Iding Soemita: de eerste politiek leider van Javanen in Suriname

Prof. Chan E.S. Choenni

Chan Choenni

Inleiding
Bapak Hadji Iding Soemita was de eerste politiek leider van de Javaanse bevolkings­groep in Suriname. Hij werd door de Javanen meestal aangesproken met de titel Bapak; in het Javaans betekent dat gerespecteerde man. Hij had de hadj (moslimbedevaart) gedaan in Mekka en droeg daarna trots de titel Hadji. Iding Soemita werd in 1908 geboren in Indonesië en arriveerde als contractarbeider in Suriname in 1925. Hij overleed in 2001 op 93-jarige leeftijd. Gedurende 25 jaar  tussen 1946 en 1970  was Soemita de markante Javaanse politiek leider in Suriname. In het bijzonder in de jaren vijftig en zestig toen de zogeheten verbroederingspolitiek dominant was, behoorde hij tot de drie grote leiders van Suriname. Hij was naast Johan Pengel en Jagernath Lachmon respectievelijk leider van de Volkscreolen (Afro-Surinamers) en de Hindostanen de populaire voorman van de Javanen. In Suriname werden deze leiders beschouwd als voorstanders van de verbroederingspolitiek. Kortweg hield dat in dat de verschillende bevolkingsgroepen hun eigen cultuur konden behouden, in harmonie met elkaar moesten leven en zouden samenwerken op politiek vlak voor de opbouw van een multicultureel Suriname. Culturele assimilatie en etnische polarisatie werden afgewezen. Toen in de jaren zestig in het buurland Guyana rassenrellen woedden, bleef Suriname mede door deze verbroederingspolitiek bespaard van bloedige etnische conflicten.

Soemita ontpopte zich al vanaf eind jaren dertig binnen de Javaanse groep als een leider. Hij representeerde in geheel eigen stijl de Javaanse bevolkingsgroep. Soemita was ook de eerste populaire leider van de Javanen. In de jaren dertig en veertig had hij in Salikin Hardjo een politieke rivaal. Hardjo was een prominente Javaanse intellectueel die soms onder een schuilnaam artikelen schreef, maar hij was minder populair dan Soemita. De Javanen vormden in de jaren vijftig tot de jaren zeventig ruim 15 procent (60.000 personen) van de Surinaamse bevolking. Maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Hindostaanse groep groeide de Javaanse groep nauwelijks in aantal. In 2004 bedroeg het aantal Javanen in Suriname ruim 70.000. De vraagstelling in dit artikel is:

Wie was Iding Soemita en welke politieke idealen had hij? Welke rol heeft hij gespeeld in de Surinaamse politiek en wat waren zijn verdiensten?

Aankomst van Javaanse immigranten in Suriname.

Achtergrond
Iding Soemita arriveerde in Suriname op 25 oktober 1925 op 17-jarige leeftijd als contractarbeider met het schip Karimoen III. Hij was 1,60 meter lang en diende zijn contract uit van 1925 tot 1930 op de suikerplantages Mariënburg en Zoelen in het district Commewijne. Voor zover bekend had Soemita een geringe ‘westerse’ schoolopleiding genoten. Toch kon hij wel op enige vorming en ontwikkeling bogen, omdat hij vrij snel tijdens zijn contractperiode werd aangesteld als ziekenverpleger (oppasser). Later vestigde Soemita zich als winkelier in Paramaribo (Breunissen 2001: 43). Soemita heeft geen aanvullende cursussen of studies gevolgd en kon geen teksten schrijven in het Nederlands. Wel heeft hij zich het zogeheten Hoog Javaans (de formele Javaanse taal) eigen gemaakt. Het toespreken van zijn aanhangers in het Hoog Javaans werd hogelijk gewaardeerd. Zijn geringe westerse opleiding was geen beperking om toentertijd de politiek leider van de Javaanse groep te worden. Soemita koos in 1949 de geslachtsnaam Iding (zie: Ga het na: Historische database Javanen). De naam Iding werd echter als voornaam gebruikt en Soemita werd de achter­naam/familienaam.

Soemita stelde vaak vol trots dat hij uit het gebied Soenda (in West-Java) afkomstig was. Dit gebied van het dichtbevolkte eiland Java ligt dichtbij het eiland Sumatra waar de Islam op strenge wijze wordt gepraktiseerd. Als Soendanees praktiseerde Soemita het islamitische geloof intensief. Dat heeft overigens nauwelijks een rol gespeeld bij de vertegenwoordiging van de Surinaamse Javanen, die bijna allemaal uit streken van Java afkomstig waren waar de Islam minder streng werd nageleefd.

Iding Soemita

Belangenbehartiger en zaakwaarnemer
Na zijn contractperiode bleef Soemita op de suikerplantage Mariën­burg enige tijd als ziekenverpleger in die dagen een beroep met aanzien werken. Hij maakte het harde bestaan en het leed mee van de Javaanse arbei­ders op de suikerplantages Mariënburg, Zoelen, Backdam en Geertruidenberg. De slechte levensomstandigheden, de onheuse bejegening en vooral het heimwee naar Java die hij bij hen signaleerde, leidden ertoe dat hij zich hun lot aantrok. Soemita profileerde zich weldra als belangenbehartiger en zaakwaarnemer van de Javanen. De onwaardige wijze waarop overleden contractarbeiders – zonder bijbe­horende rituelen – werden begraven was voor hem aanleiding om een voorstel voor een begrafenisfonds te lanceren. De uitvoering van rituelen bij de begrafenis die natuurlijk ook geld kosten zouden door dit fonds worden gedekt en het ongeorganiseerde begrafeniswezen werd op de plantages succesvol georganiseerd. Met de oprichting van dit fonds dat hij de naam Gotong Royong (dat betekent samen optillen, gezamenlijk een klus klaren) gaf – verwierf hij op Mariënburg en omstreken grote populariteit. Soemita werd gaandeweg een geliefd leider van de Javanen en de verspreider van verdraagzaamheid, eensgezindheid en saamhorigheid onder zijn mensen. Soemita genoot ook veel waardering onder de Javaanse vrouwen omdat hij aandacht besteedde aan hun gezondheidssituatie. Toentertijd stierven relatief veel Javaanse vrouwen als gevolg van complicaties bij de zwangerschap en/of rondom de bevalling. Soemita informeerde overal in het district Commewijne welke vrouwen zwanger waren en bewerkstelligde vervolgens dat zij onder toezicht kwamen van een arts. Soms nam hij een zwangere vrouw zelf mee naar een arts. Ook leden veel Javanen aan de oogziekte trachoom. Hij drong bij hen aan op het vroegtijdig inroepen van medische hulp voor deze oogziekte die kon leiden tot blindheid.

Een 82-jarige informante mevrouw Bachnoe die haar jeugd op Mariënburg had doorgebracht vertelde in 2006 dat oppasser Soemita zeer geliefd was bij de Javaanse vrouwen en werd ‘vereerd‘ (bahut o ke mán kare) om zijn inzet en hulpvaardigheid.

Ook op het terrein van verbetering van de ar­beids­­omstandigheden was Soemita actief. De districts­commissaris had toentertijd de bevoegdheid de wet toe te passen bij werkweigering, verzuim en arbeids­conflicten. Wanneer Javaanse arbeiders voor de districtscommissaris moesten verschijnen in verband arbeidsconflicten werden zogeheten lurah’s (Javaanse opzichters) ingeschakeld. De lurah’s werden aangesteld door de overheid en traden ook op als tolken. Vooral de onheuse bejegening van de arbeiders door deze lurah’s was een doorn in het oog van Soemita. Zij werden beschouwd als handlangers van het koloniaal bestuur en Soemita werd een felle tegenstander van hen. Hij vond dat de Javaanse arbeiders hun bevelen niet hoefden te volgen.

