Aan de hand van 8 artikelen wordt de migratiegeschiedenis van de Hindostanen beschreven

Het Hindostaanse arbeidscontract en het Immigratietraktaat

prof. dr. Chan E.S. Choenni

De Hindostaanse contract­ar­beiders die naar Suriname kwamen tekenden in het hoofd­depot in Calcutta voor vertrek een definitief arbeids­con­tract. De meerderheid kwam per trein aan in Calcutta en pas na onder­te­kening van hun contract mochten zij gebruik maken van de voorzie­ningen, zoals huisvesting, voeding en derge­lijke. Zij kregen ook nieuwe kleding. De Nederlandse regering zou immers geen geld inves­teren in deze contract­ar­beiders als zij niet bereid zouden zijn om te werken op de plantages van Suriname. Bovendien kon men (juridisch) terug­vallen op dit onder­te­kende contract bij werkwei­gering. De tekst van dit arbeids­con­tract werd voorge­lezen in het Hind(ostán)i en aan werd hen gevraagd of ze akkoord gingen (rázi he). Wanneer ze akkoord waren volgde de onder­te­kening; de meesten tekenden met een afdruk van hun duim, omdat zij niet konden lezen en schrijven. Belangrijk is om nogmaals te benadrukken dat zij “als arbeiders waren besteld” door Suriname. Zij gingen een arbeids­con­tract aan met de Nederlandse i.c. Surinaamse overheid. En de plantage-eigenaren huurden als het ware de arbeid van de Hindostaanse contract­ar­beiders tegen betaling voor vijf jaar; zij werden dan ook ‘huurders’ genoemd. De plantage-eigenaren hadden van tevoren 3/8 deel van de aanvoer­kosten betaald en de rest werd betaald uit het zogeheten immigra­tie­fonds. Ruwweg waren de kosten gemiddeld per contract­ar­beider tussen f280,- f300,-en als wij de terug­voer­kosten( naar India) die gemiddeld f100,- bedroegen hierbij optellen, dan waren de totale kosten gemiddeld f400,- per contract­ar­beider. Van de 34.304 Hindostaanse immigranten hadden 112 hun eigen passage betaald.

De tekst van het arbeids­con­tract luidde:

De onder­ge­te­kende emigrant uit Brits-Indië naar Suriname verbindt zich om zijn werkgever, aan wie hij door het gouver­nement van Suriname zal toege­wezen worden, gedurende vijf jaar te dienen, gerekend van de toewijzing, onder voorwaarde van wekelijks in geld te ontvangen als loon voor een werkbare man f0,60 en voor een minder­jarige en voor een vrouw f0,40 per dag. Onder een werkbare man wordt begrepen mannen die 15 jaar of ouder zijn. De contractant zal zes dagen per week werken, van maandag tot en met zaterdag behalve op zondag en de officiële feest­dagen. De contractant zal per dag zeven uur op het veld of tien uur in de fabriek arbeiden. Er zal op behoor­lijke wijze in huisvesting en genees­kundige behan­deling worden voorzien gedurende de tijd van het contract. Na vijf jaar van dienst zal zorg worden gedragen voor de kosteloze terugvoer van de emigrant naar Brits-Indië.

Dit arbeids­con­tract was gebaseerd op het Immigratietraktaat ‑ook bekend als het ‘Koelietraktaat’- dat op 8 september 1870 na lange onder­han­de­lingen was gesloten tussen Groot-Brittannië en Nederland. Wanneer wij de relevante artikelen uit dit tractaat bestu­deren dan blijkt dat deze wette­lijke regeling vrij humaan was in de context van die tijd. De Britse regering heeft strenge eisen gesteld aan de Nederlandse regering ter bescherming van zijn onder­danen. De Nederlandse regering was primair verant­woor­delijk voor de Hindostaanse contract­ar­beiders en niet de plantage-eigenaren. Natuurlijk zijn regels in de praktijk niet altijd precies nageleefd. Er was sprake van een weder­zijdse verant­woor­de­lijkheid: de Hindostaanse contract­ar­beider had een arbeids­ver­plichting en de overheid had een zorgplicht. De niet- naleving van de aangegane arbeids­ver­plichting door de Hindostaanse contract­ar­beider werd straf­rech­telijk vervolgd. Het betekende in de praktijk dat toepassing van deze zogeheten Poenale Sanctie  onder meer bij werkwei­gering uitmondde in zware straffen, zoals gevan­ge­nis­straffen; soms zijn contract­ar­beiders in (krom)boeien geslagen. Bovendien zijn veel Hindostanen uitgebuit en een deel is bezweken aan het harde werk en het moordende klimaat. Maar het loon van 60 cent per dag respec­tie­velijk 40 cent voor vrouwen was niettemin voldoende om te sparen. Het was anders niet zinvol om te emigreren uit India naar Suriname. De vele vrije religieuze feest­dagen en het beleid van de Nederlandse overheid hebben mede ervoor gezorgd dat de Hindostaanse cultuur is behouden. De Hindostanen hebben de kansen die in Suriname waren gepakt om vooruit te komen. Zij verge­leken hun situatie met hun vroegere bestaan in India. In Suriname hadden zij een beter bestaan. Velen die waren teruggaan naar India hadden spijt, maar slechts een klein deel is het gelukt om weer uit India te vertrekken.

