Over een verdwijnende traditie: De Mahápattar bij Sanátani's

Hans Ramsoedh

Cul­turen zijn niet sta­tisch maar voort­durend aan veran­derin­gen onder­he­vig. Tra­di­ties vor­men een belan­grijk onderdeel van een cul­tu­ur. Het gaat hier­bij om gewoontes en rit­ue­len die van gen­er­atie op gen­er­atie wor­den overge­dra­gen en mede onze cul­turele iden­titeit uit­mak­en. Ze kun­nen door aller­lei ontwik­kelin­gen veran­deren en zelfs verd­wi­j­nen. Een voor­beeld van een langza­am verd­wi­j­nende tra­di­tie is die van de mahá­pat­tar of maha-brah­maan [grote eerbied­waardi­ge brah­maan] bij over­li­j­den­sritue­len bij aan­hang­ers van de ortho­doxe stro­ming bin­nen het hin­doeïsme (Sanatán Dhar­ma).
Ik kwam op dit onder­w­erp naar aan­lei­d­ing van de serie The sto­ry of God gep­re­sen­teerd door Hol­ly­woodac­teur Mor­gan Free­man (ook bek­end als de man met de stem van God) die Nation­al Geo­graph­ic in 2019 uit­zond. Een van de uitzendin­gen han­delde over de Sin Eater, de zon­deneter in de Europese funeraire tra­di­tie. Het begrip funerair is de aan­duid­ing voor alles wat te mak­en heeft met uitin­gen ron­dom de dood. Ik moest bij die uitzend­ing daar­bij denken aan het fenomeen van de mahá­pat­tar. Tussen bei­de fig­uren zijn er weliswaar belan­grijke ver­schillen maar ook overeenkom­sten. Insteek bij deze bij­drage zijn de vol­gende vra­gen: Wat is de rol van de mahá­pat­tar bij over­li­j­den­sritue­len bij Sanátani’s en wat zijn de overeenkom­sten en ver­schillen met de zon­deneter zoals die voorkomt in de Europese funeraire tra­di­tie?

Over­li­j­den­sritue­len bij Sanátani’s en Samáji’s

Het hin­doeïsme kent twee stro­min­gen: de Saná­tan Dhar­ma als ortho­doxe stro­ming en sinds 1875 de Arya Samáj als een her­vorm­ingsstro­ming. Er zijn belan­grijke ver­schillen tussen bei­de stro­min­gen onder meer wat betre­ft de rit­ue­len die gehanteerd wor­den bij over­li­j­den (voor een uit­ge­brei­de en degelijke ver­han­del­ing over deze rit­ue­len zie Bot 1998: 188–234).

Bij de Sanátani’s duurt de rit­uele rouw­pe­ri­ode offi­cieel één jaar, waar­bij de eerste twaalf/dertien dagen gelden als de meest intense rouw­pe­ri­ode met daar­bij spec­i­fieke rit­ue­len en han­delin­gen voor de nabestaan­den en met name voor de hoof­drouw­er (de kartá, meestal een zoon). De eerste tien dagen gelden als de fase van rit­uele onrein­heid waar­bij de fam­i­lie en in het bij­zon­der de hoof­drouw­er vat­baar is voor (kwade) invloe­den van de geest van de overledene (de pret, lees prit). De eerste negen dagen wor­den ver­schil­lende rit­ue­len uit­gevo­erd (voor een uit­ge­brei­de beschri­jv­ing zie De Klerk 1998: 233–270; Bot 1998: 188–234; San­tokhi 2018: 163). Deze fase wordt op de tiende dag onder lei­d­ing van de pan­dit (hin­doegeestelijke) afgerond met de das­gá­tra waar­bij ver­schil­lende offers wor­den gebracht.  Het doel is de geest van de gestor­vene een nieuw etherisch lichaam te ver­schaf­fen zodat deze een nieuw lev­en kan begin­nen in het hier­na­maals. Hierover schri­jft San­tokhi (2018: 163): ‘De opvat­ting is dat na de dood de pret dicht bij de aarde zweeft, dat het astrale lichaam emo­tion­eel gehecht is aan het fysieke lichaam en zijn oude omgev­ing, en dat de pret nog steeds in staat is om deze mater­iële wereld te zien. De pret heeft dan nog geen defin­i­tieve verbli­jf­plaats in het hier­na­maals gevon­den. In de fase van de rit­uele onrein­heid wor­den de rit­ue­len pre­cies nageleefd om de pret te ‘voe­den’, de voor­vaderen te eren en naar een veilige bestem­ming in het hier­na­maals te begelei­den’. De rit­uele rouw­fase wordt op de twaalfde (barhí) of der­tiende dag (ter­hí) afges­loten met een vijf uur durende cer­e­monie in het huis van de overledene. Bij dit rit­ueel wordt de geest van de overledene verenigd met de vooroud­ers (de pitri’s). Na zes maan­den (chamási) en na een jaar (barkhí) vol­gen de laat­ste rouwritue­len. De laat­ste jaren is het inmid­dels niet onge­bruike­lijk dat veel fam­i­lies de rit­ue­len op de 12e/13e dag com­bineren met die na een half en een jaar. Met één over­li­j­dens­di­enst wordt de rouw­pe­ri­ode dan afges­loten.