Mulih Ndjowo/Terugkeer naar Java
Iding Soemita ontwikkelde zich naast belangen­behartiger van de Javaanse contractarbeiders lang­zamerhand tot politiek leider van de Javaanse bevolkingsgroep (Hoefte 1990: 15; Derveld 1982: 42). Het feit dat Soemita een contract­arbeider was en niet geboren in Suriname heeft een belangrijke rol gespeeld in zijn politieke opstelling. Aan de Javaanse contractarbeiders was beloofd dat zij na hun contractperiode direct konden terugkeren naar Nederlands-Indië (Indonesië). De koloniale overheid kon echter de massale terugkeer van de ruim 33.000 Javaanse contractarbeiders niet waarmaken. Soemita heeft de activiteiten van de vrijheidsstrijder Anton de Kom in het begin van de jaren dertig, die onder meer de Javanen beloofde hun terugkeer naar Java te helpen bewerkstelligen, op de voet gevolgd. Hij was toen echter nog niet zo ervaren. Vanwege zijn geringe beheersing van het Nederlands en Sranantongo kon hij tijdens de demonstraties tegen de koloniale overheid waarbij ook Javanen waren betrokken nog geen belangrijke rol spelen.

De terugkeer van Javanen naar hun vaderland bleef echter vele jaren een belangrijk politiek thema. De koloniale overheid maakte de terugkeer van slechts kleine aantallen contractarbeiders mogelijk, terwijl beloofd was dat alle Javanen na hun contract op kosten van de koloniale overheid konden terugkeren. Soemita wierp zich steeds meer op als belangenbehartiger en hamerde erop dat de Nederlandse overheid de gedane belofte niet nakwam. Hij verweet de autoriteiten dat ze laks waren met het regelen van het scheepstransport voor de terugkeer. Daardoor konden veel Javanen na het uitdienen van hun contract niet onmiddellijk naar Java terugkeren (Hoefte 1990: 18). Soemita predikte met verve de terugkeer van Javanen uit Suriname naar Java. Dat werd in het Javaans Mulih Ndjowo genoemd. Vol enthousiasme en overtuiging bezocht Soemita de verschillende districten in Suriname om de teleur­gestelde Javanen te mobiliseren en toe te spreken. Er werd ook een spaarfonds opgericht om de terugkeer te realiseren. Javanen die heimwee hadden naar Java spaarden daar hun geld. Soemita was samen met de Hindostaanse jurist Ashruf Karamat Ali beheerder van dit spaarfonds. Karamat Ali was namens (de Javaanse politieke partij) KTPI ook jarenlang parlementslid. Samen met zijn kompaan Soemita werd hij echter halverwege de jaren vijftig beschuldigd van verduistering van deze spaargelden. Beiden werden veroordeeld en kort gevangengezet. Veel gedupeerde Javanen waren echter zo loyaal aan Soemita dat zij de verduistering van hun spaargeld niet zo erg vonden. Zij eisten directe vrijlating van Soemita.

Van de 32.956 Javanen die tussen 1890-1939 naar Suriname kwamen, keerden 7.684 contractarbeiders terug; dat is 23,3% van het totaal (Hoefte 1998: 122). Tevens keerden later (in 1955) ongeveer 1.000 Javanen onder leiding van de eerdergenoemde Salikin Hardjo terug met het grote moderne stoomschip Langkoeas. Zij vestigden zich op het eiland Sumatra. Een klein aantal Javanen vestigde zich in 1956 in Frans-Guyana.

Javaanse immigratiemonument.

Politieke profilering
De contacten die Soemita onderhield met con­tract­arbeiders die met nationalistische ideeën uit Indonesië in Suriname aankwamen, stimuleerden hem om zich politiek te profileren voor de “Surinaams-Javaanse” zaak. Vooral de Javaanse arbeiders die niet als con­tractarbeiders, maar op vrijwillige basis in 1939 met het stoomschip Djember aankwamen in Suriname, hebben Soemita geïnspireerd om ook de onaf­hankelijkheid van Indonesië actief te promoten. Soemita nam de slogan “Hidup Merdeka” (onaf­han­kelijkheid van Indonesië nu) van de Indonesische leiders Soekarno en Hatta over en werd promotor van de Indonesische onafhankelijkheid. Langzamerhand kreeg Soemita bij zijn volgelingen ook het imago van een Merdeka-figuur (onafhankelijk­heidsfiguur) tegenover de koloniale overheid.

In 1946 betrad Soemita actief het politieke toneel bij de oprichting van de Hindostaans-Javaanse Politieke Partij (HJPP). Johannes Mungra, de prominente organisator van de Verenigde Hindostaanse Partij (VHP) die in januari 1949 werd opgericht had al in 1946 de aandacht op Soemita gevestigd als de beste vertegenwoordiger van de Javanen in de HJPP. De Hindostaanse leider Jagernath Lachmon, die voorzitter van de HJPP werd, wees Soemita echter af. Hij achtte Soemita op dat moment niet geschikt om de Javaanse groep te vertegenwoordigen. Lachmon gaf de voorkeur aan Samsi, een Javaanse activist, als vertegenwoordiger van de Javanen (Azimullah 1986: 43). Waarschijnlijk was de geringe westerse opleiding van Soemita de reden van deze afwijzing. De HJPP ijverde voor een evenredige vertegenwoordiging van Hindostanen en Javanen tijdens besprekingen in Nederland over staatkundige veranderingen in Suriname. Dat Soemita niet in het bestuur van de HJPP werd opgenomen werd door hem als een grote belediging ervaren. Op 2 juli 1946 werd mede hierom in Paramaribo de “Naggih Djandjie” vergadering belegd. Een op Indonesië gerichte organisatie met de naam de Persatuan Indonesia (Verenigd Indonesia), afgekort P.I., werd ter plekke opgericht. De P.I. stelde zich ten doel om de gedane beloften door de Nederlandse regering aan de Javanen om na hun contractperiode naar Indonesië terug te keren in te lossen.

In Suriname woedde toen de discussie over de invoering van algemeen kiesrecht. Er werden veelal etnische partijen opgericht. Op 28 november 1947 werd Soemita door zijn achterban in Dessa (bij Lelydorp, waar veel Javanen woonden) uitgenodigd om tekst en uitleg te geven in welke mate de belangen van de Javanen beter zouden kunnen worden behartigd indien de P.I. in een politieke partij zou worden omgezet.

Oprichting van de KTPI
Soemita stelde voor de naam P.I. te veranderen in Koran Tuntunan Pustaka Islam, hetgeen betekende de Koran is de leer van de Islam, afgekort KTPI. Hoewel de naam de geest van het geloof van het overgrote deel van de Javanen ademde, vonden de aanwezigen de naam niet representatief genoeg voor de Javaanse bevol­kings­groep. Omdat het overgrote deel van de Javanen de kleine landbouw beoefende, werd na heftige discussie met de kollots (‘ouderen’) de naam veranderd in Kaum Tani Persatuan Indonesia (Verenigde Indo­nesische Boeren). Soemita richtte ook twee ondersteunings­groepen op, die toen bekend stonden als de Banteng Hitams (zwarte buffels) en de jonge militante groep de PRIS (Pagar Rakyat beschermer van het volk Indonesië Suriname). De Banteng Hitams in hun uniformen waren een soort beschermers en tegelijkertijd het decorum van hem tijdens zijn optreden. Met de oprichting van deze groepen had Soemita een kader waar hij op kon terugvallen. De advokaat S. Bissesur die op plantage Welgelegen/Visserszorg woonde waar veel Javanen waren gevestigd, vertelde over de Banteng Hitams het volgende:

Als kleine jongen heb ik meegemaakt dat Soemita arriveerde op onze plantage met om zich heen de Banteng Hitams in zwarte uniformen. De Javanen van onze plantage raakten heel sterk in de ban van Soemita. Niet alleen door zijn toespraak in netjes Javaans, maar ook door de uniformen en vlaggen. Soemita omringde zich ook met de geestelijke leiders. Men raakte erg onder de indruk. Soemita werd echt beschouwd als een verheven leider door deze Javanen.

