Over het ontstaan van Surinaamse familienamen

Prof.dr. Chan Choenni

Onlangs is voldoende geld verzameld om het zogeheten slaven­re­gister openbaar te maken. De slaven­re­gisters zijn boeken waarin van iedereen die in slavernij leefde het geboor­tejaar wordt vermeld en meestal ook met de naam van de moeder erbij. Verder staat er infor­matie over wanneer ze waren overleden, wanneer ze werden verkocht en wanneer ze werden vrijge­laten. De Universiteit van Nijmegen en in het bijzonder dr. Coen van Galen gaat in samen­werking met de Anton De Kom univer­siteit deze registers digita­li­seren en online beschikbaar stellen. Deze database zal via de websites van het Nationaal Archief in Suriname en van het Nationaal Archief in Nederland kunnen worden bezocht.

Iedereen kan inde openbare database zoeken naar relevante infor­matie. Eerder waren al databases van Hindostanen, Javanen en Chinezen beschikbaar en toegan­kelijk gemaakt (zie: www.Gahetna). In principe kunnen degenen die daar behoefte aan hebben hun familienaam en wellicht hun roots traceren. Dat blijkt echter bepaald niet eenvoudig te zijn om allerlei redenen. Zo word ik soms benaderd door Hindostanen die hun roots willen traceren en vaak teleur­ge­steld zijn. Vooral wanneer het na veel zoeken tot in India, het toch niet is gelukt om hun roots te vinden. Een belang­rijke reden is namelijk dat de familie­namen meestal geen goed aankno­pingspunt zijn voor een derge­lijke zoektocht.

Reconstructie
Bij de afstam­me­lingen van de tot slaaf­ge­maakten, namelijk de Afro-Surinamers, de Afrikaanse Surinamers (Marrons) en Gemengden is het nog lastiger. Tenminste als men de Afrikaanse roots wil traceren. Het is te lang geleden en de tot slaaf­ge­maakten hadden niet alleen geen familienaam, maar zij waren niet geregi­streerd naar een regio/gebied in (West) Afrika. Overigens kan nu al op grond van de familienaam meestal wel de plantage worden getra­ceerd waar hun voorouders van afkomstig zijn. Prof. Humprey Lamur en anderen hebben boeken samen­ge­steld waarin de familie­namen voorkomen. Men kan digitaal ook bij namen van de Surinaamse plantages de naam van tot slaaf­ge­maakten vinden, die bij een bepaalde plantage behoorden. De onder­zoekers van de Universiteit van Nijmegen willen op grond van slaven­re­gisters daarom vooral levens­ge­schie­de­nissen van Afro-Surinaamse families recon­strueren.

Geen familie­namen in slavernij

Om meer inzicht te bieden zal ik het ontstaan van de Surinaamse familie­namen in dit artikel behan­delen. Vóór de afschaffing van de slavernij in 1863 werden al vele tot slaaf gemaakten vrij verklaard oftewel ‘gemanu­mit­teerd’. Dat was meer op persoon­lijke titel. Iemand die vrij wilde zijn of voor wie de vrijheid werd aange­vraagd moest een manumis­sie­brief ontvangen. Van de wijzi­gingen stuurde men dan een briefje naar het plaat­se­lijke districts­kantoor dat het op zijn beurt naar Paramaribo stuurde waar het werd geregi­streerd. Op die manier is alle infor­matie bewaard gebleven.In het archief in Suriname zijn er op dit moment 43 grote boeken. In deze registers gaat het om alle mensen die op privé-plantages hebben gewoond. De mensen die recht­streeks onder het gouver­nement (de toenmalige Surinaamse overheid) vielen, staan hier niet in. Maar dat is een relatief kleine groep; ook omdat sommige plantages die van het gouver­nement waren, wel registraties hadden omdat ze tot de planta­ge­lijst behoorden. Dus deze mensen werd beschouwd als ‘dingen/goederen’ die op de inven­ta­ris­lijst voorkwamen! Een voorbeeld is de grote suiker­plantage Catharina Sophia, die was gevestigd in het district Saramacca.

