'In dienst van Hare Majesteit'

Hans Ramsoedh

Wapeninstructie aan Surinaamse militairen in Australië 1944–1945

De Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog is een belangrijk onderdeel van het collec­tieve Nederlandse bewustzijn. Met collectief bewustzijn wordt bedoeld dat mensen een bepaalde voorstelling hebben over de samen­leving waarvan zij deel uitmaken. Die voorstelling is collectief omdat de beelden uit het verleden in het socia­li­sa­tie­proces (zoals onderwijs) worden overge­dragen en daarmee min of meer worden bestendigd. Op 5 mei 1945 werd Nederland bevrijd. Sinds 1946 vindt in Nederland op 4 mei de Nationale Dodenherdenking plaats. Met de onthulling van het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam in 1956 wordt vanaf 1961 deze herdenking op deze plek gehouden. Aanvankelijk werden alleen de Nederlandse slacht­offers tijdens de Tweede Wereldoorlog herdacht. Sinds enkele jaren worden alle Nederlandse slacht­offers sinds de Tweede Wereldoorlog herdacht. Het gaat om militairen en burgers die stierven in oorlogs­si­tu­aties en bij vredes­ope­raties. Op deze dag hangt de Nederlandse vlag (zonder wimpel) halfstok en tussen 20.00 en 20.02 uur houdt iedereen twee minuten stilte in acht. In verband met het corona­virus zijn de 4‑mei Herdenkingen dit jaar afgelast.

Voor veel allochtone groepen (in het bijzonder Surinaamse en Antilliaanse) is de 4‑mei Dodenherdenking echter nog steeds vooral een autochtone aange­le­genheid, terwijl ook hun voorouders een rol hebben gespeeld in deze oorlog. Bij hen is weinig bekend over de bijdrage van Suriname en Surinamers aan de Tweede Wereldoorlog. De Surinaamse activist Anton de Kom was actief in het Nederlandse verzet en overleed in een Duits concen­tra­tiekamp. Het themapark Madurodam in Den Haag is een levende herin­nering aan de uit Curaçao afkom­stige verzetsman en oorlogsheld George Maduro die eveneens in een Duits concen­tra­tiekamp omkwam. Ook bij de Nederlandse bevolking is weinig bekend over de bijdrage van de Rijksdelen in de West aan de Tweede Wereldoorlog. Dit hangt samen met het feit dat in tegen­stelling tot Nederlands-Indië Suriname en de Antillen niet bezet zijn geweest, reden waarom er lange tijd geen aandacht is geweest voor deze landen in relatie tot de Tweede Wereldoorlog.

De Goslar en inter­ne­ringen

Iedere Surinamer kent wel de Goslar, een schip dat op z’n zij ligt midden in de Surinamerivier voor de haven van Paramaribo en weet dat het iets te maken heeft met de oorlogs­jaren. De Goslar was een Duits vracht­schip dat in 1939 na het uitbreken van de oorlog naar het toen nog neutrale Paramaribo was uitge­weken. Na de Duitse bezetting van Nederland in mei 1940 werd de Duitse bemanning geïnter­neerd, maar een van de beman­nings­leden slaagde erin de luiken open te zetten. Het schip maakte slagzij en de bemanning voorkwam daarmee dat het schip in Nederlandse handen viel. De Goslar heeft nog steeds een perma­nente en promi­nente plek in de haven van Paramaribo. Gelijk na de Duitse bezetting werden alle in Suriname woonachtige 160 Duitsers (zende­lingen van de EBG-kerk) geïnter­neerd in een klooster aan de Copieweg. Daarnaast werden in 1942 146 uit Nederlands-Indië overge­brachte Indische NSB-ers geïnter­neerd in een inter­ne­ringskamp op Jodensavanne. Bij de totale groep geïnter­neerden hoorde nog een groep van 55 Nederlandse dienst­wei­ge­raars uit Zuid-Afrika. Na de Duitse bezetting van Nederland werden alle Nederlandse dienst­plich­tigen in het buitenland opgeroepen voor militaire dienst in de Prinses Irene Brigade in Canada. Bij de dienst­wei­ge­raars uit Zuid-Afrika ging het om in de jaren dertig naar Zuid-Afrika geëmi­greerde Nederlanders die de Nederlandse natio­na­liteit hadden behouden.