Een jaar later werd onder grote publieke belangstelling op 28 november 1948 de KTPI in theater Luxor in Paramaribo officieel tot een politieke partij gepro­clameerd. Soemita werd groots onthaald, omringd door zijn bestuursleden en zijn tientallen Banteng Hitams. De Banteng Hitams kregen vervolgens de opdracht de KTPI niet alleen te propageren maar tevens actief aanhang en leden te werven. Volgens Van Wengen waren beide organisaties semi-militaristisch naar Indonesisch voorbeeld. De leden kwamen regelmatig bijeen voor fysieke trainingen en verrichtten controle­diensten bij bijeenkomsten en feestelijkheden. Aanhangers van ‘niet-gewenste groepen’ werden geweerd op bijeenkomsten (Van Wengen 1973: 213-216).

De politieke analist Kadi Kartokromo, die mij in 2008 in Suriname heeft geassisteerd bij het onderzoek naar Iding Soemita typeerde de Banteng Hitams en PRIS-leden als ‘de stoottroepen van Iding Soemita.’

Het volkslied van Indonesië, het Indonesia Raya, werd overal gepropageerd. Jong en oud moesten het leren. De bijeenkomsten werden plechtig geopend met het zingen van het Indonesia Raya. De rood-witte vlaggen van de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging moesten zoals door Soemita was verordonneerd, worden uitgestoken ten teken dat men achter dit streven stond. Het betrekken van jongeren en ouderen voor propaganda en ondersteuningsactiviteiten en het oprichten van verschillende organisaties in de districten was typerend voor zijn manier van politiek bedrijven. De organisaties moesten opkomen voor het Javaanse belang. De uniformen dienden als decorum om zijn imago te verbeteren en om de aanhankelijkheid van zijn achterban demonstreren. Overal benoemde hij een bestier (bestuur). Een dergelijk bestuur bestond uit zeer toegewijde oudere mannen die zijn opdrachten nauwgezet moesten opvolgen. Onbeduidende contributies, slechts ten teken van het behoren tot en een zekere vorm van discipline, moest men maandelijks bij een dergelijk bestier storten.

Spiritueel leider
Een belangrijke motivatie voor Soemita om het leiderschap van de Javanen op zich te nemen was het behoud van het islamitische geloof onder de Javanen. Soemita meende dat zijn strijd conform ‘de Wahjoegedachte’ door God was ingegeven. Hij zocht zijn aanhang vooral binnen religieuze organisaties. Hij praktiseerde de strenge vorm van Islam, maar tegelijkertijd kregen de Javaanse adat (zeden en gewoonten) en cultuur die meer gebaseerd zijn op de pre-islamitische periode zijn bijzondere aandacht. Zijn opvatting was dat de religie altijd boven de politiek moest staan. Een bekende uitspraak van Soemita luidde stem niet op mij maar stem op een Islamiet. Soemita wist dat Javanen trouw zijn aan hun opvoeding en cultuur en zich meestal vastklampen aan hun traditionele geloofsovertuigingen. Hij bestudeerde niet alleen de cultuur maar tevens de wetten van Rila. Volgens de Rila filosofie is het hoogste doel van de mens het streven naar een volmaakt leven door het doen van goede daden ten behoeve van de mens. Hij propageerde dan ook deze gedachte met verve en werd een spiritueel leider. Soemita heeft ook de begrippen Narima (tevreden zijn) en Sabar (geduld) op zijn eigen manier aan zijn volgelingen weten over te brengen. Het tevreden zijn en het geduld kunnen opbrengen moeten de basis zijn voor het leven van de mens. Hij was zowel een spiritueel als politiek leider geworden en veel aanhangers lieten zich gedwee door hem leiden. Dit werd buiten de Javaanse groep vaak niet goed begrepen. Ten opzichte van land- en lotgenoten stelde hij zich humaan en nederig op. Dat gaf hem een bijzondere uitstraling. Een andere uitspraak van Soemita luidde: Zelfs al zou slechts één partijgenoot mij trouw blijven, ik zal hem leiden.

Salikin Hardjo, de politiek tegensstander van Iding Soemita met zijn echtgenote.

Tegenstander Salikin Hardjo
Hoewel Soemita de dominerende politiek leider was, heeft hij van meet af aan politieke tegenstanders gehad. Zijn eerste tegenstander was Salikin Hardjo die ambtenaar was, opzichter bij de toenmalige Hygiënische Dienst. Salikin Hardjo had de rivaliserende partij PBIS (Pengkol Bangsa Indonesia Suriname; dat betekent partij van het Indonesische volk in Suriname) opgericht. Hardjo was goed geschoold en stelde zich superieur op tegenover de gewone Javanen. Daardoor verwierf hij minder aanhang dan Soemita. De strijd tussen Soemita en Hardjo om het leiderschap van de Javanen mondde uit in het voordeel van Soemita. Hardjo had in eerste instantie een organisatie opgericht om de Javanen geestelijk en economisch te helpen verheffen. Op instigatie van derden werd deze omgevormd tot de politieke partij PBIS. Voorafgaand aan de eerste algemene verkiezingen in 1949 stelden KTPI-ers onder leiding van Iding Soemita en PBIS-aanhangers zich heel vijandig tegenover elkaar op. Zelfs familieleden werden openlijk tot elkaars vijanden verklaard. Onderlinge boycotcampagnes tussen KTPI’ers en PBIS’ers kwamen voor, zoals het verbod om in winkels van de tegenpartij boodschappen te doen. De KTPI-leden hadden een groene lidmaatschapskaart. Vaak werd gevraagd naar de groene kaart en als men dat niet had, werd men verdacht gemaakt door het kader van de KTPI (Breunissen: 34-50; Derveld 1982: 40, 41). Vermeldenswaard is dat in 1948 de voorzitters van de KTPI en PBIS, respectievelijk Soemita en Hardjo, een verzoeningsvergadering in theater Bellevue belegden. Maar de meningen lagen te ver uit elkaar en deze poging tot samenwerking mislukte. De arrogante houding die Hardjo aannam tegenover Soemita had tot heftige strijd geleid. Een toenadering om samen het belang van de Javanen te behartigen was niet mogelijk, laat staan om een politiek blok te vormen. De animositeit tussen de aanhangers van beide partijen was bijzonder groot.

Bij de verkiezingen in 1949 verloor de PBIS van de KTPI. Hardjo verzamelde slechts 884 stemmen en Soemita kreeg 2.32S stemmen in het kiesdistrict Commewijne (Mitrasing 1959: 170). Hoewel Hardjo een westerse opleiding had genoten, miste hij de culturele bagage die hij nodig had om de Javanen achter zich te krijgen. Tevens was zijn nuchtere benadering van zaken in die tijd niet de juiste weg om de Javaanse gemeenschap te mobiliseren. Soemita appelleerde door zijn emotionele en zachtmoedige benadering beter aan de gevoelens. Volgens Breunissen was Hardjo een veel ernstiger persoon dan Soemita. In zijn redenvoeringen probeerde Hardjo de verschillende kanten van een zaak te belichten en hield genuanceerde toespraken.

Hardjo vertelde over de werkelijkheid, Soemita liet de mensen dromen (Breunissen 2001: 53).

Hardjo emigreerde in 1955 met een grote groep Javanen naar Indonesië. Zij kregen de kans van de Indonesische regering om een nieuw bestaan te beginnen op het eiland Sumatra. Zijn plaats werd in Suriname ingenomen door de heer S. Djojoprajitno. Hij was een felle tegenstander van Soemita, doch vanwege zijn nogal starre houding kon hij hem niet aan. Terugkijkend vanuit Indonesië meende Hardjo over Soemita dat hij best een aardige kerel was:

Hij was een beetje clownachtig. Hij hield van grappen maken. Als wij elkaar in dit tijd tegen kwamen, spraken we gewoon met elkaar. Hij was een politieke tegenstander, maar we hebben nooit ruzie gemaakt. Ruzie maakten de leden (Breunissen 2001: 33).