De ver­schil­lende rit­uele han­delin­gen zijn bedoeld om de kwade invloe­den van de pret af te wen­den opdat de ziel van de overledene haar plaats in de wereld van de vooroud­ers vin­dt. De rit­ue­len vra­gen veel voor­berei­d­ing van de fam­i­lie. De hoof­drouw­er dient het hoofd­haar kaal te scheren en bepaalde voed­selvoorschriften in acht nemen etcetera.

Samáji’s ken­nen niet een pre­cieze afbak­en­ing van de rouw­pe­ri­ode, geen beperkin­gen in leefregels in de peri­ode van over­li­j­den tot aan de cre­matie of begrafe­nis of uitin­gen van rouw. Daar­naast geloven Samáji’s niet in kwade invloe­den van de geest van de overledene. Zij vol­staan met een vuurof­fer (hawan) als laat­ste sacra­ment.

Dis­crepantie

Wat betre­ft de over­li­j­den­sritue­len schri­jft De Klerk (1998: 224), die met zijn Cul­tus en rit­ueel van het Ortho­doxe Hin­doeïsme in Suri­name een stan­daard­w­erk schreef over de hin­doeïstis­che prak­tijk in Suri­name tot en met eind jaren veer­tig van de 20e eeuw, dat er sprake is van een dis­crepantie tussen geloof en rit­ueel. Hij schri­jft dat de ideeën die ten grond­slag liggen aan het bren­gen van offers voor de doden lijn­recht in stri­jd zijn met de kar­maleer. Deze leer houdt in dat een ieder oogst wat hijzelf geza­aid heeft zon­der dat de tussenkomst van een ander wijzig­ing in zijn lot kan bren­gen. Het gaat feit­elijk om een pre-Vedisch overbli­jf­sel dat onderdeel is gaan vor­men van de hin­doeïstis­che volk­sre­ligie, aldus De Klerk (1998: 224).

De Mahá­pat­tar

Wat is de pre­cieze rol van de mahá­pat­tar bij de over­li­j­den­sritue­len? Ik vroeg aan een paar mensen in mijn ken­nis­senkring welk beeld zij bij de mahá­pat­tar hebben. Eén per­soon mailde mij hierover het vol­gende: Ik was een jaar of tien, toen ik voor het eerst van de mahá­pat­tar hoorde. Het was tij­dens de ter­hí van mijn aja. Lang voor die dag hoor­den wij van zijn komst. Er komt een mahá­pat­tar. Hij zal zich vol eten tot dat hij niet meer kan en dan wor­den ver­jaagd. Met pek en veren. Ik maak­te in mijn gedacht­en al een beeld van die man. Een holle bolle Gijs. Lat­er bleek het en magere man te zijn met zek­er een grote maag. Hij kon inder­daad veel weg­w­erken. Lat­er kreeg hij geld en een para­plu en is voor de vorm wegge­jaagd.Dit was eind 1969. Daar­na heb ik nooit meer een mahá­pat­tar gezien. In de tussen­ti­jd heb ik mijn oud­ers ver­loren en kaka en dada. De mahá­pat­tar was niet aan­wezig.’ 

De mahá­pat­tar komt bij de rit­uele plechtigheid op de tiende dag in beeld bij de das­gá­tra. Over zijn rol gebruik ik De Klerk (1998: 242, 259, 262–265) en Bot (1998: 217–221) als belan­grijk­ste bron. Een van de belan­grijk­ste tak­en van de mahá­pat­tar is het nut­ti­gen van voed­sel namens de overledene. De achterliggende gedachte hier­bij is niet zozeer dat hij de zon­den weg eet, maar dat als zijn buik vol is daarmee ook de ziel van de overledene genoeg­doen­ing heeft, aldus pan­dit Attry Ramd­hani (mail­con­tact 29 novem­ber en 2 decem­ber 2019).