Tot 1831 was het volgens de regels in Suriname zo geweest dat iemand die vrijkwam uit slavernij, de achternaam of familienaam kreeg van de voormalige eigenaar. Het woord ‘van’ werd er standaard tussen gevoegd. Bijvoorbeeld Van Ommeren. Het tussen­voegsel ‘van’ was toen minder populair in Suriname, want dat duidde erop dat je afkomstig was uit een familie in slavernij. In sommige gevallen liet men later dan ook het tussen­voegsel ‘van’ weg. Dat wilden slavenei­ge­naren eigenlijk niet en daarom is toen een regeling ingevoerd waarbij men geen familie­namen meer mocht gebruiken die al bestonden in Suriname. De tot slaaf­ge­maakten hadden dus alleen een voornaam. Ze mochten ook geen familienaam hebben van het gezag. De voornamen werden trouwens niet gegeven door de ouders van het kind, maar door de eigenaar! Er werden vaak Christelijke namen gegeven en ook namen gebaseerd op de klassieke oudheid (Caesar bijvoor­beeld) of beroemde personen (Napoleon). Soms werden ook Afrikaanse namen gegeven. Denk maar aan Codjo  uit het histo­rische drieman­schap Codjo, Mentoren Present, waarover onlangs in Suriname een plakkaat is onthuld. Er werden bijvoor­beeld ook namen als ‘Eersteling’, gegeven; bedoeld wordt dat betrokkene het eerste kind is geweest van iemand.

Moederlijke lijn
De onder­zoeker Alex Van Stipriaan isin de periode vóór 1863 namen tegen­ge­komen als Chocolaad, Bedrog, Sultan, Poesje en Pompelmoes. Bepaalde planters die kinderen hadden verwekt met tot slaaf gemaakte vrouwen schonken hun eigen naam aan hun nakome­lingen, zoals Coenders, Sanches, Claver, Wolff en Mac Donald. Zo hebben op verschil­lende wijze tussen 1832 en 1863 ruim 6.300 vrijge­maakten een familienaam gekregen (zie verder: Alex van Stipriaan (1990), ‘What’s in a name? Slavernij en naamgeving in Suriname tijdens de 18e en 19e eeuw’ in: Tijdschrift OSO, p. 25–46). Volgens de onder­zoeker Coen Van Galen bestond een wette­lijke fictie: ‘mensen in slavernij hebben geen vader, maar alleen een moeder en de eigenaar van de moeder is ook eigenaar van het kind’ (zie: Lezing dr. Coen van Galen 10 maart 2018 De Surinaamse slaven­re­gisters). Al met al is duidelijk dat bij veel Afro-Surinamers, Afrikaanse Surinamers (Marrons) en Gemengden de matri­ar­chale (moeder­lijke) afstamming belangrijk is, maar in de naamgeving is dat minder belangrijk geweest.  Bij Hindostanen en Javanen is juist de patri­ar­chale (vader­lijke) lijn bij de afstamming dominant.

Geconstrueerde familie­namen

In verband met de afschaffing van de slavernij moesten de vrijver­klaarden een familienaam krijgen. In 1863 werd een commissie benoemd die mensen moest inschrijven in de Burgerlijke Stand en familie­namen moest bedenken. Typisch Nederlands klinkende zoals Janssen mocht bijvoor­beeld niet, maar er moesten nieuwe namen worden gegeven. Er ontstond een situatie dat nieuwe namen werden bedacht of namen werden gecon­strueerd bijvoor­beeld door omkering van letters. Uit deze opdracht van de commissie kwamen dan ook verschil­lende typen namen voort. Er ontstonden namen zoals Berghout, Wijntak, Lepelblad, Wijntuinen derge­lijke die niet in Nederland voorkomen, maar wel heel Nederlands klinken. Anderen kregen zelfs een lichaamsdeel, zoals Neus als familienaam.