Blindelings vertrouwen
Soemita had een bijzondere manier van politiek bedrijven. Door zijn woorden zorgvuldig te kiezen en bescheiden te blijven dwong hij respect af bij zijn achterban. Soemita was een begenadigd spreker die zijn toehoorders wist te overtuigen. Gebruikmakend van zijn stem en zijn gesticulerende gebaren kreeg hij zijn gehoor in zijn macht en met grappen de lachers op zijn hand. Door zijn goed getimede optreden in het openbaar wist hij zijn achterban aan zich te binden. Vanwege zijn speciale gave om zijn achterban te kunnen overtuigen in alles wat hij beoogde werd hij vaak beschouwd als een mysticus. Er wordt beweerd dat Soemita een bijzondere tjekelan (kracht) bezat. Soms leek het alsof hij een toverkracht bezat. Een bekende bewering over hem is: Pae bezat een geweldige rebowo (geestelijke uitstraling) die velen niet bezitten.

Soemita werd de populaire leider van de Javanen, recht door zee met al zijn tekortkomingen. Meestal was zijn woord wet voor een belangrijk deel van de grotendeels ongeletterde Javaanse gemeenschap. Soemita kon “zijn mensen op hun gemak stellen” door hen gerust te stellen dat alles zeker goed zal komen wanneer je vertrouwen hebt in hem, aldus de politieke analist Kadi Kartokromo. Een aanhangster stelde:

Pak Iding heeft ons altijd gezegd dat wij niet bang hoeven te zijn, want alles komt terecht. Als hij zo tot ons sprak, leek het alsof hij ons had gehypnotiseerd. Hij sprak zeer overtuigend tot ons. Vandaar dat wij veel respect voor hem hadden (Mevrouw Marie van het dorp Canawapibo).

Maar Soemita kon “zijn” mensen ook gezellig onderhouden door te keuvelen over de dagelijkse bezigheden. De politieke toespraken van Soemita voor zijn achterban geven een aardige inkijk in zijn karakter en zijn optreden. Hij gebruikte vaak beeldspraak die alleen ingewijden konden volgen. Hij bracht via metaforen over hoe zijn politieke tegenstanders pogingen deden hem te dwarsbomen en hoe hij deze te boven kwam. Hierdoor kreeg hij veel bewondering van zijn trouwe partijleden die hem als de ware leider accepteerden. In de verschillende toespraken tot zijn landgenoten toonde hij zich meester in zijn vak.

Iding Soemita op oudere leeftijd.

Para sedulur (mijn lotgenoten)
Met zijn vaak schorre stem en zijn Soendanese tongval begroette hij zijn achterban altijd in het Hoog Javaans met zijn bekende groet: Para sedulur (mijn lotgenoten). Soemita wist op meesterlijke wijze zijn gehoor naar zijn hand te zetten door tijdens zijn toespraken zijn stem van timbre te veranderen om medelijden te wekken. Zo sprak hij op meeslepende wijze in het Hoog Javaans zijn achterban op Lasai (Nieuw Meerzorg in 1955) als volgt toe:

Para sedulur. Mijn politieke partner heeft mij willen breken. Hij heeft mij op allerlei manieren geprobeerd mij klein te krijgen, omdat ik populair ben geworden. Maar ik ben in de politiek gegaan, niet omdat ik het zo graag wil, maar het volk heeft mij gevraagd omdat ik een bijzondere kracht van God heb ontvangen (aku intohk Wahjoe). Ik heb verder hard mijn best gedaan om deze kracht te koesteren. Ik heb tot mijn eigen Ik (sing momong – awakkhu) gesproken. Ik heb gevast om kracht en bijstand. Maar zij die in de politiek om naam gaan, zullen het niet lang maken, want zij zijn niet eerlijk. Zij willen het volk misbruiken. Ik sta vandaag hier dankzij jullie. Jullie hebben mij geruggesteund in alles. Toen zij mij in het gevang wilden stoppen hebben jullie mij gesteund. Ik ben inderdaad gevonnist geworden, maar ik ben nog steeds jouw leider. Maar hij die mij klein wil krijgen is vandaag niet meer bij jullie. Ik zal en blijf bapak Soekarno bewonderen om zijn durf en positieve kracht om zijn volk te leiden. Bung Karno heeft veel geleden om zijn strijd tegen de wong Londo (overheersers) vol te houden. Hij werd verbannen en in de gevangenis gesmeten, doch was vastberaden. Hij was een gelovig mens. In zijn bedompte kamer riep hij om hulp aan Allah, de Almachtige. Hij heeft het volk gered door zijn geloof en doorzettingsvermogen. Laten wij met ons allen zijn voorbeeld volgen.

Soemita boog even zijn hoofd en ging door:

Para sedulur, ondersteun mij in mijn streven om jullie te leiden. Er zullen in de loop van mijn strijd teveel beproevingen zijn die ons proberen te verdelen. Denk maar aan mijn eigen medestrijders die vandaag hoog en droog hier naast mij zitten. Ik weet dat zij terug zouden komen, omdat ik mijn politieke vrienden die met mij overal zijn gegaan niet zal pesten. Neen. Ik heb ze allemaal nodig om mijn doel te bereiken. Zullen wij deze leden met veel respect begroeten. Ik heb verdriet als ik zo hoor hoe mensen mij proberen kwaad aan te doen. Ik laat alles aan mijn Almachtige over. Maar lotgenoten, wees gerust ik zal bij jullie blijven, al is er maar een die mij trouw blijft

Volgens Kadi Kartokromo was Soemita niet alleen een begenadigd spreker, maar hij betrok expliciet ook de vrouwen die op deze bijeenkomsten aanwezig waren in zijn toespraak. Ter illustratie een toespraak voor de bewoners van het dorp Canawapibo toen door zijn inzet een verzoek van de dorpsbewoners om grond langs de hoofdweg te bebouwen werd gehonoreerd door de overheid. Soemita begon zijn toespraak als volgt in het Hoog Javaans:

Para sedulur, ik ben vanmiddag hier gekomen om jullie te bedanken voor jullie ondersteuning. Aan de vrouwen mijn oprechte dank voor de wijze waarop zij voor mijn medewerkers hebben gezorgd. Jullie hebben ons verwend, terwijl wij jullie niets terug kunnen geven. Jammer, maar Allah zorgt voor ons allen. Geld heb ik niet om jullie te geven, want dat gaat zo op als ik van hier vertrek.

Soemita haalde zijn zakdoek te voorschijn en veegde zijn ogen schoon. Bijna snikkend vervolgde hij zijn toespraak.

Para sedulur, ik weet dat jullie echt hard moeten strijden om te leven. Inderdaad het is erg hard, maar we moeten volhouden, want wie bang is voor tegenslagen (godoh) zal niets bereiken. Mannen gaan jullie hard werken om vooruit te komen. Gaan jullie niet meer dobbelen. Stuur jullie kinderen naar school, want anders blijven jullie dom. Ik, neen, jullie hebben het verdiend, want… ik moet jullie mededelen dat jullie vanaf morgen langs de hoofdweg mogen wonen. Ons verzoek is goedgekeurd. Laten wij God danken voor ons geduld en het lang wachten (Kartokromo 2006: 56,57).

Imago
In 1950 werd Soemita in de krant De Surinamer van 21 maart 1950 toen hij een demonstratie leidde in Paramaribo als volgt getypeerd:

 Hij is een echte Javaanse figuur van 39. Mager en opverend als een spiraal, maar ook hoogvliegend en doelbewust strevend. Spreekt gebrekkig Nederlands wat aan hem niet te wijten is, maar richtte voor zijn landgenoten een avondschool op, waar hoofdzakelijk Nederlands wordt onderwezen. Door zijn organisatie zijn ook enige dessa-scholen opgericht. Soemita zelf heeft slechts de lagere school doorlopen, maar zijn natuurlijke aanleg dreef hem zelf naar voren in de maatschappij en daarmede voert hij ook zijn volk op tot een hoger peil van ontwikkeling.