Vooraf­gaand aan de over­li­j­dens­di­enst (op de 10e dag) wordt het hoofd­haar van de mahá­pat­tar door de nau [bar­bi­er en/of assis­tent van de pan­dit) afgeschoren. Ver­vol­gens neemt de mahá­pat­tar een bad en trekt kleren van de overledene aan of nieuwe heren­kled­ing in geval de overledene een vrouw is. Tij­dens de over­li­j­dens­di­enst neemt de mahá­pat­tar plaats naast de pan­dit. Van de zoon die de over­li­j­den­sritue­len uitvo­ert, kri­jgt hij een tika [teken met sandel­hout­poed­er] op het voorhoofd en bij de oren en een bloem op het hoofd.

Als de pan­dit klaar is met de uitvo­er­ing van de rit­ue­len wordt alles wat de geest van de overledene in het andere lev­en nodig kan hebben aan de mahá­pat­tar gegeven: een mand met aller­lei ongekookt voed­sel (rijst, urdi, ghee, zout),kleren van de overledene, dekens, pan­nen, para­sol en tenslotte zil­vergeld. Ver­vol­gens moet de mahá­pat­tar zijn tevre­den­heid betu­igen met de woor­den Om Svasti [zo is het goed]. Daar­naast kri­jgt hij van de rouwende fam­i­lie een geldbedrag dat varieert tussen de vijf en tien gulden (Sf).

Hier­na kri­jgt hij een lotha [kop­eren bek­er] met daarin melk, ghee [geklaarde bot­er] en hon­ing om te drinken onder de belofte dat hij na het drinken van de inhoud nog een bepaald bedrag aan geld zal ont­van­gen. Tij­dens het drinken van de lotha met melk wendt de mahá­pat­tar aarzel­ing voor om de inhoud geheel op te drinken. De hoof­drouw­er dringt bij de mahá­pat­tar echter aan onder toezeg­ging van een nog hogere beloning. Ten slotte drinkt de mahá­pat­tar alles op en ont­vangt het beloofde bedrag dat hij met ‘Om Svasti’ in ont­vangst neemt. Hier­na nut­tigt hij als eerste de maalti­jd. Van al het voed­sel dat voor de dienst is gekookt kri­jgt hij een overvloedi­ge por­tie die hij afzon­der­lijk nut­tigt. Hier­aan ontleent hij zijn naam ‘de vreter’.

Vooraf­gaand aan de uitvo­er­ing van de over­li­j­den­sritue­len door de pan­dit eerder die ocht­end heeft de hoof­drouw­er op het erf (in Suri­name is dat aan een man­go­b­oom) de ghant of kalsã opge­hangen: een aar­den kruik met een gaat­je in de bodem en in een gevlocht­en lus aan een tak beves­tigd. In de kruik wordt water en een geld­stuk gedaan. Het water druipt drup­pels­gewi­js uit de kruik. Boven op de ghant is een bak­je met rijst geplant met daarin een aangesto­ken diya [lam­p­je gemaakt van ghee, wat­ten en een vlam in de aar­den kom­met­je]..

Nadat de mahá­pat­tar zijn maalti­jd heeft genut­tigd gaat hij naar de ghant, haalt deze uit de lus, drinkt het water dat er nog in zit op, neemt het geld­stuk als geschenk, doet de ghant weer in de lus en slaat deze dan met een knup­pel stuk.

Na deze han­del­ing wordt de mahá­pat­tar ‘wegge­jaagd’ en ver­vol­gens ‘beko­geld’ met bloe­men, een han­del­ing die sym­bool staat voor het weg­ja­gen van de geest van de overledene. Daar­bij wordt tegen hem gezegd dat hij nooit meer terug moet komen, ten­z­ij er weer een beroep op hem wordt gedaan bij een ander over­li­j­dens­di­enst. De mahá­pat­tar ver­laat zon­der om te zien de plek waar het over­li­j­den­sritueel is uit­gevo­erd. Met zijn ‘over­haaste vertrek’ wordt hij geacht de onrustige geest van de overledene mee te nemen, zodat deze de over­levende fam­i­liele­den niet meer komt lastig vallen. Pas na het vertrek van de mahá­pat­tar mogen de overige aan­wezige gas­ten de maalti­jd nut­ti­gen.