Immigratietraktaat

Het Immigratietraktaat, ook bekend als het ‘Koelietraktaat’, namelijk het Besluit tussen Groot-Brittannië en Nederland betref­fende de immigratie van vrije arbeiders uit Britsch Indië voor de kolonie Suriname, luidde:

Artikel 1 De Nederlandse regering zal de bevoegdheid hebben werklieden voor de Nederlandse kolonie Suriname te werven en aan te nemen in de Indische gewesten, die Groot-Brittannië toebe­hooren, en de emigranten in te schepen in de havens van Calcutta, Madras en Bombay, of eenige andere haven in Brits Indië, die daartoe later door het Britsch-Indische Bestuur zullen worden aange­wezen op de hierachter bedongen voorwaarden.

Artikel 2 De Nederlandse regering zal in elk middelpunt van aanwerving hare operatiën toever­trouwen aan een door Haarzelve gekozen agent. Deze keuzen moeten door het Britsche Gouvernement worden goedge­keurd. Zulk eene goedkeuring staat, wat het regt van haar te verleenen en in te trekken aangaat, gelijk met het exequatur, hetwelk aan de consu­laire agenten verleend wordt.

Artikel 3 De aanwerving zal geschieden overeen­komstig de regelen, welke nu bestaan of later zullen worden vastge­steld op de aanwerving van werklieden voor Britsche koloniën, en men is uitdruk­kelijk overeen­ge­komen, dat ten gevolge deze overeen­komst aan de Nederlandse regering noch te eeniger tijd, noch te eeniger plaatse, eenig privi­legie zal verleend worden op het stuk van emigratie, ‘t welk niet ter zelfder tijde en ter zelfder plaatse door de Britsche Koloniën zal genoten worden.

Artikel 4 De Nederlandse agent zal, wat betreft de hem opgedragen wervings­ope­ratiën, voor zich zelf en voor de personen van wie hij zich mocht bedienen, al de gerief­lijk­heden en voordeelen genieten, die aan de wervings­agenten voor de Britsche koloniën zijn verleend.

Artikel 5 De Regering van Hare Britsche Majesteit zal in de havens, waar emigranten mogen worden ingescheept, een agent aanstellen, in het bijzonder belast met de zorg voor hunne belangen.

Artikel 6 Geen emigrant zal mogen worden ingescheept, tenzij de in het vorig artikel genoemde agent in staat zij geweest zich te overtuigen dat zijne verbind­tenis vrijwillig is, dat hij volmaakt kennis draagt van den aard van zijne overeen­komst, van de plaats zijner bestemming, van den vermoe­de­lijke duur zijner reis en van de verschil­lende verplig­tingen en voordelen uit zijne verbind­tenis voort­vloeiende.

Artikel 7 De overeen­komsten van dienst, uitge­zonderd die, welke bedoeld worden in paragraaf 4 van art. 9 en in paragraaf 2 van art. 10, zullen in Indië gesloten worden, en zullen den emigrant verbinden bij zijne aankomst in de kolonie tot het dienen of van een bij name aangeduid persoon of van den persoon aan wien hij door de gestelde overheid zal worden toege­wezen.