Buiten de Javaanse groep had Soemita een minder betrouwbaar imago. Zo is Soemita beschuldigd van verduistering van spaargelden (25.000 gulden) samen met Karamat Ali en veroordeeld. Hij hoefde in 1956 niet lang in de gevangenis te verblijven en werd zelfs uit de gevangenis gehaald om als parlementslid te stemmen om de coalitie (regering) overeind te houden. Zoals eerder gezegd namen de meeste aanhangers het op voor Soemita en bleef hij ondanks zijn veroordeling populair onder de Javanen (Dew 1977:113,155).

Soms werd Soemita onbetrouwbaar gedrag verweten. Zo vertelde Emile Wijntuin, voormalig voorzitter van het Surinaamse parlement en Statenlid van de partij PSV, mij in 2008 het volgende:

Hij zou in 1955 samen met Soemita het kiesdistrict Coronie bezoeken in verband met de toenmalige verkiezingen. In dit kiesdistrict woonde een relatief grote groep Javanen. Hun stemmen zouden doorslaggevend kunnen zijn om de zogeheten Statenzetel te winnen. Wijntuin was de kandidaat van de partij PSV. De Statenzetel van het kiesdistrict Coronie werd altijd door de NPS werd gewonnen. Soemita ondersteunde Wijntuin en zei bereid te zijn om de Javanen in Coronie toe te spreken op een openbare vergadering. Er heerste veel enthousiasme onder de Javanen in Coronie en men verheugde zich op de toespraak van Soemita. Vol spanning wachtten de Javanen op de komst van hun leider Soemita. De reis naar Coronie nam toentertijd een halve dag in beslag. Om half vijf in de ochtend zou Wijntuin volgens afspraak Soemita thuis afhalen om samen te reizen naar Coronie. Na lang kloppen op de deur verscheen een half slapende vrouw die aan Wijntuin meedeelde dat Pae (de vader) naar Commewijne was vertrokken. Hij had niet had gezegd hoe laat hij zou terugkomen. Toen Wijntuin zonder Soemita in Coronie aankwam, bleken KTPI-aanhangers vlaggen te hebben uitgestoken. Toen men merkte dat Soemita niet was meegekomen was de teleurstelling groot. Er ontstond woede onder de Javaanse kiezers. De sprekers op de PSV-KTPI-vergadering werden uitgescholden in het Javaans en voor bedriegers uitgemaakt. De PSV verloor de verkiezingen in Coronie (zie ook: Wijntuin 1994).

Soemita vertoonde ook inconsistent gedrag. Zo bezocht hij Indonesië om de terugkeer van de Javanen daar te bepleiten. Terwijl hij terugkeer naar Indonesië predikte, keerde hij zelf curieus genoeg als niet in Suriname maar in Indonesië geboren burger, niet terug naar zijn vaderland. Hij nam zelfs op 18 juli 1950 de Nederlandse nationaliteit aan in tegenstelling tot meerderheid van Javanen die opteerden voor de Indonesische nationaliteit (Derveld 1982: 41, 44). Soemita bleef tot zijn dood in Suriname wonen. Toch geloofden zijn aanhangers in hem en hadden zij zelden commentaar op zijn inconsistent gedrag. Zijn aanhangers vertrouwden hem blindelings en dat had te maken de positie die hij had verworven binnen de Javaanse gemeenschap.

Functioneren in het Surinaams parlement
De Staten van Suriname (het Surinaamse parlement) telde van 1949 tot 1963 21 zetels. De Statenleden werden gekozen volgens het zogeheten meer­der­heids­stelsel: de partij met de meeste stemmen kreeg alle zetels van het kiesdistrict. Soemita was door dit kiesstelsel en het demografisch overwicht van het aantal Javanen in het kiesdistrict Commewijne verzekerd van twee Statenzetels voor zijn partij KTPI tot 1967.

Soemita werd in de Staten van Suriname niet beschouwd als een inhoudelijk bekwaam lid. Hij kon nauwelijks Nederlands lezen en begreep vaak de portee van de wetsvoorstellen niet. Niettemin had hij een machtspositie omdat de stem van de KTPI doorslaggevend kon zijn in de jaren vijftig en zestig in het toenmalige parlement. Men wist vaak niet of de KTPI en in het bijzonder Soemita voor of tegen zou stemmen. Soemita werd vaak politieke onbetrouwbaarheid verweten en zou onberekenbaar zijn (Dew 1977: 118,119). Hij stelde zich echter onafhankelijk op. Zo was hij in 1950 lid van een parlementaire delegatie die besprekingen voerde in Nederland. Hij liet desgevraagd weten niet tot enige coalitie en oppositiegroep te behoren (Breeveld 2000: 153). Hij kon de belangen van de achtergestelde Javaanse groep met hulp van de eerdergenoemde Karamat Ali toch goed verwoorden. Zo diende Soemita in 1950 een motie in bij de Landsregering waarin hij:

De Regeringsraad verzoekt een commissie in te stellen tot onderzoek naar de economische, sociale en culturele achteruitgang van de Indonesische bevolkingsgroep in Suriname met de opdracht aan deze om van advies te dienen over plannen en maatregelen zo nodig voor de opheffing en ontwikkeling van bedoelde bevol­kings­groep in Suriname (De Surinamer 21 maart 1950).

Terwijl de grote partijen van de Volkscreolen en de Hindostanen, respectievelijk de NPS en VHP samenwerkten en tegenover de partijen die gedo­mi­neerd werden door de Gekleurde elite stonden, nam de KTPI een onafhankelijke positie in. Soemita laveerde tussen coalitie en oppositie om voor de Javaanse bevolkingsgroep, bijvoorbeeld, landerijen en vergun­ningen te verwerven. Soms was Soemita op zijn Javaans por (voor). Veel Javanen hadden toen moeite om de v uit te spreken en spraken het uit als p. Afhankelijk van reacties van zijn adviseurs die hem met vingerwijzingen instrueerden kon hij weer teggen (tegen) zijn bij de stemmingen in de Staten. Dit leidde vaak tot de nodige lachbuien bij de aanwezige Statenleden en het publiek dat op de tribune de Statenvergaderingen bijwoonde. Soemita werd schertsend vaak Por genoemd. Hij werd als spreekbuis gezien van het andere KTPI Statenlid: de jurist Karamat Ali. Hij bedacht de toespraken van Soemita en de moties en instrueerde hem bij stemmingen. Befaamd was de uitspraak van Soemita: Ik sluit mij bij de vorige spreker aan, nadat zijn KTPI-collega Karamat Ali had gesproken (Derveld !982: 40).

Spitsvondig
Een ander bekend voorbeeld is dat Soemita vaak werd gecorrigeerd om zijn Nederlands taalgebruik. Vermel­dens­waard is dat hij vaak de brood in plaats van het brood zei. Soemita riposteerde met de opmerking: Porzitter, de brood, het brood, brood blijft altijd brood. In de Staten van Suriname had een Statenlid met veel pathos de Franse filosoof Voltaire in het Frans geciteerd om zijn kennis van de politieke geschiedenis te etaleren. Het Statenlid Soemita vroeg vervolgens het woord aan de Porzitter (Voorzitter). Soemita debiteerde enkele zinnen in het Hoog Javaans. Na lachbuien van collega’s vroeg de voorzitter aan Soemita waarom hij iets in het Javaans zegt terwijl hij weet dat niemand behalve Soemita het Javaans verstaat. Soemita merkte droogjes op dat het geachte Statenlid iets had gezegd in een taal die hij niet verstond. Hij heeft als tegenreactie daarop iets in het Hoog Javaans gezegd wetende dat anderen hem evenmin zouden verstaan.

Soemita was een spitsvondige persoon. Toen Soemita een keer beweerde dat de helft van de leden van de Staten niet slim genoeg was, verzocht de voorzitter hem deze beledigende opmerking terug te nemen. Soemita riposteerde met de opmerking: Meneer, de Porzitter de helft van de leden van de Staten is slim.