Mahá­pat­tar Dinanath Jhinko­erai

Ik besloot de enige nog actieve mahá­pat­tar in Ned­er­land te inter­viewen en toog naar Uden (gele­gen tussen Nijmegen en Eind­hoven) voor een inter­view met Jhinko­erai.

Jhinko­erai (70 jaar) is geboren en opge­groeid te Dijkveld in Suri­name en heeft een brah­maanse achter­grond. Op Dijkveld woonde hij op Bab­han­to­lia, een wijk waar hoofdza­ke­lijk brah­ma­nen woon­den. Een oom van hem was een bek­ende pan­dit in Suri­name (pan­dit Bhawani­biek). In Suri­name had hij ver­schil­lende beroepen (twaalf ambacht­en en der­tien ongelukken zoals hijzelf stelt) maar als laatst was hij werkza­am als truckchauf­feur in loon­di­enst voor­dat hij in 1974 (op zijn 24e) naar Ned­er­land vertrok. Na twee jaar in Ams­ter­dam en Den Haag gewoond te hebben, ves­tigde hij zich in Uden waar zijn moed­er toen woonde. Hij trouwde in Uden en kwam hier te werken bij de sociale werk­plaats waar hij ruim veer­tig jaar in dienst is geweest.

Door een toe­val werd hij mahá­pat­tar. In 1998 over­leed een tante van hem. Op dat moment was er geen mahá­pat­tar in Ned­er­land. De enige mahá­pat­tar was vijf jaar eerder overleden. Zijn oom vroeg hem als mahá­pat­tar te fun­geren. Van deze oom leerde hij enkele mantra’s die van belang zijn voor het werk als mahá­pat­tar. Hier­na moest hij nog een keer als mahá­pat­tar optre­den en van het een kwam het ander. Via via werd hij ver­vol­gens steeds vak­er gevraagd om als mahá­pat­tar te fun­geren.

Enkele jaren terug werd gemid­deld 3–4 keer per maand een beroep op hem gedaan. De laat­ste jaren is dat ongeveer één keer per maand. Voor een belan­grijk deel heeft dit te mak­en met de finan­ciële omstandighe­den van de rouwende fam­i­lie. De kosten die samen­hangen met uitvo­er­ing van de over­li­j­den­sritue­len kun­nen oplopen en om kosten te besparen wordt afgezien van inscha­kel­ing van een mahá­pat­tar. Daar­naast is hier­bij de rol van de pan­dit niet onbe­lan­grijk vertelt Jhinko­erai. Uit vrees een lagere ver­goed­ing te kri­j­gen voor hun dien­sten advis­eren pan­dits soms aan de rouwende fam­i­lie om geen mahá­pat­tar in te schake­len.

Op de vraag of hij zijn werk als mahá­pat­tar in het verleden kon com­bineren met zijn werk, zegt Jhinko­erai dat hij zijn ATV- of vakantieda­gen hier­voor opnam.

Voor­berei­d­ing en uitvo­er­ing

Over zijn voor­berei­d­ing bij een over­li­j­dens­di­enst zegt Jhinko­erai dat hij vooraf thuis een korte puja (gebed) doet en daar­bij bloe­men offert aan de murthi’s (beelden van goden) op zold­er. Hij vertelt dat hij na de puja één keer van de zold­er­trap viel en daar­bij zijn been brak. Hij had het licht op de trap niet aan gedaan. Zijn verk­lar­ing is dat de goden blijk­baar het niet aan doen van het licht beschouw­den als gebrek aan respect.

In tegen­stelling tot de prak­tijk in het verleden, laat hij zijn hoofd­haar niet alti­jd scheren. Dit laat hij afhangen van de wens van de rouwende fam­i­lie of de pan­dit. Hierover zegt Jhinko­erai: ‘pan­dits scheren hun hoofd­haar ook niet, waarom zou die ver­plicht­ing dan voor mij moeten gelden. Maar als de fam­i­lie en de pan­dit erop staan, dan is het voor mij geen punt’.