Ook namen van Nederlandse steden of gebieden werden gebruikt, zoals Zaandam en Amstelveen of Drenthe en Limburg. Maar bijvoor­beeld Amsterdam werd Madretsma. Vaak werden namen van planters omgedraaid. Dessé werd bijvoor­beeld Essed, Keizer werd Serkei. Kramsl werd Remark/Remak, Berg werd Greb/Grep, Muller werd Rellumen Olsen werd Neslo. Daarnaast zijn er de namen waarbij letters werden omgezet, of letter­grepen verwisseld: O’Niel werd Nielo, De Vries werd Vriesde, Salmijn werd Mijnals, Steenbok werd Boksteen en Fortuin werd Tuinfort. Bijzonder is dat Gerholdt werd omgezet in het bijna onuit­spreekbare Tdlohreg. Ook kwam het veel voor, dat van bestaande namen letters werden afgehaald of juist toege­voegd: Lionarons werd Lionaar, Van der Veld werd Derveld; Labadio werd Labad, Da Fonseca werd Vonsee en Fonca.

Van bepaalde machtige planters zijn variaties van hun naam gecon­strueerd. Bijvoorbeeld Alexander Cameron, die verschil­lende plantages in Coronie en Nickerie bezat, leverde namen op, zoals Camero, Kamrin, Camiron en Camron. Ook behielden sommigen de naam van de slavenei­genaar en in Coronie vaak van de Schotse slavenei­genaar, zoals Cruden en Douglas. De Afro-Caribiërs die geëmi­greerd waren naar Suriname tijdens de bloeiende balata industrie in het begin van 20steeeuw hadden al een familienaam. Zij hadden hun Engelse familie­namen, zoals Campbell en deze zijn blijven voort­leven.

District Para

In het district Para waar veel vrijver­klaarden woonden en lang na de afschaffing bleven wonen en ook nog  vaak met elkaar verwant waren, zijn er enkele bijzon­der­heden in de naamgeving te signa­leren. De naam van de planter Unico Wilkens, van plantage Osembo leverde verschil­lende constructies op: Kenswil, Kensmil, Densmil en Kensi. Een bijzon­derheid is dat op plantage La Prosperité, alle familie­namen met een P beginnen: Pieter, Posma, Plater, Plet, Pocornie, Pries, Pengel, Parun, Pieraq, Perotien Prossel. Op plantage Dordrecht begint ruim een derde van de namen met Sij- : Sijpenhof, Sijlman, Sijmeling, Sijtberg, Sijblom. Volgens onder­zoeker Van Stipriaan waren er bepaalde grote families in het district Para. Bijvoorbeeld de familie Pengelop plantage La Prosperité (54 leden), de familie Linger op plantage Berlijn (52 leden) en de familie Klas op plantage Hannover (63 leden). In Para waar veel houtplan­tages waren, komen wij ook de familie­namen die gelieerd zijn aan boomsoorten tegen, zoals Lokus, Ceder,Bijlhout, Groenhart en Letterboom. Een ander type familienaam werden namen die volgens de planters duiden op het karakter of gedrag van de vrijver­klaarden. Er werden namen gegeven zoals Braaf(heid), Blijd, Tevredenen Getrouw.

Er bestaat een namenboek opgesteld door prof. Humprey Lamur over de Familienaam & Verwantschap van Geëmancipeerde Slaven in Suriname. Men kan via de plantages de Creoolse i.c. Afro-Surinaamse familie­namen traceren. Er zijn ook 2.500 Afro-Caribische contract­ar­beiders naar Suriname geëmi­greerd. Zij hadden vooral Engelse namen, zoals Poweren soms ook Franse namen, zoals Richelieu, Mathurinof Lecoufleur (Zie verder: Humphrey Lamur, Ruth Dors en N. Boldewijn in hun publi­catie, West Indische Contract Arbeiders in Suriname, 1863–1899).

