Het Holifeest (Phagua)

Jnan H. Adhin (1927-2002)

Universeel Feest

Het Holífeest, dat ook onder de dialec­tische benaming Phaguá bekend staat, is een nieuw­jaars­feest en een overwin­nings­feest, met een universeel en democra­tisch karakter: de viering ervan beperkt zich niet tot de belijders van slechts één godsdienst, doch de gehele buurt­schap doet eraan mee, zonder onder­scheid van rang of stand, leeftijd of geslacht. De Holi, die een demon­stratie van een funda­menteel vertrouwen in leven en mensheid is, is geen zuiver godsdienstig feest, doch heeft zowel een filoso­fische als een religieuze grondslag, terwijl de viering ervan een sterk folklo­ris­tisch karakter draagt.

Trouwens, in de Indische cultuur heeft er — in tegen­stelling tot de Westerse — nooit enig princi­pieel conflict tussen de diverse uitingen van het geestelijk leven bestaan: godsdienst, filosofie, weten­schap, kunst, alles vormt er een eenheid, daar alles doortrokken is van een spiri­tuele en mystieke grondtoon. Het behoeft dan ook geen verwon­dering te wekken, dat ook in de Hindoefeesten deze wijsgerige trek niet ontbreekt. Het spiri­tuele element wordt er tot uitdruk- .king gebracht door diverse symbo­lische verrich­tingen, die even zo vele voorbeelden van filoso­fische en religieuze overtui­gingen zijn. Dit is ook het geval met de Holi, die aan het begin van het nieuwe jaar wordt gevierd.

Aan de hand van een patrá of pancháng (almanak) wordt berekend, op welke dag de Holi valt. Zoals bij de meeste godsdien­stige kalenders het geval is, wordt ook in de Hindoe-kalender gerekend met het maanjaar (annus lunaris) dat echter telkens met het zonnejaar (annus salaris) in overeen­stemming wordt gebracht. Daar het maanjaar 354 dagen 8 uren 48 minuten en 34 seconden duurt, terwijl de lengte van het zonnejaar (burgerlijk jaar) 365 dagen 5 uren en 48 minuten en 45 seconden bedraagt, ontstaat er jaarlijks een achter­stand van bijna 11 dagen. Deze wordt ingelopen door telkens na ongeveer 2½ jaar een schrik­kel­maand (adhikmás, malmás of laund genoemd) in te lassen.

Hoewel de synodische maand — d.i. het tijds­verloop tussen twee volle manen — eigenlijk 29 dagen 12 uren 44 minuten en 3 seconden duurt, wordt om praktische redenen de maanmaand (más of mahíná) op 30 dagen gesteld. Elke maand — die met de eerste dag na volle maan (pratipadá of parivá) begint en met de dag van volle maan (Púrnimá of Púrnavási) eindigt — wordt in twee helften van 15 dagen verdeeld, namelijk de periode van de afnemende maan of de donkere maand­helft (krishna-paksh) en de periode van de wassende maan of de lichte maand­helft (shukla-paksh).

Het jaar nu eindigt met de volle-maandag (Púrnima) van de maand Phálgun of Phágun (februari/maart) en het nieuwe jaar begint op de eerste dag na volle maan (Pratipadá of Parivá) van de maand Chaitra of Chait (maart/april). Volgens de Vikram-Samvat — de jaartelling die in 57 v. C. door Keizer Vikramáditya werd ingesteld — loopt thans (1976) het jaar 2032 ten einde en zal het jaar 2033 zijn intrede doen, en volgens de Shak-Samvat — de jaartelling die in 78 n. C. door Koning Sháliváhan werd ingeluid — zal nu (1976) het jaar 1898 een aanvang nemen.

Nieuwjaarsfeest

Echter is de Nieuwjaarsdag niet zomaar wille­keurig als eerste dag van het jaar aange­nomen (zoals met l januari het geval is), doch hij heeft een diepere kosmische betekenis, waaraan de Indische eenheids­fi­lo­sofie van univer­sa­lisme ten grondslag ligt. De Indiërs, die sedert het begin van hun geschie­denis een intens spiri­tueel verlangen hebben gekoesterd, kwamen reeds heel vroeg tot het besef van de dieper­lig­gende inner­lijke eenheid achter de verbijs­te­rende verschei­denheid van uiter­lijke verschijn­selen. In het oudste religieus-literaire werk ter wereld, de Rig-Veda (± 2000 v. C.) wordt dit eenheids­besef kort en bondig tot uitdrukking gebracht in de beroemde mantra (heilige Sanskrit-tekst): Ekam Sadviprá bahudhá vadanti (Het Werkelijke is Eén, de wijzen noemen Het met verscheidene namen).