Het is thans niet meer gebruike­lijk om als mahá­pat­tar kleren van de overledene aan te trekken. Hij trekt kleren die de rouwende fam­i­lie spe­ci­aal voor de rit­uele dienst heeft aangeschaft: een kur­ta [lang over­hemd zoals door veel man­nen in India gedra­gen] en een dhoti [een witte lap stof die man­nen om hun taille knopen en die tot aan de enkels reikt zoals Gand­hi die droeg]. Vooraf­gaand aan de puja wor­den zijn voeten door de hoof­drouw­er gewassen en de tika bij hem op het voorhoofd aange­bracht. Na afloop van de puja nut­tigt hij het voed­sel op de plek van de puja. Door de rouwende fam­i­lie wordt hem gevraagd steeds meer te eten waar­bij hij ver­vol­gens bij iedere aan­moedig­ing geld ont­vangt. Na het nut­ti­gen van de maalti­jd wor­den zijn voeten gemasseerd en wordt hem met een waaier koelte toege­waaid. Nadat hij zich weer heeft omgek­leed in ver­band met de teru­greis, is het zijn taak om de ghant of kalsã stuk te slaan waar­bij hij de locatie, zoals eerder ver­meld, in grote haast (via de ach­ter­deur) ver­laat zon­der om te kijken omdat hij de pret mee­neemt. De offer­aar en fam­i­liele­den achter­vol­gen hem, ‘beko­ge­len’ hem lachend en roepend met bloe­men met daar­bij de woor­den: ‘ga weg en kom nooit meer terug’. In een Ned­er­landse rijt­jeswon­ing ver­laat hij via de achter­poort of tuin­deur de locatie. Aangezien een flat via de ach­ter­deur ver­lat­en niet mogelijk is wordt de ghant of kalsã in de trap­pen­hal opge­hangen. Na het stuk­slaan van de ghant ver­laat hij via de trap deze locatie. Met het vertrek van de mahãpã­tar kan de fam­i­lie opgelucht ademhalen, aangezien de geest van de dode niet langer in huis is.

Wat kri­jgt hij voor zijn werk als mahá­pat­tar?

Voor zijn dien­sten hanteert hij een vast tarief van hon­derd­vi­jftig euro. Daar­naast kri­jgt hij bij een man­nelijke overledene kur­ta, dhoti, sokken, onder­goed, over­hem­den, slip­pers, para­plu en een strand­mat (in plaats van chatai – gevlocht­en mat van palm­bladeren). Bij een vrouwsper­soon die overleden is, kri­jgt hij naast de hier­voor genoemde goed­eren vrouwelijke kled­ing dat wil zeggen kled­ingstukken die bij een vrouwsper­soon horen (sari, orhni [hoofd­doek] et cetera). Hoewel niet stan­daard, kri­jgt hij soms op aangeven van de pan­dit van de rouwende fam­i­lie een gouden sier­aad mee. Het kan een klein gouden munt­je zijn of soms zelfs een gouden ring. Dit is meestal afhanke­lijk van de finan­ciële mogelijkhe­den van des­be­tr­e­f­fende fam­i­lie. De meeste spullen die hij kri­jgt voor zijn werk als mahãpã­tar geeft hij lat­er weg aan fam­i­liele­den en ken­nis­sen in Ned­er­land en vaak ook in Suri­name.

Wat vin­dt zijn gezin van zijn werk als mahá­pat­tar?

Hij vertelt dat zijn echtgenote, negen jaar jonger en werkza­am in de tech­nis­che sec­tor, vin­dt dat het tijd wordt dat hij stopt met zijn werk als mahãpã­tar. Gelet op zijn leefti­jd moet hij vol­gens de echtgenote het rustiger aan gaan doen. Daar­naast spe­len ook voor haar de afs­tanden een grote rol. Niet zelden moet hij vroeg in de ocht­end opstaan om rond 8.00 uur in de Rand­stad of elders aan­wezig te zijn. Ik heb echter niet de indruk dat hij vooral­snog gehoor gaat geven aan de wens van zijn echtgenote. Voor een 70-jarige is hij nog vitaal en zelf zegt hij dat hij zal stop­pen zodra zich een tweede mahãpã­tar meldt. Het werk van de mahá­pat­tar vin­dt hij te belan­grijk om er nu mee te stop­pen: ‘ik kan niet weigeren als mensen mij nodig hebben’, aldus Jhinko­erai. Zijn dochter (40 jaar) en zoon (39 jaar) noe­men zijn werk ‘kaalscheer­w­erk’. Als zijn kinderen, die eve­neens in Uden wonen, bij hem langs willen gaan,informeren zij vooraf wan­neer hij weer gaat ‘kaalscheren’, waarmee ze dan bedoe­len op welke dag hij als mahá­pat­tar weer op pad moet.

