Multi-etnisch Suriname: een raciaal paradijs?

Hans Ramsoedh

Het beeld van Suriname als een raciaal paradijs is tegen­woordig een populaire visie op de Surinaamse samen­leving. Culturele diver­siteit wordt aange­prezen als kenmerk van Suriname en de Surinaamse nationale identiteit. Tijdens de ACP/EU-parle­men­taire verga­dering die in november 2012 in Suriname werd gehouden hield de toenmalige Surinaamse minister van Binnenlandse Zaken, Moestadja, een lezing met als titel Eenheid in verschei­denheid. Hierin typeerde hij Suriname als een ‘raciaal paradijs’. Zo stelde hij: ‘Wij vinden het vanzelf­sprekend dat de etnische groepen van elkaar verschillen en elk hun eigen leefstijl hebben. Wij vinden het normaal dat wij één natio­na­liteit bezitten en samen een samen­leving vormen. (…) de eenheid zit in de accep­tatie van de verschei­denheid. Wij allen vinden het normaal en ook goed dat wij niet hetzelfde zijn. Dat is onze kracht’. Volgens de plaat­se­lijke pers kreeg de bewindsman nog net geen staande ovatie van de aanwezige ACP/EU-parle­men­ta­riërs.

Dit is wat in de literatuur nation branding wordt genoemd, de wijze waarop een land zich naar buiten toe wenst te presen­teren. Vergelijk het met de presen­tatie van Nederland naar de buiten­wereld als een gidsland en een tolerant land, een beeld dat inmiddels achter­haald is. Klopt dit beeld van Suriname als een raciaal paradijs?

In de koloniale periode (1863–1945) stonden natie­vorming en nationale identiteit in Suriname  in het teken van assimi­latie aan de Nederlandse taal en cultuur. Deze politiek heeft echter niet geleid tot een verdwijning van de culturele eigenheid van de diverse bevol­kings­groepen. Iedere groep heeft wel in meer of mindere mate een proces van accul­tu­ratie in Nederlandse richting ondergaan, maar tegelij­kertijd elementen van de oorspronke­lijke cultuur behou­den.

Na 1945 nam de bete­kenis van de Nederlands-Europese boven­groep in politiek en in sociaal-cultureel opzicht af. Overna­me van het wester­se school­systeem leidde niet alleen tot het overbruggen van de culturele kloof tussen de diverse bevol­kingsgroepen in Suriname, maar betekende ook voor veel Hindostanen, Javanen en Creolen een bewuste herorië­ntatie op de eigen culturele tradi­tie. Daarmee werd ook het cultu­reel antago­nisme tussen de diverse segmen­ten bevorderd.

In Suriname wordt al sinds de jaren vijftig wordt het multi-etnische karakter van de Surinaamse samen­leving uitge­dragen. Dit zien we vooral terug in de aanzicht­kaarten uit deze jaren waarop vooral kinderen figureren.

In de jaren zestig worden de multi-etnische presen­taties op aanzicht­kaarten kleur­rijker en in plaats van kinderen zien we volwas­senen die het multi-etnische karakter van Suriname uitdragen. In de jaren zeventig en daarna wordt de presen­tatie van het multi-etnische Suriname expres­siever en ‘glossiër’.

Cultuurstrijd

Culturele diver­siteit als een kenmerk van de Surinaamse nationale identiteit was in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de twintigste eeuw echter geen vanzelf­spre­kendheid. In die jaren woedde er latent een ‘cultuur­strijd’ in Suriname: Creolisme versus Hindostanisme. Creoolse cultuur­na­ti­o­na­listen beschouwden in de jaren vijftig en zestig de Afro-Surinaamse cultuur als de grondslag van de nationale identiteit van Suriname en het bestaan van de Hindostaanse en Javaanse cultuur als een hinderpaal voor de ontwik­keling van een nationale Surinaamse cultuur. Deze natio­na­listen wezen culturele pluri­for­miteit af omdat zij deze strijdig achtten met het idee van ‘nationale eenheid’. Indicatief in dit verband is de afwijzing door de natio­na­listen van de in 1959 geïntro­du­ceerde nieuwe Surinaamse vlag. Zij beschouwden deze als een splijtzwam: ‘een vlag die verdeelt en heerst, apartheid propa­geert, frustreert en niet deugt’, aldus de dichter Dobru.