Het is dan ook geheel in overeen­stemming met deze Vedantische wereld- en mensbe­schouwing, waarin de mens zich één weet en voelt met de hem omrin­gende natuur, dat het Holifeest aan het begin van de lente valt, om welke reden het ook Vasant-Utsav (Lentefeest) wordt genoemd. Aangezien in de maand   Paush of Pús (december/ januari) de dagen bijzonder kort zijn — in feite valt de kortste dag van het jaar (21 december) in deze maand — wordt deze gekscherend soms Pús-Kanjús (Pús de Vrek) genoemd! Officieel wordt aange­nomen, dat de kracht van de winter op de vijfde dag van de lichte maand­helft van Mágh (januari/februari) is uitgewoed, om welke reden deze dag als het theore­tische begin van de lente wordt beschouwd en met Vasant-Panchamí wordt aangeduid.

Het Holifeest verheer­lijkt het ontwakend leven aan het begin van de lente na een periode van diepe slaap, toen de gehele natuur in de greep van herfst en winter lag. Het principe van leven is warmte, koude is het zinne­beeld van de dood. Als het nieuwe leven weer bruisend naar voren treedt, de kale bomen vol ritselend-groene bladeren zitten en de vele ontloken bloemen een kleuren­pracht ten toon spreiden, dan is het voor de mens tijd geworden om met de Natuur mede feest te vieren. Immers, de natuur rondom de mens is in diepste wezen in harmonie met zijn eigen inner­lijke natuur, zoals zo treffend in de beroemde identi­teits­formule van de Chhándogya-Upanishad wordt uitge­drukt: Tat tvam asi (Dat zijt gij)!

Overwinningsfeest

De Holi verzin­ne­beeldt de dood van de winter (het koude en sombere jaarge­tijde) en de geboorte van de lente (het warme en fleurige jaarge­tijde) en is dus in wezen een Overwinningsfeest: het symbool van de overwinning van het warme en bruisende leven op de kille krachten van de dood. Dit machtige natuur­ge­beuren, deze kringloop van slapen en ontwaken, van vergaan en ontstaan, van afsterven en weer levend worden in de natuur, is de grondslag voor de jaarin­deling. Wanneer het jaar oud en afgeleefd is geworden, moet het verdwijnen, om daarna weer verjongd en spring­levend terug te komen. Het nieuwe jaar begint op een tijdstip, dat de natuur aller­wegen haar sluime­rende krachten opnieuw ten toon spreidt in de vorm van aller­hande kleuren en geuren van bladeren en bloemen. (Dit is ook in Suriname, dat geen winter en lente kent, met vele bomen toch het geval). En met de natuur viert de mens ook feest: hier ligt de zin van het op elkaar gooien met diverse kleur­stoffen en reukwerken.

Ook op een andere wijze is de Holi een Overwinningsfeest: het is namelijk het symbool van de overwinning van het godde­lijke op het goddeloze, van het goede op het kwade. Volgens de religieuze traditie van het Vishnuïsme is het Holifeest de herdenking van een gebeur­tenis uit het leven van de jeugdige Prahlád (Pahlád), die een vurige vereerder was van Vishnu, het tweede aspect van de Trimúrti of Trideva (Goddelijke Drie-eenheid), en wel God als Onderhouder gezien. Vanwege zijn grote devotie (bhakti) voor Ram, een incar­natie (avatár)  van Vishnu, werd Prahlád naar het leven gestaan door zijn demonische vader Hiranyakashipu, die zichzelf tot God had gepro­cla­meerd. Toen het hem niet gelukte zijn zoon van diens vurige Vishnu-verering af te brengen, wilde hij hem met de hulp van zijn zuster, de heks Holiká, de vuurdood doen sterven. Maar dank zij zijn reine devotie werd Prahlád gered, terwijl zijn slechte tante Holiká geheel tot as werd geredu­ceerd en zijn goddeloze vader door Vishnu in de gedaante van Nar-Sinha of Nar-Singh (mens-leeuw) werd gedood.

Soms wordt het Holifeest eveneens als een Oogstfeest beschouwd, omdat het met Shrí of Lakshmí-Deví, de ‘godin’ van geluk en voorspoed (gemalin van Vishnu) in verband wordt gebracht. Aan Shrí is de achtste dag van de lichte maand­helft van Mágh (januari/februari) gewijd, om welke reden deze Shrí-Asht wordt genoemd. In Suriname is dit feest van Shri geheel in onbruik geraakt. Op Java wordt het oogst­feest, ter ere van Dewi-Sri, nog algemeen gevierd. In vele streken van India worden in de smeulende as van de verbrande Holiká koren en peulen geroosterd en opgegeten, wat in Suriname sinds lang niet meer het geval is.

