Column Kanta Adhin:

Loze beloften

कसमे वादे प्यार वफ़ा सब, बातें हैं बातों का क्या

Kasmé wadé pyár wafá sab
bátein hain batón ká kyá

Geloften, beloften, liefde en trouw, alle
zijn slechts woorden en niets anders

Deze woorden komen uit een prachtig lied van de inmiddels overleden zanger Manna Dey uit de Indiase filmklas­sieker Upkár (1967). Een film waarin patri­ot­tisme ‑geheel volgens Indiase filmstijl- behoorlijk overdreven wordt uitge­beeld. De hoofd­rol­speler kan niet beschuldigd worden van het bezigen van holle woorden. Anders is het gesteld in de werke­lijke wereld, zoals we ook in Suriname hebben kunnen zien bij politieke leiders door de jaren heen. En nu nog meer dan ooit!

Monument ter nagedach­tenis aan slacht­offers van schending van mensen­rechten vanaf 25 februari 1980 (Dr. Sophie Redmondstraat / Paramaribo).

Onafhankelijkheid om Suriname een waardige plaats in de rij der naties te laten innemen. Klinkt prachtig! En de golden handshake zoals de premier van buurland Guyana met onver­holen afgunst de miljarden aan steun van het voormalige moederland betitelde. Van Engeland had Guyana geen rooie cent gekregen bij de onafhan­ke­lijkheid in 1966. Echter, onafhan­kelijk Suriname met dat geld econo­misch ontwik­kelen om duurzame welvaart voor de bevolking tot stand te brengen, stond niet in het belof­ten­boekje van de politieke leider. Sterker, ik heb de toenmalige premier (nota bene een econoom) in een informele setting zelf horen zeggen: “Waarom zou ik een econo­misch plan opstellen? Moni dé (er is genoeg geld)”.

Toen kwam de coup, geboren uit een conflict dat het pure eigen belang van de militairen betrof. Maar daar werd het woord ‘revolutie’ aan gegeven met alle holle retoriek die daarbij kwam kijken. Terwijl zogenaamd de macht van de oude politieke elite was wegge­nomen ten gunste van het volk, diende zich al heel snel een andere machts­elite aan. Een die niet terug­deinsde voor grove mensen­rech­ten­schen­dingen als foltering en moord; zelfs niet voor het uitvechten van onder­linge ruzies via een binnen­landse oorlog en het plegen van oorlogs­mis­daden. Daarmee staken de macht­hebbers de door hen zo verfoeide witte koloniale heersers naar de kroon.

De ‘oude politieke elite’ gebundeld in het Nieuw Front keerde terug, met als niet-benij­dens­waardige taak puin te ruimen in het totaal ontwrichte land. Ondanks het feit dat zij erin slaagde enige stabi­liteit te creëren, kon zij de kiezer niet aan zich binden. Het woord “nieuw” bleek een loze belofte. Er was geen oog voor de nieuwe realiteit; vernieuwing en verjonging van de politieke leiders bleven uit.

De taal die de huidige politieke macht­hebbers uitslaan, staat bol van loze kreten en beloftes. Bestrijding van corruptie waar zij de voorgangers van betichtten, zou de hoogste prioriteit hebben. Echter, corruptie heeft nog nooit zo groot­schalig en zo ongege­neerd getierd als nu. Met de kreet Soso Lobi(alleen maar liefde) wordt gestrooid. Liefde voor wie? Zichzelf of het volk? Nu maakt Suriname zich op voor verkie­zingen op 25 mei aanstaande. Zeer belang­rijke verkie­zingen. Hopelijk vrije en eerlijke verkie­zingen. Dat is de belofte van een democratie. Maar het voorspelt weinig goeds dat het D‑woord ook in de naam van de regerings­partij voorkomt, waarvan de leider zich een godde­lijke status heeft toege­meten en zichzelf en de elite om hem heen boven gewone mensen­wetten plaatst. Je zou bijna denken dat dit niet werkelijk kan zijn en dat we naar een film zitten te kijken.

Ik wijs degenen die gaan stemmen op 25 mei graag op de volgende woorden uit het prachtige Kasmé wadé pyár wafá uit de film Upkár:    

देते हैं भगवान को धोखा, इनसां को क्या छोड़ेंगे

Dété hai bhagwán kó dhókhá
insán ko kyá chhódenge

Ze bedriegen zelfs God,
zouden ze dan mensen sparen

Beluister op youtube het lied: Kasmé wadé pyár wafá

TOP