Column Kanta Adhin:

Nakende kledingvoorschriften

Op 1 augustus 2019 is in Nederland bij wet een verbod op het dragen van gezichts­be­dek­kende kleding ingevoerd. De wet heeft betrekking op alle vormen van gezichts­be­dek­kende kleding, maar staat bekend als het ‘boerka­verbod’. Niet verwon­derlijk, want de wet is echt niet ingevoerd omdat we zoveel mensen kennen die zich dagelijks in het openbare leven begeven met bivak­mutsen op. Overigens, ook niet zoveel met een boerka. Maar het verbod heeft alles te maken met  toene­mende intole­rantie ten opzichte van de islam.

In tegen­stelling tot, bijvoor­beeld, Frankrijk is hier geen sprake van een algeheel ‘boerka­verbod’. Het verbod geldt voor het openbaar vervoer en in gebouwen en bijbe­ho­rende erven van onder­wijs­in­stel­lingen, overheids­in­stel­lingen en zorgin­stel­lingen. Als je zin hebt, kan je dus met je bivakmuts of een nylonkous over je hoofd op straat rondlopen. Een bank of winkel zal je waarschijnlijk niet zomaar kunnen binnen­lopen. In Suriname werd ik door de bevei­liging van een bank zelfs gevraagd mijn zonnebril af te doen voordat ik naar binnen mocht.

Dat een bepaalde groep mensen het ‘boerka­verbod’ vooral – of zelfs alleen maar – toejuicht vanwege hun oordeel over de islam en de positie van de vrouw daarin, blijkt uit uitspraken als ”…. en nu op naar een verbod op hoofd­doekjes.” Bedekking van de vrouw middels een boerka of een hoofddoek zien zij als onder­drukking van de vrouw. Het zal best wel dat er vrouwen zijn die door hun man of de familie worden onder­drukt, maar om te denken dat bepaalde kleding als symbool van de onder­drukking moet worden verboden, is absurd. Ik ken hoofd­doek­draag­sters die heel zelfbewust zijn. Veel zelfbe­wuster dan tal van vrouwen die nadat zij getrouwd zijn meteen hun eigen naam in de ban doen en braaf die van hun echtgenoot voeren, in deeltijd gaan werken of stoppen met werken. Of vrouwen die het de normaalste zaak vinden dat zij zich zo bloot mogelijk moeten presen­teren naast een man in driedelig pak.

Draagsters van een boerka ken ik niet. Over hen kan ik dus niets uit eigen ervaring zeggen. Ik kan me wel voorstellen dat er vrouwen zijn die daar zelf voor kiezen, maar zij moeten dan ook begrijpen dat daar wat vreemd tegenaan wordt gekeken. Ik praat over het algemeen niet met mensen met mijn zonnebril op, omdat ik oogcontact bij een gesprek gepast vind. Ik vroeg een keer aan een oogarts die nadat hij de controle had uitge­voerd, het gesprek vanachter het apparaat voort­zette beleefd of hij het apparaat opzij wilde schuiven. Ik vond hem tamelijk lomp, maar achteraf verdacht ik hem eerder van een zekere mate van contact­ge­stoordheid.

Het gevoelige met betrekking tot de boerka ligt erin dat we in liberale democra­tieën hechten aan rechten en vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van godsdienst. Tegenstanders van het ‘boerka­verbod’ zien een tendens naar wetgeving die op gespannen voet komt te staan met in de grondwet en verdragen opgenomen rechten en vrijheden van de mens. Hierbij moet wel de kantte­kening worden geplaatst dat de vrijheid van godsdienst niet absoluut is en kan worden beperkt in het belang van de openbare orde en veiligheid, de goede zeden of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De vrijheid omvat ook niet-religieuze overtui­gingen. Maar we begrijpen wel waarom personen die het nudisme aanhangen hun overtuiging niet zonder meer tot uitdrukking kunnen brengen in het leven van alledag. Thuis en op daarvoor bestemde plekken kunnen ze naakt rondlopen, maar daarbuiten levert hun overtuiging al gauw strij­digheid met de goede zeden op.

Het vinden van de balans tussen de rechten en vrijheden die we van belang vinden en gerecht­vaar­digde beper­kingen is een uitdaging. Hierbij mag niet worden geschermd met onze eigen (superieure?) visie op een uiting van een bepaalde levens­over­tuiging. Je kunt je wel aan alles lopen ergeren. Bijvoorbeeld aan vrouwen die dikke zwarte kousen in de zomer dragen, die topless op het strand zonnen of met een ‘boerkini’ gaan zwemmen (NB: boerkini’s bedekken het lichaam maar niet het gezicht). Moet daartegen dan met wetgeving worden opgetreden of moeten derge­lijke zaken niet gewoon worden overge­laten aan de veerkracht van de samen­leving waarin via informele contacten, initi­a­tieven en bovenal ‘common sense’ een middenweg wordt bereikt?  Daarvoor zijn wel inspan­ningen van beide kanten vereist. Fanatisme en uitspraken van boerk­a­draag­sters dat zij enkel verant­woording zijn verschuldigd aan een hogere macht helpen niet. Als dat je levens­in­stelling is, zijn er plekken te verzinnen om daar met gelijk­ge­zinden te verblijven, zoals een klooster of een ashram.

TOP