Het identiteitsspook

Hans Ramsoedh

Het Communistisch Manifest uit 1848 van Karl Marx en Friederich Engels opent met de zin dat er een spook door Europa waart, te weten het spook van het commu­nisme. In de 21e eeuw waart er een nieuw spook: het spook van het identi­teits­denken. Het houdt in dat in ons denken en bij de analyse en beschrijving van de werke­lijkheid wordt gefixeerd op identi­teits­as­pecten als cultuur, geslacht of etniciteit. Het betekent dat je niet vóór alles individu bent, maar vóór alles lid van een groep die dezelfde kenmerken bezit.

Identiteit heeft alles te maken met de existen­tiële vraag: wie ben ik? Op collectief of nationaal niveau zien we die behoefte terug in het definiëren van de nationale identiteit: wie zijn wij en wie is de ander? Dit identi­teits­denken hangt samen met moder­ni­sering, globa­li­sering en migratie. Deze ontwik­ke­lingen hebben niet alleen veran­dering tot gevolg, maar brengen ook verlies en ontwrichting met zich mee. Ze leiden niet zelden bij grote delen van de bevolking tot heimwee naar de gemeen­schap en het gestruc­tu­reerde leven dat ze menen te hebben verloren of waarvan ze dachten die ooit te hebben gehad. In dit verband spreekt men ook van identi­teits­po­litiek. In de Verenigde Staten en veel Europese en buiten-Europese landen zien we de opkomst van populis­tische partijen en politici die zich ten doel stellen de nationale identiteit te beschermen. Populisten spreken over bedreiging van de nationale cultuur door immigratie. President Trump wilde een immigra­tiestop van moslims in de VS. In India is recen­telijk in december een wet aange­nomen waarbij moslim-migranten worden uitge­sloten van het Indiase staats­bur­ger­schap. Meerderheden willen laten zien wie de baas is en minder­heden eisen hun plaats op.

Ook in Nederland zien we het identi­teits­po­li­tieke denken terug. In dit verband kan worden genoemd de discussie over de Nederlandse identiteit waarbij migratie wordt gezien als een bedreiging. De leider van Forum voor Democratie (Thierry Baudet) heeft het over de ‘Boreale wereld’ [een Europa dat van oorsprong enkel door blanken was bevolkt en de wens om dit te herstellen en te behouden] en migratie als een ‘homeo­pa­thische verdunning’ van de autochtone Nederlandse bevolking. Daarnaast kan worden verwezen naar de huidige debatten over racisme en discri­mi­natie, het Nederlands koloniaal en slaver­nij­ver­leden en Zwarte Piet. Een belangrijk werk in het huidige antira­cisme debat is de studie van Gloria Wekker (Witte onschuld, 2018) waarin zij naar de dominante manier waarop Nederlanders over zichzelf denken beschrijft: een recht­vaardige, ethische natie die kleuren­blind is en dus vrij van racisme, en inherent superieur op moreel en ethisch terrein en daarmee een gids van andere volkeren en naties. Deze stelling onder­bouwt ze met het concept cultureel archief: diep ingesleten attitudes en emoties die racisme in stand houd houden en hun oorsprong kennen in vierhonderd koloniaal verleden dat blanke Nederlandse gedra­gingen tot op de dag van vandaag doorde­semen. Dit boek inspi­reerde weer andere auteurs en publi­cisten op sociale media in het antira­cisme debat.

Hoe proble­ma­tisch is identi­teits­denken of identi­teits­po­litiek? Bij het identi­teits­denken spelen vooral sociale media een niet te onder­schatten rol in het heden­daagse discours dat bol staat van abjecte ontboe­ze­mingen op vrijwel ieder terrein die vervolgens voor dé sociale werke­lijkheid worden gezien. Deze ontwik­keling op sociaal media werd door oud-president Obama getypeerd als de ‘online call-out culture’. Deze reacties op sociale media blijven uiteraard niet onopge­merkt. Identiteitsdenken wordt beschouwd als een giffa­briek, de nieuwe apartheid, het nieuwe totali­ta­risme, deter­mi­nis­tisch denken, een obsessie met afkomst en huids­kleur die een onaan­genaam gevolg voor onze onder­linge betrek­kingen. En het zijn vooral autochtone blanke mensen die de volle laag krijgen. Het gevolg is wel dat tegen­standers van het identi­teits­denken alle grieven van de antira­cis­me­be­we­gingen op één hoop gooien met de impli­ciete boodschap ‘wat een gezeur allemaal’.

Ik zie niet in wat er mis is om je uit te spreken tegen Zwarte Piet of te pleiten voor meer aandacht voor het Nederlands slavernij- en koloniaal verleden. Punt is wel dat het identi­teits­denken vaak samen gaat met politiek correct denken omdat het voort­vloeit uit een moreel dogma of ideologie. Hierdoor komen niet zelden bepaalde vrijheden in Nederland onder druk te staan. Zo krijgen sommige mensen geen podium, worden we gecon­fron­teerd met ideolo­gisch gemoti­veerde taalzui­ve­ringen (er rust een taboe op het woord neger), wordt antise­mi­tisme door antira­cisten in Nederland ontkend en worden journa­listen, de politiek, de acade­mische vrijheid en het land der letteren beïnvloed (zie onder meer Elma Drayer, Witte schuld 2019).