Soemita kon niet-Javanen ‘bespelen’ door grapjes te maken in slecht Nederlands en Sranantongo, waarbij hij zijn Javaanse accent benadrukte. Zo wist hij tijdens een zogeheten massameeting (een politieke bijeenkomst) in Paramaribo waar veel Creoolse kiezers waren kwamen opdraven zich populair te maken. Veel toehoorders kwamen vooral luisteren naar de grappige Javaanse leider Soemita. Hij speelde zijn rol met glans. Het waaide hard toen Soemita het woord nam. Een zinkplaat waaide weg en Soemita merkte met Javaans accent op: “Als Soemita praat dak val om”. Dit leidde tot een lachsalvo onder het publiek. Zwaar gesticulerend maakte Soemita nog enkele grapjes. Politieke toespraken werden toentertijd gelardeerd met grapjes. Ook werd er veel gelachen om het accent van bepaalde bevol­kings­groepen. Tijdens radio-uitzendingen moesten de luisteraars vaak lachen om zijn accent en grappig taalgebruik. Bepaalde Franse uitdrukkingen begreep hij wellicht niet, maar herhaalde deze wel. Zo herhaalde Soemita de uitdrukking L’histoire se repete (de geschiedenis herhaalt zich) vaak op zijn eigen wijze: histor se repetetet met een Javaans accent. De politicoloog Dew stelt dat Soemita zich als grapjas voordeed om sympathie te verwerven en zijn doel te bereiken – ‘ability to play the fool to good purpose’ (Dew 1977: 141). Soemita was ‘niet dom’, maar had veeleer een doordachte wijze van opereren en een strategische opstelling; er was eerder sprake van boerenwijsheid. Bekend is zijn uitspraak: ik ben nu van de coalitie en straks ben ik van de oppositie (Derveld 1982: 44,122).

Na de verkiezingen van 1955 die werden gewonnen door het zogeheten Eenheidsfront steunde Soemita de regering (de coalitie), terwijl de VHP en NPS in de oppositie zaten. Maar Soemita gebruikte zijn twee zetels vooral om de belangen van de Javanen te dienen. In dit verband nam hij in een grondkwestie onverwacht stelling tegen zijn coalitiegenoten. De toenmalige minister-president Ferrier stelde voor het verzoek van Soemita pas de volgende dag te behandelen in de Staten van Suriname. Een gekrenkte Soemita zei onverwachts tegen zijn partijgenoten “Wis, ajoh mulih”; genoeg, laten we weggaan.” Gedwee en vol respect volgden zijn partijgenoten hem uit de zaal met achterlating van de verbouwereerde Statenleden. Soemita wist dat het aanblijven van de toenmalige regering  afhankelijk was van de KTPI. Er moest veel gepraat worden om de steun van Soemita voor de regering te behouden. In 1957 drong hij aan op de aanleg van vestigingsplaatsen in het district Saramacca ten behoeve van Javaanse gezinnen. Omdat de regering naar zijn oordeel niet voortvarend genoeg optrad, stelde hij met veel pathos in de Statenvergadering van 9 augustus 1957 dat de Javanen: geen diamant, geen goud, geen zilver vragen, ze vragen slechts een stukje grond (Azimullah 1986: 140).

Op 24 maart 1958 liet Soemita weten geen onderdeel meer van de Eenheidsfront regering uit te maken, omdat hij ontevreden was met de manier waarop omgegaan werd met de belangen van Javanen (Breeveld: 2000: 213/Dew 1977; 118). Niet lang daarna viel de regering en kwamen nieuwe verkiezingen. Tot veler verrassing werkte hij daarna niet samen met NPS en VHP, maar met de partijen van het Eenheidsfront. De NPS en VHP wonnen de verkiezingen en vormden de regering. De KTPI behoorde tot de oppositie, maar in 1959 stelde Soemita als oppositielid dat hij tevreden was met een maatregel: Ik heb waardering voor de regering, ze mogen wat mij betreft nog 8 jaar blijven zitten (Fernandes Mendes 1989: 198,199). Na de verkiezingen van 1963 trad de KTPI toe tot de regering, maar Soemita bleef onvoorspelbaar; hij wisselde de KTPI-minister een paar keer.

Iding Soemita met zijn zoon Willy Soemita (links) die hem opvolgde als leider van de KTPI.

Verzwakking KTPI
Soemita werd verweten dat hij de jongeren niet betrok bij de politiek. Ook intellectuelen die kozen voor een zakelijke aanpak en een sterkere oriëntatie op integratie in Suriname in plaats van terugkeer naar Indonesië voorstonden, vonden bij hem weinig ingang. Soemita schuwde democratische procedures. Hij merkte schertsend op dat democratie neerkomt op gogo krassie (kont krassen). Hij bedoelde daarmee dat democratie problemen met zich meebracht en leidde de KTPI op een autocratische wijze. Hij duldde eigenlijk geen inspraak binnen zijn partij. Soemita vond dat alleen ouderen het recht hadden zich bezig te houden met politiek. Jongeren waren nog niet voldoende rijp om het politieke bedrijf te begrijpen. Zijn opvatting was dat de jongeren eerst ervaring moesten opdoen. Pas daarna waren zij in staat om tegenslagen in de politieke arena te incasseren. Soemita rekruteerde wel jongeren om zijn decorum te versterken. Zo bestond de PRIS uit jongemannen die op gezette tijden de verschillende evenementen luister moesten bijzetten. Ook gebruikte hij vaak jongeren om zijn plannen voor te bereiden, zoals landaan­win­nings­projecten, en bij het bijstaan van zijn propaganda-activiteiten. Bovendien beschouwde Soemita de jongeren als “Wong Jawa Asin”, zij die in Suriname geboren zijn. Deze jongeren hadden in zijn ogen nog weinig levenservaring om op gelijke voet met kollots (ouderen) te communiceren. Tevens wilde Soemita niet dat de Wong Jawa Asin macht zouden verwerven.

Het absolute gezag van Soemita in de KTPI kwam echter na de oprichting in 1963 van een zogeheten Kerngroep binnen de KTPI, bestaande uit jonge ambitieuze ambtenaren, in gevaar. Deze Kerngroep wilde meer democratie binnen de partij en beperking van de macht van Soemita.

Halverwege de jaren zestig ontstond ook een serieuze bedreiging voor de positie van KTPI binnen de Javaanse bevolking. Soemita zei zonder voorspraak het vertrouwen in de enige minister van de KTPI in 1966 op en deze minister moest toen aftreden. Een kritische groep Javanen die ontevreden was over de autoritaire houding van Soemita richtte in 1966 de partij SRI (Sarekat Rakyat Indonesia – Indonesische Volkspartij) op. Ook het Hoge Kommissariaat van de Republiek Indonesia was kritisch over het eigenzinnig optreden van Soemita en ondersteunde de SRI. Het lukte de SRI, die een samenwerking aanging met de VHP, om in 1967 en in 1969 de verkiezingen in het kiesdistrict van de KTPI te winnen. Soemita was echter reeds bezig zich terug te trekken uit de actieve politiek. De leiding van de partij KTPI droeg hij in 1967 over aan zijn zoon Willy Soemita. Illustratief voor het welhaast dictatoriale leiderschap en de machtige positie van Soemita was dat hij vanaf de oprichting in 1948 van de KTPI tot 1967 zowel voorzitter als secretaris en penningmeester was.

Vanuit de rukun-gedachte (streven naar harmonie) die tot de adat (gewoonte) van Javanen behoort, is in 1968 getracht een politieke eenheid te smeden binnen de Javaanse groep. Op 17 november 1968 werd op initiatief Willy Soemita van de KTPI, F. R. Karsowidjojo van de SRI en S. Djojoprajitno van de PBIS de “Satrya” (sasama tri karya: drie in een) in Theater Bellevue geproclameerd om de toenemende rivaliteit onder de Javaanse politieke partijen in te dammen. Dit streven mislukte echter. In 1970 trad Soemita terug als voorzitter van de KTPI en droeg formeel in 1972 de partij over aan zijn zoon Willy (Kartokromo 2006: 62).