Afrikaanse namen

Men kan zich afvragen of de tot slaaf­ge­maakten, voordat ze in Suriname aankwamen, een eigen Afrikaanse naam hebben gehad. Het blijkt dat vrijver­klaarden die een Afrikaanse naam hadden meestal een Europese naam aannamen. ‘Een chris­te­lijke naam was respec­tabel en daar kon je beter mee voor de dag komen’, zo was de opvatting destijds. Mensen hadden er dus belang bij om zich bijvoor­beeld Petronella te noemen in plaats van Cubi, aldus onder­zoeker Van Galen.

Wij geven ter infor­matie de veelge­bruikte Afrikaanse namen gebaseerd op de geboor­tedag.

DAGEN MANNEN VROUWEN
Zondag Kwassì Kwassìba
Maandag Kodjò Adjoebà
Dinsdag Kwamìna Abeniba,Abenì of Abramba
Woensdag Kwakóe Akóeba
Donderdag Jaóe of Jau Jabà
Vrijdag Kofì Affì of Affiba
Zaterdag Kwámi Amba of Amimba

Bron:Encyclopedie Suriname 1914–1917: 501.

Behalve de namen Kwakoe en Kwassi en wellicht Codjo voor mannen en Kwasiba, Akuba en Adjuba voor vrouwen zijn deze namen nauwe­lijks terug te vinden in de geschreven geschie­denis. Hier en daar zijn er enkelingen die tegen­woordig een Afrikaanse voornaam aannemen. Maar over het algemeen zijn de ‘westerse’ namen blijven bestaan en ook totaal geaccep­teerd. Tenslotte zij vermeld dat veel Afrikaanse Surinamers (Marrons) eveneens ‘westerse’ namen dragen, zoals Brunswijk of With. Er komen ook namen voor die te maken hebben met de slavernij, zoals Misiekaba. Er bestaan ook namen over de kwaliteit van de persoon, zoals Aboikoni (de jongen/man is slim). Een groot deel van de Gemengden, in het bijzonder de Mulatten (vermenging van Blanke met Creool) draagt de naam van de ‘Blanke tak’. Zij kunnen vaak wel hun Europese voorouders traceren aan de hand van hun familienaam. Een ander deel van de Gemengden draagt Chinese familie­namen, omdat zoals bekend Chinese mannen ‑toen er heel weinig Chinese vrouwen waren- in Suriname getrouwd zijn met en/of kinderen hebben gekregen met Creoolse vrouwen. Bij de zogeheten Dogla’s( vermenging Hindostaan met Creool) komen wij vrij vaak Hindostaanse namen tegen, zoals Beharry en Mungroo. De vaders erkenden de kinderen. Bij veel Creolen werden de kinderen door de vader in een latere fase van het leven van het kind erkend. Daarom kwam naams­ver­an­dering voor bij deze personen. Zo werden bijvoor­beeld bepaalde kinderen die Gooding als familienaam hadden na verloop van tijd Brammerloo. Voorts hebben sommigen de naam van hun adoptie ouders gekregen. Bij de Inheemsen (voorheen ‘Indianen’) komen originele familie­namen als Jubitana en Karwavodi voor, maar ook westerse namen als Artist en Indiaan. Tenslotte is het opmer­kelijk dat in Suriname vrij vaak Joodse en Portugese familie­namen voorkomen ‑ik heb het hier niet over de recente Braziliaanse immigranten. Er zijn slechts 500 Portugese immigranten uit Madeira naar Suriname geëmi­greerd als contract­ar­beiders. Minder dan een derde was vrouw en bijna een kwart van Portugese immigranten overleed binnen een paar jaar. Er is dan ook veel vermenging geweest met vooral Creolen. Veel van hun familie­namen zijn zogeheten patro­niemen (zoon van… ). Bijvoorbeeld Alvares (zoon van Alvaro), Dias (zoon van Diogo), Fernandes (zoon van Fernando), Gonsalves (zoon van Goncalco), Lopes (zoon van Lopo), Mendes (zoon van Mendo), Nunes (zoon van Nuno), en Rodrigues (zoon van Rodrigo) (zie verder: Cynthia Brand Flu, De Portugese immigranten uit Madeira, in: Wi Rutu, juli 2006). Verder bepaalde familie­namen gebaseerd op een plaats of streek. Oliveira, Texeira en Vasconcellos zijn streken in Portugal. Vieira is een plaats in Portugal (Vieira do Minho) en Bethancourt is een plaats in Frankrijk.    