Het bij­zon­dere wat hij ooit heeft meege­maakt?

Jhinko­erai vertelt dat hij een tijd­je terug als mahãpã­tar aan­wezig was bij de rouw­di­enst van een 17-jarige jon­gen. Toen de rouwen­den hem eten bracht­en om te nut­ti­gen, wer­den zij over­mand door emoties. Ook Jhinko­erai werd op dat moment over­mand door emoties en hij was niet in staat om het aange­bo­den voed­sel te nut­ti­gen. Hij heeft een tijd­je moeten wacht­en met eten tot hij zijn emoties weer onder con­t­role had.

Vergelijk­ing Mahá­pat­tar en Sin eater

In de Europese funeraire tra­di­tie komen we de zon­deneter tegen. Hij (alti­jd een man!) werd gezien als degene die de zie­len van de doden in staat stelden veilig naar de hemel op te sti­j­gen. Daar­naast ver­hin­derde hij ook dat de door de zonde geplaagde doden in spookachtige vorm als geesten naar de aarde terugk­wa­men. Als de ziel van de overledene in staat was de hemel te bereiken, dan had deze geen reden om over de aarde te dwalen en de inwon­ers te achter­vol­gen.

Veel mensen geloof­den dat een stuk brood of gebak, dat op de borst of het gezicht van de overledene werd gelegd, in staat was om alle zon­den van de overledene te absorberen. De fam­i­lie van de overledene keek toe hoe de zon­deneter de zon­den van de ziel van de overledene con­sumeerde. Tij­dens het eten bad de zon­deneter een spe­ci­aal gebed. Voor zijn inspan­ning werd de zon­deneter betaald. Het gaat hier­bij om kleine bedra­gen. Mensen schakelden meestal een zon­deneter in, in sit­u­aties waar de overledene onverwacht over­leed.

In de Angel­sak­sis­che lan­den (Enge­land, Scot­land, Wales) kwam de prak­tijk van het zon­deneten tot aan het begin van de twintig­ste eeuw voor. In Beieren (Duit­s­land), delen van de Balkan en Ital­ië en bij een aan­tal trib­ale volken komt het zon­deneten nog steeds voor.

De zon­deneter was de ultieme zon­de­bok en paria in zijn gemeen­schap. Hij werd beschouwd als een per­soon die feit­elijk voort­durend de uitwerpse­len van de maatschap­pij con­sumeerde, dat wil zeggen de zon­den van de mensen. Men geloofde dat zijn ziel dan ook bezoedeld was en dat ver­loss­ing voor hem uit­ges­loten was. De zon­deneter leefde feit­elijk in isole­ment en men gelooft dat hij als een rusteloze, dwal­ende geest zal terugk­eren. Hij had immers de zon­den van zoveel mensen geab­sorbeerd. Zijn werk, hoewel nodig, werd beschouwd als het werk van duis­tere magie, hek­ser­ij, boven­natu­urlijke kracht­en of zelfs de duiv­el zelf; een zon­deneter in de ogen kijken, al was het maar voor een sec­onde, werd gezien als een teken van pech. In de regel waren de zon­deneters mensen die beho­or­den tot de aller­arm­sten die ver­lang­den naar een stuk­je brood en drinken.

Boven­di­en waren de lev­ens van de zon­deneters niet alleen een­za­am, maar ook zeer gevaar­lijk. De chris­telijke kerk had namelijk het monop­o­lie op de vri­jspraak van de zon­den en de leden van de clerus waren de enige mensen die abso­lu­tier­itue­len mocht­en uitvo­eren. Het eten van de zonde was offi­cieel ver­bo­den. De chris­telijke kerk beschouwde de zon­deneters als god­slaster­aars en aan­bid­ders van de satan. Daarom voer­den zon­deneters meestal ged­won­gen hun prak­tijk uit gehuld in een sluier van geheimhoud­ing.