Javaanse immigranten in Suriname.

Verdiensten
Gedurende een kwart eeuw van 1946 tot 1970 was Soemita de dominante leider van de Javanen. Het imago van Javanen was in de periode dat Soemita politiek actief was nogal negatief. Javanen werden vaak geste­reotypeerd als domme, zwijgzame en ongeschoolde burgers. Vaak werden Javanen gepest als schijtopruimer (Japanese puru sket) of pindaboer. Vanwege hun lage schoolopleiding en meestal gebrek aan begeleiding moesten Javanen werken als vuilophalers, handlangers, tuinarbeiders, pinda­ver­kopers en marktverkopers. Bekend waren typeringen als law-law japanesie (gekke Javaan), den don Japanesi (die domme Javanen). Niet zelden werden Javaanse vrouwen beschouwd als prostituees en lichtzinnig van aard. Veel Javanen waren opgezadeld met een minderwaardigheidscomplex als recente gear­ri­veerde immigranten, die zich niet konden aanpassen aan de heersende Surinaamse gewoonten. De Javaanse groep verkeerde ten opzichte van Creoolse en de Hindostaanse groep tot de jaren zeventig in een achterstandspositie. De Javanen werden tot op zekere hoogte ook achtergesteld.

Soemita moest functioneren in een omgeving waarin zowel hij als zijn achterban niet altijd serieus werd genomen. Hoewel Soemita de Nederlandse taal nauwelijks beheerste en zijn slechte taalgebruik in Nederlands en Sranantongo niet zelden tot hilariteit leidde, was hij niettemin een machtsfactor in de Surinaamse politiek. Javanen maakten iets minder dan een vijfde van de Surinaamse bevolking uit. In het Surinaamse parlement nam de KTPI in de jaren vijftig tot 1967 echter een sleutelpositie in. De KTPI kon de machtsblokken aan de benodigde zetels helpen om te regeren en kon als tegenprestatie voor regerings­deel­name zwaardere eisen stellen dan op grond van het aantal zetels dat zij in het Surinaamse parlement hadden (Derveld 1982: 122,126). Soemita wist vaak handig gebruik te maken van deze sleutelpositie om de belangen van de Javaanse groep te dienen. Naast zijn rol als leider en vertegenwoordiger van de Javanen in Suriname heeft Soemita vooral landbouwpercelen in de districten Saramacca en Commewijne kunnen realiseren voor de Javaanse groep. Enkele bekende projecten in dit verband zijn: Catharina Sophia, Project Voorburg, Sorgvliet, De Hulp en Welgevallen. Deze vesti­gings­plaatsen van Javanen en landaan­winnings­projecten zijn stille getuigen van zijn optreden in de politiek geweest. Het patronagesysteem werd sterk door hem gestimuleerd in de vorm van het toewijzen van landbouwpercelen als tegenprestatie voor trouw en loyaliteit aan de KTPI (Kartokromo 2006: 59).

Soemita was een etnische belangenbehartiger pur sang. Hij heeft in zijn politieke opstelling rekening moeten houden met het terugkeer-naar-Java-syndroom, het ontbreken van politieke scholing en intellectueel kader onder Javanen, de achtergestelde positie en het negatieve imago van Javanen. Met zijn kennis op het gebied van de Islam, zijn redenaarstalent, de gemotiveerde medewerkers van organisaties als de Banteng Hitams en PRIS en gedreven door de nationalistische beweging in het toenmalige woelige Indonesië verwierf Soemita een grote aanhang. Zijn politieke opstelling werd door velen vaak niet begrepen. Terwijl zijn tijdgenoten in de politiek opkwamen voor het nationaal belang, streed Soemita meer voor de belangen van zijn achtergestelde achterban. Zijn politiek was duidelijk gericht om de belangen van zijn Javaanse lotgenoten te behartigen. Als een boerenpartij, zoals zijn partij bekend stond, vocht hij hardnekkig om voor zijn mensen landbouwpercelen te verkrijgen. Hij kon de (voor)oordelen tegenover Javanen gebruiken om een hechte band onderling te smeden. Tot slot ter illustratie nog een toespraak op een bijeenkomst in Lasai in het district Commewijne. Nadat de conferencier op oosterse wijze de aanwezigen welkom had geheten, debiteerde Soemita:

Para sedulur, ik word overal uitgemaakt als te zijn een domme Javaan in de politiek, die geen Bahasa blanda (Nederlands) kan praten. Dat is inderdaad waar, ik kan dat niet helpen, maar ik zal jullie niet teleurstellen, want hoe krom het ook mag zijn, ik zal mijn best doen om dat te leren, zoals ik het Hoog Javaans ook heb moeten leren, want ik ben een rasechte Soendanees (Kartokromo 2006: 58).

Soemita onderbrak zijn toespraak enkele minuten om reactie van zijn gehoor te polsen. Een methode die hij vaak toepaste om zijn kracht te testen en tevens om op de gevoelens van zijn gehoor in te spelen. Daarna nam hij met een meeslepende zachte stem het woord:

Maar lotgenoten, wees niet bang, zoals onze voorouders ons hebben geleerd dat wij zoveel als mogelijk een eigen hutje moeten hebben (wong urip perlu duwe awuh) waar wij met onze kinderen kunnen wonen, zal ik ervoor vechten om dat te realiseren. Jullie weten allemaal dat de gronden die jullie nu bewerken uitgeputte gronden zijn, maar liever een stukje uitgeputte grond, dan hier en daar “diesampeerke”(gesmeten) aan de rand van de stad of diemondoke (inwonen) bij kennissen. Ik ben alvast heel erg blij en trots wat de vrouwen van Lasai voor ons hebben gedaan, om ons eten te geven en op hun eigen manier ons te verwelkomen. Maturkesuwun (Bedankt). Ik wil jullie allemaal geruststellen dat ondanks de vele bejegeningen en aantijgingen op mijn adres, ik niet zal rusten om mijn doel te bereiken. De tijd zal ons leren, wie daadwerkelijk voor de belangen van hun achterban vecht (Kartokromo 2006: 59).

Volgens Dwarka Panday wilde Soemita liefst dat de Javanen bij elkaar moesten wonen en hun cultuur behielden en niet opgingen in andere groepen. De ideologie die werd gepropageerd was Mangan, ora mangan, popkoke angger kumpol (of wij nou eten of niet, of wij nou vooruitkomen of niet, het ideaal is om bij elkaar te blijven wonen). Er werd een besef gekweekt van afscherming tegen de wong kono-an (de mensen van buiten de eigen groep) (Dwarka Panday 2005). Andere auteurs zoals Kadi Kartokromo stellen echter dat politicus David Findlay die in de jaren vijftig zich scherp afzette tegen de Hindostaanse en Javaanse groep en de vrees aanwakkerde voor de dreiging van Aziatische dominantie van Suriname, dit eenzijdige beeld van Soemita heeft gecreëerd. Hoe dit ook zij: het is begrijpelijk dat Soemita gegeven de achtergestelde positie van de Javanen primair voor zijn eigen groep opkwam en uit machtspolitieke overwegingen de groep bij elkaar wilde houden.

Een bijzondere verdienste van Soemita is dat hij weliswaar zelden opkwam voor het algemeen belang, maar hij heeft nooit de Javaanse groep opgehitst tegen andere etnische groepen. Hij streefde naar harmonie en heeft in de cruciale jaren van opkomende etnische politiek gekozen voor de verbroederingspolitiek en niet voor polarisatie. Zelden heeft hij een toespraak gehouden waarin hij zich over het nationale belang van Suriname uitliet of de economische ontwikkeling van Suriname. Soemita was eigenlijk meer op de Javaanse groepen in Indonesië georiënteerd dan op de brede Surinaamse gemeenschap. In de toenmalige politieke verhoudingen en de marginale positie die de Javaanse groep innam is dit begrijpelijk. Maar door de emancipatie van de Javanen in Suriname en de groei van de groep Javanen die in Suriname waren geboren was het niet verwonderlijk dat Soemita gaandeweg ook binnen de Javaanse gemeenschap kritiek kreeg van intellectuelen en jongeren.