Hindostaanse familie­namen

Ook de meeste Hindostaanse contract­ar­beiders hadden geen familie­namen. In 1916 had de overheid besloten dat Hindostanen in Suriname een familienaam (geslachtsnaam) zouden moeten aannemen, omdat het immigran­ten­nummer minder bruikbaar was geworden. Er werden kinderen en vele klein­kin­deren geboren en verwijzing naar het immigran­ten­nummer –meestal terug te vinden in het zogeheten familieboek- werd bewer­kelijk. ‘Kind van de immigranten met nummer xxxx was in het geval van de tweede generatie (in Suriname geboren kinderen) nog te volgen’, maar bij de derde generatie ((in Suriname geboren klein­kin­deren) werd het veel ingewik­kelder. Een deel van de Hindostanen die een familienaam had ingeschreven voordat de regeling van de geslachtsnaam van kracht werd kreeg de naam van de moeder als familienaam bij inschrijving. Er zijn dus Hindostanen die een familienaam in de maternale lijn (van (over)groot moeder) hebben.

Maar veel Hindostanen weigerden, draalden of hadden geen zin om een familienaam te kiezen. Pas in de jaren dertig en veertig werd in Suriname aandrang uitge­oefend en had bijna iedereen zich laten inchrijven onder een familienaam. Velen hebben hun (familie)naam toen zij uit India vertrokken gewijzigd of valse namen opgegeven, zoals Bidesie (vreem­deling). Matauli/Matwalie (metgezel), Bhagal/Bhaggan (vluch­teling) of Rajcoomar (Prins). Er bestaan ook gecon­stru­eerde familie­namen als Sultaansingh (moslim en hindoenaam vermengd) of Bharatsingh (leeuw van India). Weer anderen hebben in Suriname singhachter hun naam laten plaatsen bij de inschrijving, terwijl bij anderen juist de singhis geschrapt. Bepaalde Brahmanen hebben in Suriname later hun kaste achter­voegsel bij hun naam laten plaatsen zoals Panday, Dube, Tewari, Sukul, Mishre/Missier of Sharma. Anderen hebben dit achter­voegsel als familienaam of het achter­voegsel Singh of Thakur (Thakoer) of Lal als familienaam aange­nomen. Er was ook aanbe­volen dat men bij inschrijving de regis­ternaam –vaak een voornaam- als familienaam zou kiezen en de naam van de vader als voornaam. Maar velen hebben zich niet aan deze regel gehouden. Maar een deel heeft wel als familienaam de voornaam van hun (groot)vader.

Verkeerd geschreven Hindostaanse familie­namen

Ook zijn familie­namen verkeerd opgeschreven – in Suriname noemde men dat een verschrijving. Zo werd een Hindostaanse familienaam Bauer ingeschreventerwijl het Bawer moest zijn. Baksh werd ook geschreven als Bakas of bocus (bij Rambocus). Twee voorbeelden van verkeerd opgeschreven familie­namen ter illustratie:

De respec­tabele in India geboren pandit Bhawanbhiek noemde tijdens de inschrijving bij de burger­lijke stand zijn naam: Shrierammisier. De Creoolse ambtenaar heeft ram geschrapt met de opmerking: ”Baboeng a neng langa toemsi “(Baboen –een denigre­rende aanspreekvorm- jouw naam is te lang). Destijds werd het zogeheten schoon­schrift gebruikt bij de inschrijving van familie­namen. Deze ambtenaar wilde blijkbaar niet teveel moeite doen om de naam volledig uit te schrijven. Ook de in India geboren heer Akram Ali zijn naam werd beperkt tot Akrum, ondanks zijn protest.