Suriname’s bijdrage aan de oorlog

Ondanks de Duitse bezetting van Nederland ging het leven in Suriname zijn gewone gang. Die houding veran­derde toen de jurist Hugo Pos (later oud-rechter in Suriname en in Nederland) uit bezet Nederland ontsnapte en via Engeland en Canada naar Suriname reisde waarbij hij op een drukbe­zochte bijeen­komst in theater Bellevue een treffend beeld had gegeven van wat in Nederland was gebeurd. Er meldden zich prompt vierhonderd vrijwil­ligers voor de Prinses Irene brigade in Canada. Deze brigade zou worden ingezet om Nederland te bevrijden. De Nederlandse regering in Londen zag echter af van de diensten van deze vrijwil­ligers in Suriname omdat, zoals de Nederlandse staats­his­to­ricus Lou de Jong schrijft (Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 9, Eerste helft, 1979: 487), zij vreesde dat Nederlandse militairen met een Zuid-Afrikaanse achter­grond binnen de brigade aanstoot zouden kunnen nemen aan de aanwe­zigheid van gekleurde troepen. Een merkwaardige opstelling van de Nederlandse regering in balling­schap waarbij de gevoelens van Nederlandse Zuidafrikanen belang­rijker werd geacht dan de bijdrage van gekleurde troepen uit de West bij de bevrijding van Nederland. Enkele tientallen Surinaamse militairen, die al voor de oorlog deel uitmaakten van de Nederlandse marine of de Prinses Irene Brigade, zouden uitein­delijk betrokken raken bij de gealli­eerde verovering van de Schelde en Zeeuws Vlaanderen. Door de Surinaamse bevolking werd geld ingezameld voor de gealli­eerde oorlog­voering. In 1941 werd het Spitfirefondsopgericht waarbij door geldin­za­me­lings­acties en loterijen geld bijeen werd gebracht voor de aankoop van een Spitfire gevechts­vliegtuig en een torpe­do­jager. Daarnaast werd er ook geld ingezameld voor voedsel­pak­ketten voor krijgs­ge­vangen Nederlandse militairen en hulpgoe­deren voor de Nederlandse bevolking gedurende de bezet­tings­jaren.

Ook de econo­mische bijdrage van Suriname was belangrijk. Zo waren de bauxiet­mijnen in Suriname van vitaal belang voor de Amerikaanse oorlogs­in­du­strie. De Surinaamse bauxiet­pro­ductie voorzag in ruim zestig procent van de behoeften van de Amerikaanse oorlogs­in­du­strie. De Amerikanen hadden echter weinig vertrouwen in de militaire kracht van in Suriname gelegerde Nederlandse troepen om de bauxiet­mijnen tegen mogelijke vijan­de­lijke aanvallen te beschermen. Om die reden werden gedurende de oorlogs­jaren circa tweeduizend Amerikaanse militairen in Suriname gelegerd ter bescherming van de bauxiet­mijnen. In het Caraïbisch gebied waren namelijk Duitse onder­zee­boten actief die aanvallen uitvoerden op schepen met bauxiet en olietankers. Ongeveer tweehonderd Surinamers meldden zich aan als gunners voor de bediening van het afweer­ge­schut op koopvaar­dij­schepen die olie, bauxiet of voedsel vervoerden van de Verenigde Staten naar Europa of het Caraïbisch gebied. Daarbij kwam een dertigtal Surinamers om.

Amerikaanse militairen arriveren in Paramaribo in 1941

De blimp op vliegveld Zorg en Hoop om vijandige schepen op te sporen

In Suriname zelf zouden geen gevechts­acties plaats vinden. In de Caraïbische regio werd de oorlog vooral op zee uitge­vochten. Met het uitbreken van de oorlog werd in 1942 in Suriname de dienst­plicht ingevoerd. Het was de bedoeling een Surinaamse landmacht samen te stellen van ongeveer vijfduizend leden (op een bevolking van 167.000) waarbij 3.500 schutters zouden worden klaar­ge­stoomd voor de bevrijding van Nederland. Eind 1942 telde de krijgs­macht 2.431 personen onder wie 1.359 Creolen, 397 Hindostanen, 266 Javanen en 384 Europese militairen. Onder Hindostanen en Javanen was de animo voor indienst­neming vrij gering. Het grootste deel van hen was woonachtig op het platteland, vond een bestaan in de klein­landbouw en iedere arbeids­kracht was hard nodig in deze econo­mische sector. Vanwege hun onmis­baarheid voor de klein landbouw­sector konden Hindostanen en Javanen makke­lijker dan Creolen onder de dienst­plicht uitkomen.