Vanaf september 2019 gebruikt het Amsterdam Museum de term ‘Gouden Eeuw’ niet meer, een term die in heel Nederland decen­nialang routi­ne­matig wordt gebruikt als aanduiding van het tijdvak van de 17e eeuw waarin de Republiek een econo­mische en militaire wereld­macht was. In de optiek van dit museum is de term Gouden Eeuw sterk gekoppeld aan nationale trots waarbij de negatieve kanten van de zeven­tiende eeuw, zoals armoede, oorlog en slavernij nauwe­lijks voor het voetlicht komen. Het museum stelt dat het afstand doen van de term ‘Gouden Eeuw’ een stap is in een proces om het Amsterdam Museum meerstemmig en inclusief te maken. Ook de taal ontkomt niet aan taalzui­ve­ringen. Het woord blank is door de NOS recen­telijk in de ban gedaan en vervangen door wit omdat een kleine activis­tische groep dat wilde. ‘Blank’ is kennelijk een onzuivere term geworden. Toen uitge­verij De Arbeiderspers in 2017 aankon­digde Negroland van de (zwarte) Amerikaanse schrijfster Margo Jefferson in een Nederlandse vertaling uit te brengen met titel ‘Negerland’, besloot de uitgevrij na protesten de Engelse titel maar aan te houden, terwijl opvallend genoeg elders in het boek het woord ‘Neger’ gehand­haafd bleef.

Ook is er vanuit de activis­tische hoek verzet tegen koloniale stand­beelden (J.P. Coen, Generaal Van Heutz) of namen die verbonden zijn met koloni­a­lisme (Coentunnel). Anti-Zwarte Piet activisten gaan de komende dagen tijdens de carna­vals­op­tochten in Brabant en Limburg letten op eventuele racis­tische manifes­taties op de praal­wagens. Kritiek op de funda­men­ta­lis­tische islam of zij die tegen het dragen van een boerka zijn in de openbare ruimte omdat zij het strijdig achten met Nederland als een open samen­leving worden op één lijn gesteld met islam­fobie.

Ik onder­schrijf Wekkers analyse waarbij zij de illusie van Nederland als een kleuren­blinde samen­leving waar geen racisme bestaat doorprikt. Haar opvat­tingen over de witte erfschuld vind ik echter overdrij­vingen en genera­li­saties en weten­schap­pelijk onhoudbaar. Mijn bezwaar tegen identi­teits­denken in Nederland is dat veel begrippen uit het Amerikaans identi­teits­po­li­tieke discours (insti­tu­ti­oneel racisme, white privilege, agency, cultural approp­ri­ation) het antira­cis­me­debat in Nederland zijn gaan beïnvloeden, terwijl de situatie hier echter anders is. Nederland is de VS niet waar tot medio jaren zestig het insti­tu­ti­oneel racisme wettelijk verankerd was. Hierdoor is het identi­teits­denken in Nederland sterk verame­ri­ka­ni­seerd en gepola­ri­seerd.

Punt is ook dat ‘zwarte’ auteurs die een knuppel in het politiek correcte hoenderhok gooien door de activisten worden geëti­ket­teerd als: bounty, huisal­lochtoon, Uncle Tom, etala­ge­neger of sell-out, een verrader van de eigen soort. Deze verket­tering zegt uiteraard veel over personen die in hun dogma’s of zwart-wit-denken gevangen zitten en iedere nuance per definitie afwijzen.

In een pluri­forme samen­leving als de Nederlandse leidt het hameren op identiteit vrij snel tot polari­satie en conflict. In sommige gevallen kan het op de spits drijven van een conflict (zoals in het Zwarte Piet-debat) een functie hebben om daarmee een doorbraak te forceren. Maar niet in alle gevallen is dit functi­oneel. Het identi­teits­denken verdeelt de wereld in hokjes: wit versus zwart, slacht­offers versus daders et cetera. De Amerikaanse politi­coloog en filosoof Francis Fukuyama (Identiteit 2019) noemt het identi­teits­denken de politiek van ressen­timent, het gevoel dat de waardigheid van een groep geschonden, geklei­neerd of miskend wordt. Dit ressen­timent gaat gepaard met eisen om publieke erkenning van de waardigheid van de desbe­tref­fende groep. Identiteit kan gebruikt worden om mensen te verenigen, maar het kan tevens gebruikt worden verdeeldheid te zaaien. Identiteitspolitiek denkt te veel in termen van wij en zij.

Wij zijn echter geen gevangene van onze identiteit. Deze is namelijk niet eendi­men­si­onaal, maar multi­di­men­si­onaal want ze steunt op vele facetten. Belangrijk is daarom de identiteit te verrijken tot een meervoudige identiteit. Ik pleit, in navolging van de Ghanees-Engelse filosoof Kwame Anthony Appiah (De leugens die ons binden, 2019), voor een ‘veder­lichte identiteit’. Die veder­lichte identiteit wijst ‘essen­ti­a­lisme’ in het denken over identiteit af, namelijk de gedachte dat identiteit berust op een harde, onver­an­der­lijke kern. Hoewel elke groep behoefte heeft aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden, is het de kunst die identiteit flexibel te houden om onnodige polari­satie tussen bevol­kings­groepen te vermijden. In een pluri­forme samen­leving waarin mensen vertrouwen hebben in de toekomst is identiteit geen korset, maar dragen mensen hun identiteit veder­licht.

TOP