Het Engelse u werd vervangen door oe. Bandhu werd Bandhoe of Bhondoe. Mullu werd Malhoe. Soms werd Ch vervangen Tj. Naast het verschillend schrijven van dezelfde naam is soms een letter wegge­laten. Krishna werd Kishna. Anderen hebben hun geslachtsnaam niet ingeschreven maar een andere familienaam gekozen De geslachtnaam Chunnee werd bijvoor­beeld vervangen door Chandisaw. Soms is de naam of achter­voegsel verne­der­landst. Ganpat werd Gunput of Baldew werd Buldeo.

Mijn familienaam werd geschreven als Chunni. Dat was de naam van mijn paternale betover­groot­vader blijkens de trouwakte uit 1904 van mijn paternale overgroot­vader Halkorisaw Chunni (1865–1937). Mijn paternale groot­vader Mahashay Soekdew schreef zijn familienaam pas in 1934 in bij de burger­lijke stand. Het werd Choenni en bij anderen werd het Choennie of Choenie.

Veel Hindostanen hebben de naam van de dag waarop zij zijn geboren als familienaam. Wij geven ter infor­matie Hindostaanse namen gebaseerd op de geboor­tedag.

DAGEN SARNAMI HINDI NAMEN
Zondag Etwaar Etwaria, Ketwaru (?)
Maandag Somvar Somaroo/Somaroe
Dinsdag Mangar(var) Mangroe, Mungra(?), Mangal(?)
Woensdag Budh Budhu/Bhoedhoe
Donderdag Biphe Bipat(?)
Vrijdag Sukh Sukhu/Soekhoe
Zaterdag Sanichar Sanichar

Als men Lal (zoon) toevoegt, krijg men namen als Soekhlal, Budhulalof Mangroelal.

Anderen hebben namen verband houdend met hun beroep, zoals Makka(mais). Sommigen hebben hoogst­waar­schijnlijk de naam van de stad waar zij uit vertrokken of zijn geboren als naam opgegeven, zoals Mathura/MathoeraGanga of Bindraban.  Bij de Hindoes zijn namen van godheden zoals Ram, Shiv (Sieuw) Visnu (Bisnnoe) gecom­bi­neerd met achter­voegsel als nath (afstam­meling), dew (geschonken… of lal (zoon).  Ook zijn er namen verwant aan de weerge­steldheid waarin men is geboren zoals Sukha (droogte) of Barsati (regentijd). Hindostaanse Moslims hebben namen waarin vaak Mohamed voorkomt of het achter­voegsel Khan. Soms hebben Hindostaanse Moslims hun hindoe familienaam behouden, zoals Bharos of Lachman.

Zoeken naar roots

In Trinidad hebben veel Brahmanen de familienaam Maharaj gekozen. Dat betekent Grote Koning, maar het zou volgens sommigen ook hoofdkok kunnen betekenen. In India wordt afwijzend en soms lacherig gerea­geerd op de naam Maharaj. Een collega (hoogleraar) uit Zuid Afrika vertelde mij dat hij veel last heeft van Indiërs die zijn familienaam niet wensen te accep­teren en zijn ‘eigen­lijke familienaam’ wil weten. Kortom: op grond van de meeste familie­namen is dan ook heel lastig om de roots in India te traceren. In de database www.Gahetna zijn gegevens van ongeveer 77% (26.249records)van Hindostaanse contract­ar­beiders opgenomen. Velen raken teleur­ge­steld wanneer zij gegevens van hun voorouders niet kunnen vinden op grond van hun familienaam. En als ze wel relevante gegevens hebben gevonden, lijken zij in hun zoektocht in India meestal niet te slagen. Slechts een kleine groep heeft zijn roots kunnen vinden in India. Bovendien is een deel ‑bijna een kwart- van de gegevens van de Hindostaanse contract­ar­beiders verloren in Suriname door slecht beheer. Vaak bleek de lijst met gegevens verpulverd te zijn.