Hindostaanse intel­lec­tuelen zagen niets in het Creools natio­na­lisme; zij beschouwden het als ‘bekrompen creolisme’ en een overwaar­dering van de Creoolse cultuur. In tegen­stelling tot de Creoolse cultuur­na­ti­o­na­listen benadrukten zij daaren­tegen de culturele verschei­denheid van Suriname waarbij alle culturen gelijk­waardig waren en onderdeel vormden van de Surinaamse nationale cultuur. Eenheid in verschei­denheid werd het Hindostaanse antwoord op het Creoolse cultuur­na­ti­o­na­lisme. Dit concept is afkomstig van een essay van Jan Adhin dat hij in 1957 publi­ceerde, een aan de Rig-Veda ontleende filosofie. Hoewel Adhin in zijn essay niet refereerde aan de ideologie van cultuur­na­ti­o­na­listen was zijn concept van Eenheid in verschei­denheid in eerste instantie een cultuur­fi­lo­so­fisch antwoord op de gewenste culturele homoge­ni­sering van de zijde van de Creoolse cultuur­na­ti­o­na­listen. In plaats van assimi­latie was Adhin voorstander van cultuur­syn­these, een gemeen­schap­pe­lijke eenheids­cultuur waarbinnen elke bevol­kings­groep haar cultuur en traditie behield. Die eenheids­cultuur werd in zijn optiek, in tegen­stelling tot cultuur­na­ti­o­na­listen, bepaald door de Nederlands-westerse cultuur met het Nederlands als eenheidstaal waarbij elke groep daarnaast haar cultuur en eigen taal behield. Creoolse natio­na­listen betichtten Adhin van een hokjes­men­ta­liteit, het fnuiken van natie­vorming, het zaaien van verdeeldheid en zelfs van racisme. Drie decennia later zou Adhin over de beschul­di­gingen van de zijde van de natio­na­listen verklaren dat zij die hem toen een hokjes­geest­men­ta­liteit toedichtten, in de jaren zeventig en daarna druk bezig waren in Nederland te strijden voor behoud van de eigen (Creoolse) culturele identiteit. In Creools natio­na­lis­tische kringen werden manifes­taties van Hindostaans zelfbe­wustzijn en insti­tu­ti­o­na­li­sering van de Hindostaanse cultuur in de jaren vijftig en zestig opgevat als Hindostanisme, dat wil zeggen, separa­tis­tische tendenties die een bedreiging vormden voor de eenwording van Suriname.

De cultuur­strijd bleef echter latent. Dit heeft enerzijds te maken met de pacifi­ce­rende invloed van de verbroe­de­rings­co­a­litie van Creolen, Hindostanen en Javanen op de inter­et­nische relaties, een coalitie die tussen 1958 en 1967 aan de macht was. Deze coalitie leidde namelijk tot een gelei­de­lijke afbraak van de geogra­fische, sociaal­eco­no­mische, politieke en culturele omheining die de verschil­lende bevol­kings­groepen in Suriname gescheiden hield, en daarmee tot hun integratie in de loop van de jaren zestig.

Omarming van culturele diver­siteit 

Ontwikkelingen in de jaren tachtig zouden leiden tot omarming of natura­li­sering van culturele diver­siteit in Suriname. Etniciteit verdween door de politieke ontwik­ke­lingen na 1980 naar de achter­grond. Tijdens de militaire dictatuur (1980–1987) raakte de Surinaamse bevolking verdeeld in pro of contra de militairen en na 1987 pro of contra Bouterse. Die tegen­stelling liep dwars door de etnische groepen heen. De communis opinio in Suriname was dat politieke stabi­liteit slechts kon worden bereikt door samen­werking tussen de etnische groepen. Deze ideologie van diver­siteit vond in de jaren negentig en daarna steeds meer ingang. Alle politieke partijen (etnisch en multi-etnisch) in Suriname beroepen zich thans op hun nationale trots en dienst­baarheid aan switi Sranan. Culturele diver­siteit wordt niet meer beschouwd als een relikwie van het etnisch denken, maar als voorwaarde voor politieke stabi­liteit en sociaal­eco­no­mische vooruitgang. Hiermee werd een belang­rijke stap gezet in de ‘natura­li­sering’ van het concept culturele diver­siteit in Suriname, dat wil zeggen culturele diver­siteit als een ‘natuur­lijke’ werke­lijkheid van Suriname dat als voorbeeld kan dienen voor de wereld. ‘Hoe wij hier ook samen kwamen, aan zijn grond zijn wij verpand’ is een strofe uit het Surinaamse volkslied die tegen­woordig in Suriname algemeen ingang heeft gevonden. In dit proces hebben politieke leiders in Suriname, bij wie het besef leeft dat samen­werking tussen groepen de enige mogelijkheid is, een pacifi­ce­rende rol vervuld. Het is dan ook niet verwon­derlijk dat het gedicht Wan Bon uit 1965 van de Surinaamse dichter Dobru, waarin ondanks de diver­siteit de eenheid van Suriname centraal staat, in de jaren negentig breed zou worden erkend als hét nationale gedicht en dat, zoals Michiel van Kempen schrijft, ‘voor velen als zodanig bijna sacrale waarde verkreeg’.