Conclusie
Soemita heeft in de jaren dertig en veertig een belangrijke rol gespeeld als zaakwaarnemer van de Javanen. Van 1946 tot 1970 was hij de dominerende politiek leider van Javanen in Suriname. Lange tijd was hij het politieke gezicht van de Javaanse gemeenschap. Soemita was politiek actief in een periode waarin de Javaanse gemeenschap in Suriname een achtergestelde positie innam en velen terugverlangden naar Indonesië. Als een niet in Suriname geboren burger had Soemita weinig affiniteit met het algemeen Surinaams belang. Hij was een etnische leider pur sang die opkwam voor de verheffing van de positie van de eigen groep en opheffing van achterstelling. Daarbij maakte hij gebruik van de religie, de Javaanse adat, zijn redenaarstalent en patronage binnen de eigen gemeenschap. Hij hield toespraken in het Hoog Javaans en werd gewaardeerd en geprezen om zijn gave om gevoelige snaren te raken vooral bij de oudere Javanen. Soemita profileerde zich als religieuze leider zonder in religieus fanatisme te verzanden en in politiek-religieuze problemen te geraken. Gelet op de maatschappelijke positie van de Javanen in de periode 1945-1970 moet Soemita beschouwd worden als emancipator van de Javaanse bevolkingsgroep. Hij heeft de Javanen mondig gemaakt. In de verschillende districten maande hij zijn volgelingen niet meer te gaan dobbelen, hun geld goed te besteden en hun kinderen naar school te sturen. Ondanks zijn geringe westerse schoolopleiding, doch bewust van zijn grote kennis van zijn eigen taal en cultuur, kon hij de functie van politiek leider lang bekleden. Soemita was een zachtmoedige doch autoritaire leider. Volgens Kartokromo was hij zelfs een politieke dictator (Kartokromo (2006: 52,111).

Buiten de Javaanse gemeenschap was zijn reputatie minder florissant. Hij werd mede door de toen heersende vooroordelen over Javanen vaak als dom en ongeletterd beschouwd. Niet zelden maakte hij gebruik van deze beeldvorming om de positie van Javanen te versterken. Hij stond bekend als iemand op wie men niet altijd kon rekenen. Soemita heeft kunnen bewerkstelligen dat Javanen landbouwgronden toege­wezen kregen en wilde de Javaanse groep zoveel mogelijk bij elkaar houden en niet laten opgaan in de Surinaamse samenleving. Niettemin heeft nooit gekozen voor etnische polarisatie.

Iding Soemta in de Tweede Kamer in Nederland samen met de politieke leiders J. Pengel en J. Lachmon (1962)

Soemita behoorde tot de eerste generatie politieke leiders onder de Javanen in Suriname. Zij opereerden vanuit de harmoniegedachte. Bij de tweede generatie Javaanse leiders is meer sprake van confrontatie en sterkere oriëntatie op Suriname. Na de terugtrekking van Soemita uit de actieve politiek ontstond ook meer politieke pluriformiteit onder Javanen in Suriname. Er ontstonden verschillende Javaanse partijen die samenwerken in verschillende partijcombinaties met andere politieke partijen. Iding Soemita stierf op 18 november 2001 en de “Messias” van de Javanen werd conform zijn levenswijze op sobere wijze begraven. Gelet op de verdiensten van Iding Soemita en in het bijzonder zijn emanciperende rol ten behoeve van de Javanen en zijn bijdrage aan de verbroederingspolitiek verdient hij een standbeeld. Dat kan worden geplaatst op het Onafhankelijkheidsplein tussen de standbeelden van Pengel en Lachmon. Hij was tenslotte een van de drie historische leiders van Suriname. Het jaar 2023 wordt een belangrijk herdenkingsjaar voor de Creoolse/Afro-Surinaamse, Hindostaanse en Chinese bevolkings­groepen in verband met 160 jaar afschaffing van de slavernij, 150 jaar Hindostaanse immigratie en 170 jaar Chinese immigratie. Voor de Javaanse groep is 2023 geen bijzonder herdenkingsjaar. Op 3 april 2023 zou Iding Soemita 115 jaar zijn geworden. Een onthulling van zijn standbeeld in 2023 dat door de Javaanse en in breder verband de Surinaamse gemeenschap tot stand wordt gebracht, zou getuigen van historisch besef voor de markante politiek leider Iding Soemita.

Gebruikte literatuur

Azimullah, E. (1986), Jagernath Lachmon, Paramaribo: Vaco.

Breeveld, H. (2000), Jopie Pengel, 1916-1970. Leven en werk van een Surinaamse politicus, Amsterdam: Conserve.

Breunissen, K. (2001), Ik heb Suriname altijd liefgehad, Het leven van de Javaan Salikin Hardjo, Leiden: KITLV.

Burger J.W. (1928), Vergelijkend overzicht van de immigratie en blijvende vestiging van Javanen en Brits-Indiërs in Suriname, in: De Economist, jaargang. Jaargang 77, nummer 1, Amsterdam.

Choenni, C.E.S. (1982), Hindoestanen in de politiek, Rotterdam: Futile.

Derveld, F.E.R. (1982.), Politieke mobilisatie en integratie van Javanen in Suriname, Groningen: Bouma.

De Surinamer. 21 maart 1950. Javanen demonstreren op het N.V.G.B.-terrein.

Dew, E. (1977), The Difficult Flowering of Suriname, Den Haag; Martinus Nijhoff.

Dwarka Panday, R.M. 24 Januari 2005. Assimilatiepolitiek nu, in Dagblad Suriname.

Egger, J.L. (1982), Raciale politiekvoering in Suriname,1948-1980, Paramaribo.

Encyclopedie van Suriname (1977). Amsterdam: Elseviers.

Fernandes Mendes, H.K. (1989), Onafhankelijkheid en parlementair stelsel in Suriname, Zwolle: Tjeenk Willink.

Hoefte R. (1990), De betovering verbroken; de migratie van Javanen naar Suriname, Dordrecht: Foris.

Hoefte, R. (1998), In place of slavery, Social History of British Indian and Javanese Labourers in Suriname, Gainesville: University of Florida.

Ismaël, Joseph. (1949), De immigratie van Indonesiërs in Suriname, Leiden: Luctor et Emergo.

Kartokromo, Kadi. (2006), Javanen en politiek, de strijd naar politieke macht en politiek leiderschap, Paramaribo.

Marshall, E. (2000), Ontstaan en ontwikkeling van het Surinaams nationalisme; natievorming als opgave. Delft: Eburon.

Mitrasing, F. E. M. (1959), Tien jaar Suriname, 1945-1955, Leiden: Luctor et Emergo.

Sedney, J. (1997), De Toekomst van ons verleden, democratie, etniciteit en politieke machtsvorming in Suriname, Paramaribo: Vaco.

Suparlan, P. (1995), The Javanese in Suriname, Ethnicity in an Ethnically Plural Society, Arizona/Tempe: State University.

Surinaamse politiek 1975-1998 in: OSO, themanummer, mei 1999, jaargang 18, nummer 1.

Waal Malefijt, A. de (1963), The Javanese of Surinam: segment of a plural society, Assen: Van Gorcum.

Wengen, G.D. van (1973), De Javanen van Suriname, Leiden; Brave New Books.

Wijntuin, Emile (1994), Reflekties uit een politiek verleden, Paramaribo.

Dit artikel ter herdenking van 131 jaar Javaanse Immigratie op 9 augustus 2021 is een bewerking van de brochure Bapak Iding Soemita die ik in 2009 heb gepubliceerd. Ik dank Eric Kastelein voor zijn redactionele adviezen.

REACTIE

TOP