In 1922 is het Suriname agent­schap en Suriname depot in Calcutta opgeheven. Het is niet bekend wat er is gebeurd met de admini­stratie van dit agent­schap over de contract­ar­beiders die zijn vetrokken naar Suriname. Daarom heb ik in Nederland laten nagaan of het archief van het Suriname agent­schap in het Nationaal Archief in Nederland is terecht­ge­komen. Dat is niet het geval en ook in Jakarta (Indonesië) is gezocht in de archieven. Ik heb ook in Londen in de National Archives en de Britsch Library honderden documenten “doorge­lopen’, maar niets hierover gevonden. Het lijkt mij indien het archief van de Suriname agent­schap in Calcutta niet is vernietigd, dat in India verder moet worden gezocht. Ik heb de Archives of West Bengal in Calcutta/Kolkata bezocht. Wellicht is het daar terecht­ge­komen. Ik zag grote dozen en stapels dossiers in zeer slechte staat. Het kost zeer veel tijd en de nodige contacten om daar in de archieven onderzoek te mogen doen. Wellicht moet ook in de National Archives in New Delhi worden gezocht. De conclusie is helaas dat een deel van de Hindostaanse geschie­denis verloren is gegaan (Zie verder C. Choenni, Hindostaanse Contractarbeiders 1873–1920 pagina’s 403–406, heruit­ge­geven in oktober 2018 en Hindostaanse database/www.Gahetna).

De Indo-Guyanese onder­zoekster Gaiutra Bahadur heeft in haar boek getiteld Cooliewoman haar zoektocht in India naar haar groot­moeder uitge­breid beschreven. Zij schijnt haar roots te hebben­ge­vonden, maar weet dat niet zeker. De laatste keus was een DNA onderzoek om dit te verifiëren. Maar zij heeft dat –opmer­kelijk genoeg- geweigerd! Zij vond het ‘beter zo te laten’. Blijkbaar was het zoekproces voor haar veel belang­rijker dan de uitkomst.

Javaanse familie­namen

Net als bij de Hindostaanse contract­ar­beiders hadden de Javaanse contract­ar­beiders doorgaans geen familienaam. Bepaalde adellijke familie­namen, zoals als Hadiningrat kwamen wel voor als familienaam. Meestal had men een voornaam en een aanduiding zoon (Hadi) of dochter van. Meestal werd de vader genoemd en niet de moeder. De namen in de Javaanse database van het Nationaal Archief zijn dus voornamen en geen familie­namen. Later werden deze namen vaak familie­namen toen in de jaren vijftig ook Javanen werden verplicht om een familienaam (geslachtsnaam) te kiezen. Ennet als bij de Hindostanen werd bij de werving op Java gesjoemeld met namen. Vaak zijn valse namen gebruikt door de betrokkene of door de werver. Men wilde voorkomen dat de familie hen kon traceren, omdat zij stiekem zijn geëmi­greerd. Anderen wilden gewoon een andere identiteit en een ander leven en hebben dus een andere naam gekozen. Ook zijn namen verkeerd opgeschreven. Er werd vaak ten onrechte beweerd dat men zou zijn betoverd en daarom heeft besloten om te emigreren. Het is dan ook heel erg lastig om de rootste traceren op Java en familie terug te vinden (zie verder: Henriëtte Mingoen, Namen en naamgeving bij de Javanen, in: Wi Rutu, juli 2006 en de Javaanse database/www.Gahetna). In Javaanse namen worden vaak kenmerken uitge­drukt, zoals  Slamet/Salamat (welzijn) of Trimo/Nrimo (dankbaar). Het voorvoegsel Su/Soe (goed/aardig) wordt ook gebruikt, zoals in Sukarnoof  Soeperman.Javanen hebben ook namen die gebaseerd zijn op vijf markt­dagen: Legi, Pahing, Pon, Wageen Kliwon. Vervolgens wordt een achter­voegsel geplaatst. En zo komt in Suriname namen tegen, zoals  Poniman, Ponimin, Ponijem, Legiran, Legimman, Wagimin (zie verder: Mingoen 2006). Evenals bij Afrikanen en Hindostanen zijn ook weekdagen als geboor­tedag gebruikt voor namen. De dagen zijn: Senen (Maandag), Selasa (Dinsdag), Rebu (Woensdag), Kemis (Donderdag), Jumuah (Vrijdag), Setu (Zaterdag) en Ngahad (Zondag).  Maar dat is in veel mindere mate gedaan verge­leken met Hindostanen. De geboor­te­dagen bijvoor­beeld Senen, Rebu of Kemis komen wel voor als (voor) naam en de andere geboor­te­dagen nauwe­lijks (zie verder: Mingoen 2006).