Overeenkom­sten en ver­schillen tussen de mahá­pat­tar en de zon­deneter

De overeenkomst is dat bei­den een rol hebben bij over­li­j­den­sritue­len. Een andere overeenkomst is dat hun han­delin­gen moeten voorkomen dat de geest van de overledene de nabestaan­den zou lastig vallen. Een belan­grijk ver­schil is dat de zon­deneter met zijn han­del­ing wordt geacht alle zon­den van de overledene te absorberen waar­door de overledene ‘verzek­erd’ is van een plek in de hemel. De mahãpã­tar wordt geacht de overledene te verte­gen­wo­ordi­gen. Een ander ver­schil is dat de zon­deneter als paria wordt beschouwd die zijn werk uit pure noodza­ak doet. In tegen­stelling tot de zon­deneter lijdt de mahá­pat­tar niet aan een stig­ma. Hij behoort tot de groep van de brah­ma­nen. De mahãpã­tar wordt onder Hin­dostaanse Suri­namers met eerbied behan­deld. In India echter vor­men de mahãpã­tars echter een aparte stand bin­nen de kaste van de brah­ma­nen. Ze wor­den als onrein beschouwd en geni­eten laag aanzien (Bot 1998: 218).

Slo­top­merkin­gen

De Klerk (1998: 242) omschri­jft het fenomeen van de mahá­pat­tar als ‘meest zeer markante bij­zon­der­he­den’ die onder volks- en streekge­bruiken moeten wor­den gerangschikt. In de vedis­che lit­er­atu­ur komt de mahá­pat­tar namelijk niet voor. Pan­dit Attry Ramd­hani stelt dat de han­delin­gen van de mahá­pat­tar geen relatie hebben met vooroud­erverering. De mahãpã­tar offert namens de ziel van de overledene en niet aan de ziel van de overledene. In tegen­stelling tot De Klerk stelt Attry Ramd­hani dat het fenomeen van de mahá­pat­tar wel degelijk religieus onder­bouwd is.

De laat­ste decen­nia wordt er steeds min­der (zow­el in Suri­name als in Ned­er­land) een beroep gedaan op de mahá­pat­tar. Voor een belan­grijk deel hangt dit samen met veran­derde opvat­tin­gen bij veel Sanatani’s over religie en het ver­lengde hier­van met opvat­tin­gen over (de rol van de mahá­pat­tar bij) over­li­j­den­sritue­len. Die veran­derde opvat­tin­gen hangen samen met ontwik­kelin­gen als moder­niteit, indi­vid­u­alis­er­ing, glob­alis­er­ing (inter­net) en afne­mende invloed van pan­dits. Ook de finan­ciële kosten zullen bij velen mede een rol spe­len om de mahãpã­tar wel of niet in te schake­len. Veel Sanátani’s die nog in de religieuze tra­di­tie zit­ten, beperken zich tot de kern waar­bij al het andere als ‘fran­je’ wordt gezien of als tra­di­ties uit het verleden die niet meer passen bij deze tijd. Niet ver­won­der­lijk is dan ook dat het fenomeen van de mahá­pat­tar langza­am een verd­wi­j­nende tra­di­tie aan het wor­den is. Dinanath Jhinko­erai is naar alle waarschi­jn­lijkheid een van de ‘laat­ste der Mohika­nen’ in Ned­er­land.

Gebruik­te lit­er­atu­ur

Bot, M., (1998), Een laat­ste groet. Uit­vaart- en rouwritue­len in mul­ti­cul­tureel Ned­er­land. Rot­ter­dam: uit­gev­er Marie Bot.

Klerk, de, C.J.M. (1998). Cul­tus en rit­ueel van het Ortho­doxe Hin­doeïsme in Suri­name. Den Haag: Amrit (oor­spr. Druk 1951).

San­tokhi, S., (2018). ‘Dood in de dias­po­ra. Afscheid nemen en rouwver­w­erk­ing bij hin­does’. In: Baldews­ingh R.S., N. Boed­hoe, B. Maha­bier. Sarná­mi San­skir­ti. Enkele faceten van de Hin­dus­taanse geschei­de­nis en cul­tu­ur in Suri­name en Ned­er­land. Den Haag: Uit­gev­er­ij Suri­nen. P. 155–175

‘Sin Eaters Were the Ulti­mate Scape­goats’. https://historycollection.co/sin-eating-was-every-bit-as-terrifying-as-it-sounds/3/. Ger­aad­pleegd decem­ber 2019

Foto: Dinanath Jhinko­erai / Hans Ram­soedh

Dr. Hans Ram­soedh, his­tori­cus en pub­li­cist

TOP