Decoratie van militair door prinses Juliana tijdens haar bezoek in Suriname in 1943

Voor de uitzending overzee van de Surinaamse troepen was er echter één belangrijk obstakel. De Surinaamse koloniale grondwet van toen bepaalde namelijk dat bij uitzending van troepen buiten het eigen grond­gebied toestemming was vereist van de Staten van Suriname. Dat college weigerde echter zijn medewerking omdat het al enkele jaren overhoop lag met de autori­taire gouverneur Kielstra. Het gevolg was dat slechts op vrijwillige basis Surinaamse militairen konden tekenen voor uitzending overzee. Uiteindelijk zou de grootste groep Surinaamse vrijwil­ligers (circa vijfhonderd rekruten) in 1944 worden overge­bracht naar Australië om van daaruit deel te nemen aan de strijd tegen de Japanners in Nederlands-Indië. Na de Japanse capitu­latie zouden de Surinaamse militairen door Nederland worden ingezet tegen de Indonesische onafhan­ke­lijk­heids­strijders.

Aankomst Surinaamse militairen in Australië in 1945

In dienst van Hare Majesteit

Srigobind Ramsoedh (mijn vader), was in 1942 een van de dienst­plich­tigen. Hij was toen 21 jaar, getrouwd, had twee kinderen en woonde nog in groot familie­verband op het platteland aan de rand van Paramaribo (Half Flora). Hij en zijn ouders vonden een bestaan een klein­landbouw. Ondanks zijn gehuwde status moest hij zijn militaire dienst­plicht vervullen. Als dienst­plichtige was hij vooral belast met verde­diging van de kust en vitale gebouwen in de hoofdstad. Na beëin­diging van de oorlog werden alle Surinaamse dienst­plich­tigen gedemo­bi­li­seerd. Een uitzon­dering gold voor de Surinaamse dienst­plich­tigen, zoals mijn vader, die deel uitmaakten van de militaire kapel. Die kregen de mogelijkheid om als beroeps­mi­litair te tekenen. Een militaire kapel is namelijk een noodza­kelijk onderdeel van het leger vanwege de talrijke ceremo­niële plech­tig­heden. Als dienst­plichtige was mijn vader trompettist bij de militaire kapel. Hij greep de mogelijkheid aan om tot aan zijn pensi­o­nering begin jaren zeventig te kiezen voor een carrière als beroeps­mi­litair. Ik heb het met hem nooit gehad over deze keuze, maar ik sluit niet uit dat die hem de mogelijkheid bood om te ontsnappen aan het harde bestaan in de klein­landbouw, met zijn gezin een eigen leven op te bouwen los van het leven in groot familie­verband en tot opwaartse mobiliteit. Hij heeft er nooit spijt van gehad.

Militaire kapel in Suriname omstreeks 1.950

Begin jaren vijftig kreeg hij de mogelijkheid om zich in Nederland verder te scholen als beroeps­mi­litair. Het zou voor hem betekenen dat hij met zijn gezin voor enkele jaren naar Nederland moest vertrekken, daarom zag hij af van een verdere militaire scholing. Zowel de ouders van mijn vader als die van mijn moeder zagen het niet zitten dat zij hun oudste zoon en dochter voor een aantal jaren zouden moeten missen. Hij legde zich neer bij het verzet van de ouders. Het noodge­dwongen afzien van een militaire vervolg­op­leiding in Nederland betekende uiteraard een beperking van zijn carrière in het Nederlandse leger (Troepenmacht in Suriname –TRIS) in Suriname. Hij bleef daardoor tot aan zijn pensi­o­nering tot de groep van onder­of­fi­cieren binnen de TRIS. Ik geloof niet dat hij er ooit spijt van heeft gehad. Hij was een familieman en de familie was hem dierbaar. Als oudste zoon had hij ook de rol van de pater familias in de familie.

Srigobind Ramsoedh

Hij had als beroeps­mi­litair de klassieke (Nederlandse) militaire doctrine geïnter­na­li­seerd, dat wil zeggen dat militairen zich afzijdig dienen te houden van de politiek; de politiek is er voor politici en niet voor militairen. Het betekende dat bij ons thuis geen vlag van een politieke partij tijdens verkie­zingen mocht worden opgehangen. En als hij bij wijze van hoge uitzon­dering toch naar een politieke partij­bij­een­komst tijdens de verkie­zingen in de buurt ging, dan koos hij op desbe­tref­fende locatie een onopval­lende plek uit. Militairen liepen namelijk de kans op een berisping door de militaire leiding als bekend werd dat zij op politieke bijeen­komsten waren gesig­na­leerd. Niet zozeer de politieke boodschap interes­seerde hem, maar vooral de torie’s [zoetsappige verhalen] in de vorm van modder­gooien naar en het belachelijk maken van politieke tegen­standers. Hij was ook trots op zijn beroep, en het koningshuis was hem dierbaar, of zoals hij het altijd zei: ‘Ik ben niet in dienst van de Nederlandse regering, maar in dienst van Hare Majesteit de Koningin.’