Verder zijn er religieuze namen meestal gebaseerd op de Islam, waarbij vrij vaak de naam Mohamed met een voor of achter­voegsel voorkomt. Maar er zijn ook veel Sanskriet (Hindoe) namen. Voordat de Islam in de 15deeeuw in Indonesië zijn intrede deed en langza­merhand de meerderheid zich bekeerde of zich liet bekeren, was Indonesië deels eerst Hindoeïstisch en later Boeddhistisch. Daarom hebben bepaalde namen als achter­voegsel  putra (zoon in het Sanskriet/Hindi).

Tot slot

Al met al is het traceren van de roots op grond van de familie- of geslachtsnaam om uiteen­lo­pende redenen lastig. De DNA techniek geeft nu de mogelijkheid om wel de etnische afkomst en regio te bepalen van je roots. Zoals gezegd is het nauwe­lijks zinvol om in West Afrika te gaan zoeken naar de roots. Het zoeken in India en Indonesië levert dan ook niet veel succes op. Maar via een DNA test (het kost tegen­woordig ongeveer 70 euro) kan men bijvoor­beeld wel een beeld krijgen uit welk gebied men afkomstig is van bijvoor­beeld West Afrika. Zo heeft een Afro-Surinaamse artiest een DNA test laten doen. Zij hoopte af te stammen van het gebied Ghana en de stam der trotse Ashanti’s. Zij bleek echter af te stammen van het naburig gebied Sierra Leone en niet van de Ashanti’s. In het verleden werd vooral door bepaalde Creolen grappen gemaakt over Hindostaanse en Javaanse namen en werden deze namen (soms opzet­telijk) verkeerd uitge­sproken. Zij werden soms op denigre­rende wijze aange­sproken als (koelie)mai en baboeng of als paéof maé of min.  Gelukkig merken wij dat in de 21steeeuw deze bejegening en dit gedrag ten positieve is veranderd. Nu doet iedereen zijn best om elkaars naam goed uit te spreken en dat is voor de saamho­righeid en natie­vorming van het Surinaamse volk een grote winst. Tenslotte kunnen geïnte­res­seerden in roots, in het bijzonder de afstam­mings­ge­schie­denis terecht bij de Stichting voor Surinaamse genea­logie. Deze stichting geeft jaarlijks twee nummers van hun tijdschrift uit, getiteld Wi Rutu. Men kan donateur worden voor minstens 25 euro per jaar en ontvangt dan het tijdschrift gratis. In het nummer van juli 2018 staat bijvoor­beeld een interessant artikel over “Herkomst van voorouders uit DNA. Elk jaar organi­seert deze stichting een drukbe­zochte zogeheten Kon Makandra. Voor verder infor­matie zie: www.surinaamsegenealogie.nl.

TOP