceert van ‘ik kan dat toch niet veran­deren’ en van het zich noodge­dwongen neerleggen bij een term die feitelijk denigrerend en een scheld­woord is. Weer andere Hindostanen beschouwen leden van de eigen etnische groep die in hun optiek nog geen ‘moder­niteit’ of ‘verwes­tersing’ hebben omarmd als ‘Koelies’ (‘Die koelies van Den Haag’). Dit laatste vind ik getuigen van een valse arrogantie en blijk geven van een zekere dédain ten opzichte van Hindostanen die misschien minder gevoelig zijn voor ‘moder­niteit en verwes­tersing’.

Dat het gebruik van het K‑woord blijkbaar in tegen­stelling tot het N- en D‑woord een langere houdbar­heids­datum heeft zie ik als het gevolg van de afwezigheid van activisme binnen de Hindostaanse groep. Daarnaast spelen maatschap­pe­lijke factoren ook een belang­rijke rol waarbij in mijn optiek de gunfactor een niet onbelang­rijke rol speelt en dan misgunning wel te verstaan. Misgunning die voort­vloeit uit afgunst, jaloezie en onbehagen naar aanleiding van het maatschap­pelijk succes van individuen of een etnische groep als geheel. Gebruik van het K‑woord is daarom even abject als het woord boy voor president Obama of een Afro-Amerikaan.

Plaats voor de woorden rechter, advocaat, minister, president, winkelier of onder­nemer het D‑, K- en N‑woord en dan wordt duidelijk hoe denigrerend en racis­tisch deze drie toevoe­gingen zijn. Het is een kwestie van beschaving dat we ons bewust zijn van het denigre­rende en racis­tische karakter van deze toevoe­gingen.

Over misgunning ter afsluiting gesproken: passend in dit verband is het gedicht van de Surinaamse politi­coloog Hans Breeveld waarin misgunning de rode draad vormt.

Bron: H. Breeveld, Wissele mammie. Suriname op een beslissend kruispunt. Paramaribo 1992 (2e druk): p. 33.

TOP