Surinaamse militairen op Bosbivak (links Srigobind Ramsoedh)

Nadat hij begin jaren zeventig met pensioen ging droeg hij met verve zijn militaire onder­schei­dingen. Hij kon daar soms smeuïge verhalen over vertellen. Zo vertelde hij een keer dat hij op Schiphol door een (autochtone) marechaussee werd aange­houden met de vraag hoe hij aan de militaire onder­schei­dingen kwam. Het is namelijk alleen aan (oud) militairen toege­staan deze insignes te dragen. Hij voelde zich enigszins in zijn trots gekrenkt omdat in zijn beleving de marechaussee er naar alle waarschijn­lijkheid vanuit ging dat hij ergens op een rommel­markt aan de onder­schei­dingen was gekomen. Op de vraag van de marechaussee stelde hij een weder­vraag namelijk hoe oud deze was. Na enige aarzeling noemde de marechaussee zijn leeftijd waarop mijn vader hem antwoordde dat hij al in het leger zat toen de destref­fende marechaussee nog geboren moest worden. Hij had het gevoel dat hij op zijn manier de marechaussee op zijn nummer had gezet. Hij kon ook hartelijk lachen toen hij een keer in Nederland in juli op bezoek was ten tijde van de Nijmeegse Vierdaagse. Op de televisie is dan veel aandacht voor dit festijn. Een van mijn neefjes vroeg in zijn onschuld aan hem of Baba [opa] ook de Vierdaagse had gelopen, dit vanwege de medailles op zijn colbert.

In onze woonkamer (voorzaal) in het ouderlijk huis hing een ingelijste stamboom met foto’s van de Koninklijke familie sinds 1815. Die stamboom eindigde bij de foto’s van de vier nog jonge dochters van prinses Juliana en prins Bernhard. Die ingelijste stamboom zou tot aan zijn dood in de woonkamer blijven hangen en symbo­li­seerde zijn band met het Huis van Oranje. Ik sluit niet uit dat de stamboomfoto aan alle gekleurde beroeps­mi­li­tairen in Suriname werd verstrekt wellicht als een vorm van inbur­gering in de Nederlandse cultuur en geschie­denis. Ondanks dat ik voorstander ben van de republi­keinse staatsvorm koester ik enige sympathie voor het Koningshuis in Nederland. Het zal naar alle waarschijn­lijkheid te maken met de warme gevoelens voor dit huis in het ouderlijk huis. Zijn beroep had ook zijn weerslag op zijn opvoe­dings­stijl. Hij liet zich leiden door het principe van Ordnung muss sein, en waarden en normen als stiptheid, afspraak is afspraak, een woord is een woord, directheid, netheid, opgeruimdheid. Conflicten met opgroeiende kinderen waren dan ook niet uitge­sloten.

Militaire onder­scheiding door de bevel­hebber van de TRIS. 3e van links Srigobind Ramsoedh

Inclusieve herdenking

Ik keer hier terug naar de rol van Suriname en Surinamers bij de Tweede Wereldoorlog. Al enkele decennia proberen Surinaamse groepen het exclu­sieve karakter van de herdenking in Nederland te doorbreken door aandacht te vestigen op ook hun aandeel in de bevrijding van Nederland. In 1995 werd aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam een monument onthuld met daarop de namen van de omgekomen (Surinaamse) zeelieden in dienst van de KNSM tijdens de oorlogs­jaren. Surinaamse oorlogs­ve­te­ranen krijgen thans een uitno­diging voor de Nationale Dodenherdenking op de Dam. In het Verzetsmuseum in Amsterdam is er nu ook aandacht voor de rol van Surinamers, Antillianen en Arubanen in het verzet in Nederland. Dit soort initi­a­tieven kan zeer zeker bijdragen aan herkenning en erkenning van een gezamen­lijke strijd, zodat in het collec­tieve Nederlandse geheugen bij het herdenken van de oorlog en het vieren van de bevrijding ook de inspan­ningen en verhalen van Surinamers en Antillianen aan bod komen. Hierdoor kan worden bereikt dat 4 mei in Nederland een inclusief karakter krijgt met daarbij aandacht voor gekleurde Nederlanders die in dienst waren van Hare Majesteit de Koningin.

Foto’s: Hans Ramsoedh

TOP