Vrolijk Feest

Op de dag van Vasant-Panchamí vindt de Holiká-Sthápná (ceremo­nieel planten van de Holiká) plaats: door de pandit wordt een takje van de renr (Ricinus, castor­olie­plant) geplaatst in een kuiltje, dat na een eenvoudige ceremonie (agyárí) was gegraven. Dit geschiedt in tegen­woor­digheid van de gehele buurt­schap, b. v. een dorp of een stadswijk. Is de Holiká eenmaal geplant, dan brengen volwas­senen en kinderen iedere dag als ze erlangs komen, strohalmen, takjes en ander licht brandbaar materiaal mee om de brand­stapel groter te maken. Dit gaat zo door, tot de volle-maandag (Púrnimá) van Phálgun, in de nacht waarvan de stapel in brand zal worden gestoken. Gedurende deze periode gaat men in groepen langs de huizen van de buurt­be­woners speciale Holi-liederen zingen: chautáls (liederen met vier ritmen). Deze hele maand wordt daarom ook de mast-mahíná (uitge­laten maand) genoemd.

Het eigen­lijke Holifeest begint op oudjaars­avond met de Holiká-Dahan, het verbranden van de Holiká, als symbool van de triomf van het goede. Met behulp van de patrá is het astro­no­misch gunstige moment voor deze ceremo­niële handeling berekend. Zij wordt verricht door de pandit, die de stapel met ghi en manje-twijgjes in brand steekt. Alle aanwe­zigen (in vroeger tijden bevond ook de vorst zich onder hen) lopen vijf- of zevenmaal rond de brandende Holiká, terwijl ze chautáls en andere Holiliederen zingen. Onder het luid uitroepen van “Ho holari” wordt een speciaal liedje gezongen: Holiká mátá devo ásis, Bacche jiyen lákhonbaris (O, moeder Holiká, geeft u ons de zegen, Opdat de kinderen  honderd­duizend jaar mogen leven). Nadat de Holiká tot as is geredu­ceerd wordt er weer gezongen; echter wordt nu geen zegen afgesmeekt, doch wordt de Holiká uitge­daagd en beschimpt. Luide wordt geroepen “arararara”, als begin van een kabír (kabírs zijn stich­te­lijke zowel als obscene liederen). Ook worden er andere liederen gezongen, zoals chautáls en jogíra’s (liederen met een zeer snel ritme). De volgende morgen trekt men weer naar de verbran­dings­plaats, waar met de as van de verteerde Holiká stippen op het voorhoofd worden aange­bracht, en men wenst elkaar geluk met de intrede van het nieuwe jaar.

Op diverse wijzen tracht men aan zijn vreugde en vrolijkheid uiting te geven. Zo werd vroeger ter verhoging van de pret onder het gewone volk, vooral op het platteland, soms met stof en as en zelfs met slijk en mest naar elkaar gegooid; vandaar de naam Dhúrvár of Dhurahrí of Dhurandí (as- of stofdag). Meer algemeen is het strooien of inwrijven met gekleurde poeders (abír en gulál), het gooien van kleur­ballen (kumkumá), het besproeien met gekleurde vloei­stoffen en het bespren­kelen met reukwater en parfum. Ook houdt men elkaar voor de gek met verzonnen boodschappen (in de trant van april­grapjes) en doet men soms de aller­zotste dingen. Groepjes mensen trekken langs de huizen en zingen, naast chautáls, kabírs en jogirá’s, ook andere liederen, zoals ullárá’s en jhúmars (dansliedjes). Het is één en al vrolijkheid en uitbun­digheid, echter binnen bepaalde perken van moraal en fatsoen.

Het Holifeest is essen­tieel een democra­tisch feest: op deze dag vallen alle stands­ver­schillen weg: een ieder — jong of oud, arm of rijk, man of vrouw, intel­lec­tueel of arbeider, hoogge­plaatste of dienaar — neemt deel aan de feest­viering. Het Holifeest werkt altijd aanste­kelijk, niet het minst door zijn sfeer van vrolijkheid en gelijkheid. Het is een uiting van een onver­woestbaar optimisme ten aanzien van leven en mensheid. De Holi staat er borg voor, dat — hoe donker de dagen ook mogen zijn, hoe schrijnend het kwaad ook aandoet — deze duisternis en dit kwaad niet van blijvende aard zijn, doch overwonnen zullen worden en voor licht en goed plaats zullen maken. Uit dit geloof kan de mens hoop en kracht putten, om telkens naar het betere en het hogere te streven en het leven waard maken geleefd te worden.

Paramaribo, 5 februari 1976

Dit artikel is opgenomen in de bundel Belangrijke Hindoe-Feest- en Hoogtijdagen samen­ge­steld door:
K. Ramchand, uitge­verij Prakashan, december 2000

Foto’s: Ranjan Akloe (Holi-viering: Wijkpark Transvaal Den Haag 2019 en Suriname 2014 )

Gerelateerde artikelen:
Feest- en Hoogtijdagen 2020 en 5 jaar TIJDSCHRIFT HINDORAMA online

TOP