Artikel 8 De overeen­komsten zullen bovendien bedingen bevatten betref­fende:

  1. den duur van de verbin­tenis, na afloop waarvan de emigrant regt heeft op vrijen terugtogt naar Indië, ten koste van de Nederlandse Regering, en de voorwaarden waarop het hem zal vrijstaan van het regt op vrijen terugtogt af te zien;
  2. het aantal der werkdagen en werkuren;
  3. het loon, de rantsoenen, indien zij gegeven worden, alsook de wijze van betaling van buiten­gewoon werk, en al de aan den emigrant beloofde voordeelen;
  4. kostle­looze genees­kundige behan­deling van den emigrant, behalve in de gevallen dat zijne ziekte, volgens het oordeel van de daartoe door het bestuur aange­wezen deskun­digen, ten gevolge van wangedrag, door eigen schuld zal zijn ontstaan. In elk contract of elke verbind­tenis zal opgenomen zijn een afschrift der artikelen 9, 10, 19 en 20 van deze overeen­komst.

 Artikel 9

  1. De duur van de verbind­tenis van een immigrant zal niet langer zijn dan vijf jaren. In geval echter dat hem behoorlijk bewezen zal zijn dat hij vrijwillig het werk verzuimd heeft, zal hij verpligt zijn daaren­boven een gelijk aantal dagen te werken als hij verzuimd heeft.
  2. Na afloop van dat tijdvak zal elke Indiër, die den leeftijd van tien jaren bereikt had bij zijn vertrek uit Indië, het regt hebben op vrijen terugtogt naar Indië op kosten van de Nederlandsche Regering.
    3. Indien hij kan bewijzen dat zijn gedrag goed is geweest en dat hij eigen middel van bestaan heeft, kan hem vergund worden in de kolonie te verblijven, zonder eenige verbind­tenis, maar van dat ogen blijk af aan verliest hij het regt op vrije terugreis.
  3. Indien hij genegen is tot het aangaan van eene nieuwe verbind­tenis, heeft hij regt op eene premie en behoudt hij het regt op vrije terugreis na den afloop van dezer tweede verbind­tenis.
  4. Aan iedere immigrant, die zijn diensttijd in de Nederlandse kolonie zal volbragt hebben, zal het vrijstaan in plaats van het zij in de kolonie te blijven, het zij naar Indië terug te keeren, op zijne eigene kosten zich naar eene andere kolonie of een ander land te begeven. Het regt van vrije terugreis van den immigrant strekt zich uit tot zijne vrouw, tot zijne kinderen, die Indië verlaten zullen hebben beneden de 10 jaren, en tot die, welke in de kolonie zullen geboren zijn.

Artikel 10 De immigranten zullen niet verpligt kunnen worden meer te werken dan zes dagen van de zeven, noch meer dan zeven uren per dag of tien uren in de fabriek. De voorwaarden van het werken op taak en elke andere soort van regeling, het werk betref­fende, zullen vrijelijk met den werkman geregeld worden. De verpligting om, op feest­dagen, zorg te dragen voor de verpleging van dieren en de behoeften van het dagelijksch leven, zal niet als arbeid beschouwd worden.

Artikel 11 De schik­kingen, die het vertrek van emigranten voorafgaan, zullen gelijk zijn aan die, welke door de bepalingen aan de Britsche koloniën zijn voorge­schreven.

Artikel 12 In de havens van inscheping zullen de emigranten de vrijheid hebben, met in achtneming der politie­ver­or­de­ningen op zulke inrig­tingen, de depots of elke andere plaats waar zij mogten zijn gehuisvest, te verlaten, ten einden zich met de Britsche agenten in gemeen­schap te kunnen stellen, welke op hunne beurt, op elk redelijk uur, de plaatsen, waar de emigranten opgenomen of gehuisvest zijn, kunnen bezoeken.

Artikel 13 Emigranten mogen in elk jaarge­tijde, met schepen van stoom-vermogen voorzien, uit Indië naar de kolonie Suriname vertrekken, maar met zeilschepen alleen van 1 augustus tot 15 maart. Elke emigrant, tusschen 1 maart en 15 september uit Indië vertrek­kende, zal, boven en behalve de hem gewoonlijk verstrekte kleeding, ten minste een dubbele deken bekomen, en hij zal daarvan gebruik kunnen maken, zoo lang het schip zich buiten de keerkringen bevindt.

Artikel 14 Elk schip, dat emigranten vervoert, moet een Europeschen heelkundige en tolk aan boord hebben. De gezag­voerders van schepen, die emigranten vervoeren, zullen verpligt zijn zich met elk pakket, dat hun door de Britschen agent in de haven van inscheping voor den Britschen consu­lairen agent in de haven van bestemming wordt ter hand gesteld, te belasten, om het terstond bij aankomst bij het koloniale Bestuur af te geven.