Niet onbelangrijk in het natura­li­se­rings­proces van culturele diver­siteit is de sterke groei van het toerisme in Suriname sinds het begin van de 21e eeuw, waarin eveneens de mythe van Suriname als een multi­cul­tureel paradijs wordt uitge­dragen, een mythe in deze context die in het bijzonder bestemd is voor buiten­landse consumptie. Zo wordt Suriname behalve als ideale ecobe­stemming in toeris­tische folders en op toeris­ten­beurzen geprezen als een multi-etnisch paradijs. Daarnaast wordt met de opkomst van het toerisme de naast elkaar staande moskee en synagoge aan de Keizerstraat in Paramaribo erbij gehaald als toonbeeld van ‘echte’ multi­cul­tu­ra­liteit of vreedzame co-existentie.

De uitspraken in de zomer van 2018 van de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Stef Blok, over multi-etnische samen­le­vingen leidden tot veel ophef. Hij kende geen multi-etnische samen­le­vingen waar dat goed ging. In dat verband noemde de minister Suriname een failed state die samenhing met de etnische opdeling. De Surinaamse regering nam geen genoegen met excuses en eiste dat de Nederlandse minister zijn woorden terug zou nemen. Met zijn uitspraak gaf de Nederlandse minister blijk van niet gehinderd te worden door kennis van de eigen Nederlandse geschie­denis. Suriname is een creatie van het Nederlandse koloni­a­lisme. Met uitzon­dering van de Inheemsen (voorheen Indianen genoemd) zijn alle groepen als tot slaaf gemaakten of als contract­ar­beiders door Nederland naar Suriname gehaald.

Hoewel Suriname op dit moment grote sociaal-econo­mische en politieke problemen kent, kan het beslist geen failed state worden genoemd. Bij een failed state denk ik aan de afwezigheid van centraal gezag, disfunc­ti­o­ne­rende insti­tuties en dreiging van binnenuit door gewapende of rebel­le­rende groepen. Suriname is beslist ook geen failed society. Ondanks dat etnische loyaliteit buiten­gewoon hardnekkig is gebleven, zijn de etnische relaties in Suriname over het algemeen niet conflic­tueus verlopen. Dit is in contrast met het buurland Guyana waar relaties tussen Creolen en Hindostanen tijdens verkie­zingen tussen 1960 en 2015 werden geken­merkt door raciale onlusten.

De mythe van vreedzame coëxis­tentie

De presen­tatie van Suriname als een raciaal of multi-etnisch paradijs is een mythe en bedoeld als window dressing. In het dagelijks leven is de vreedzame coëxis­tentie in Suriname het resultaat van een pragma­tische tolerantie en wordt de mythe van Suriname als een multi­cul­tureel paradijs veelal in sterk uitge­klede vorm naar voren gebracht: ‘leef en laat leven’, ‘als ik er maar geen last van heb’ en ‘wij slaan elkaar de hersens niet in’. Nationale feest­dagen zoals Phagwa, Divali, Idul Fitre, Keti Koti, Marrondag zijn vooralsnog vooral etnische hoogtij­dagen.

Surinamers hebben ‘geleerd’ met de bestaande culturele verschillen om te gaan, een waarde en een attitude die niettemin niet onder­schat mogen worden.

Illustratief voor deze Surinaamse pragma­tische tolerantie is een interview met de voorzitters van de moskee en de synagoge aan de Keizerstraat waarbij aan hen de vraag werd gesteld hoe het kwam dat beide religieuze insti­tuten vreedzaam naast elkaar konden bestaan. Hun antwoord was dat de goede verstand­houding onder meer voort­vloeide uit een goed parkeer­beleid. Op Joodse hoogtij­dagen mochten Joodse bezoekers op het parkeer­terrein van de moskee parkeren, en op Islamitische hoogtij­dagen was dat andersom. Een Surinaamse pragma­tische oplossing voor een ingewik­kelde en moeizame relatie tussen Joden en moslims elders in de wereld.

Foto’s: Hans Ramsoedh

TOP