Artikel 15 Op elke schip, bestemd voor het vervoer van emigranten uit de havens van Calcutta, Madras, en Bombay of eenige andere havens in Britsch-Indië, die later door de Regering van Indië zullen aange­wezen worden voor de inscheping van emigranten, zullen de emigranten, hetzij tusschendeks, hetzij bovendeks, in stevig beves­tigde, geheel overdekte kajuiten, eene ruimte bezitten, uitsluitend voor hun gebruik bestemd. Bedoelde kajuiten en ruimte tusschendeks zullen op de geheele opper­vlakte eene hoogte hebben van niet minder dan zes (6) voet Engelsche maat. Geen vak zal meer dan een volwassen emigrant mogen bevatten op twaalf (12) voet, Engelsche maat, opper­vlakte op dek, en op elke kubieke ruimte van twee en zeventig (72) voet, Engelsche maat. Een emigrant boven den leeftijd van tien jaren zal voor een volwassene gerekend worden, en twee kinderen, tusschen een en tien jaren oud, zullen voor een volwassene gerekend worden. Op elke schip, dat emigranten vervoert, zal eene bepaalde en afgezon­derde ruimte tot hospitaal worden ingerigt. Vrouwen en kinderen zullen op het schip vakken bezetten, verschillend en afgezonderd van die voor de eenloopende gezellen.

Artikel 16 Bij elke verscheping van emigranten zal het getal der vrouwen minstens de helft bedragen van het getal mannen. Mogt later de verhouding, voor de Britsche koloniën vastge­steld, worden verhoogd tot de boven de helft, zoo zal dezelfde maatstaf toepas­selijk zijn op de Nederlandse kolonie.

Artikel 17 De Britsche agent zal bij de inscheping, op alle redelijke uren, het regt hebben om toege­laten te worden tot elk gedeelte van de schepen, hetwelk voor het gebruik van emigranten is ingerigt.

Artikel 18 Bij aankomst van een schip met emigranten in de Nederlandsche kolonie zal het bestuur zorg dragen dat al de bescheiden, welke het voor den Britschen consu­lairen agent ontvangen heeft, aan dezen worden ter hand gesteld, benevens:

  1. eene naamlijst van alle ontscheepte werklieden;
  2. eene lijst van de sterf­ge­vallen en de geboorten, die gedurende de reis op het schip zullen hebben plaats gehad. Het bestuur der kolonie zal de noodige maatre­gelen nemen, ten einde den Britschen consu­lairen agent de gelegenheid te verschaffen zich in gemeen­schap te stellen met de emigranten voor hunnen indeeling in de kolonie. Een afschrift van de lijst van de indeeling zal aan de Britschen consu­lairen agent worden ter hand gesteld. Hij zal worden verwittigd van alle sterf­ge­vallen en geboorten, die gedurende den duur der verbind­tenis plaats hebben, als ook van alle veran­dering van huurder en van elk vertrek gedurende de terugreis. Elke nieuwe verbind­tenis en elke acte van afstand van het regt op vrije terugreis zal aan den consu­lairen agent worden medege­deeld.

Artikel 19 Alle immigranten, vallende binnen de bepalingen van deze overeen­komst, zullen op dezelfde wijze als de overige onder­danen der Britsche kroon, en overeen­komstig de gewone regelen van het volkenregt, in de Nederlandsche kolonie het regt hebben den bijstand van den Britschen consu­lairen agent in te roepen, en geen hinderpaal zal den werkman in den weg staan om zich tot den consu­lairen agent te wenden of zich met hem in gemeen­schap te stellen, evenwel zonder inbreuk te maken op de verplig­tingen, die uit zijn verbind­tenis voort­vloeien.

Artikel 20 Bij de indeeling van werklieden zal geen man van zijne vrouw worden gescheiden, noch een vader of moeder van hunne kinderen beneden de 15 jaar. Geen werkman zal kunnen gedwongen worden, zonder zijne toestemming, van meester te veran­deren, tenzij hij door het Gouvernement mogt worden overge­nomen of door den persoon, die het goed waarop hij werkzaam is, in eigendom mogt hebben verkregen. Immigranten, die voort­durend ongeschikt tot werken zullen zijn geworden, zowel ten gevolge van ziekte als van elke andere oorzaak, buiten hun eigen toedoen, zullen terug­ge­zonden worden op kosten van de Nederlandsche Regering, welke tijd er ook nog mogt ontbreken, alvorens zij tot de vrije terugreis geregtigd zijn. 

Artikel 21 De immigratie kan in de Nederlandsche kolonie door Britsche en Nederlandsche schepen, zonder onder­scheid, geschieden. Britsche schepen, welke daartoe gebruikt worden, zullen verpligt zijn zich te houden aan alle veror­de­ningen van politie, gezondheid en uitrusting, welke op Nederlandsche schepen van toepassing zijn.

Artikel 22 De ordon­nantie voor taken en loonen voor Suriname van 1861 zal tot grondslag dienen voor de overeen­komsten, welke met de immigranten zullen aangegaan worden. De Nederlandsche Regering verbindt zich om in dit regelement geene veran­dering te brengen, ten gevolge waarvan de immigranten in eenen excep­ti­o­nelen toestand zouden geplaatst worden of hun voor hunnen arbeid voorwaarden zouden opgelegd worden, ongun­stiger dan die, welke in genoemd reglement zijn vastgelegd.

Artikel 23 De bepalingen van de tegen­woordige overeen­komst zullen niet slechts van toepassing zijn op de Indische onder­danen van Hare Britsche Majesteit, maar ook op de inboor­lingen van elken Indischen staat, die onder bescherming of onder het gezag van genoemde Majesteit staan, of welke bondge­nooten van het Britsche Gouvernement zullen zijn, of wier regering de oppermagt van de Britsche Kroon zal hebben erkend.

Artikel 24 Deze overeen­komst zal in werking treden twee maanden na de uitwis­seling der daartoe betrek­ke­lijke bekrach­ti­gingen; haar duur is bepaald op drie en een half jaar. Ze zal van kracht blijven, zoo zij niet opgezegd wordt in de loop der laatste maand van het derde jaar; daarna kan de opzegging alleen geschieden in den loop van dezelfde maand van elk achter­een­volgend jaar. Ingeval van opzegging, zal zij achttien maanden daarna eindigen. Desniettemin zal de Gouverneur-Generaal van Britsch-Indië, in Rade, overeen­komstig de resolutie van 19 september 1856, betref­fende de immigratie naar Britsche koloniën, het regt hebben de immigratie naar de kolonie Suriname ten allen tijde te schorsen, ingeval hij reden heeft te gelooven, dat in die kolonie de noodige maatre­gelen niet zijn genomen ter bescherming der emigranten bij hunne aankomst of gedurende hun verblijf aldaar, of voor hunne veilige terug­komst in Indië, of om hun de terugreis naar Indië te verschaffen ten tijde of omstreeks den tijd, wanneer zij tot zulk eene terugreis geregtigd zijn. Ingeval echter bedoeld regt, aan den Gouverneur-Generaal van Britsch-Indië voorbe­houden, ooit uitge­oefend wordt, zal de Nederlandschen Regering de bevoegdheid hebben terstond, indien zij dit noodig keurt, de geheele overeen­komst voor geëindigd te verklaren. Maar bij het eindigen dezer overeen­komst, om welke reden dan ook, zullen de bepalingen, betref­fende de Indische immigranten, die in de Nederlandsche kolonie zijn ingevoerd, van kracht blijven ten voordele van gezegde immigranten, totdat zij of naar hun eigen land zijn terug gezonden, of van hun regt op vrije terugreis naar Indië afstand hebben gedaan, of zich naar eene andere kolonie of een ander land hebben begeven.

Artikel 25 De Gouverneur-Generaal van Indië, in Rade, zal eveneens de bevoegdheid hebben, in geval van noodza­ke­lijkheid, de bepalingen van art. 13 van de tegen­woordige overeen­komst, wat betreft de datums, waarop emigranten Indië op zeilschepen mogen verlaten, zoomede de bepalingen van art. 16, wat betreft de getals­ver­houding tusschen mannen en vrouwen, in milderen zin toe te passen.

Artikel 26 Men is overeen­ge­komen, dat overal waar in deze overeen­komst gesproken wordt van de Nederlandse Regering, daarmee ook bedoeld wordt het Nederlandsch Koloniaal Bestuur van Suriname.

Artikel 27 De tegen­woordige overeen­komst zal worden bekrachtigd en de bekrach­ti­gingen zullen worden uitge­wisseld te ’s Gravenhage, zoodra mogelijk, nadat de overeen­komst voor zoveel noodig de goedkeuring der Staten-Generaal zal erlangd hebben. Ten blijke waarvan de weder­zijdsche gevol­mag­tigden haar hebben onder­teekend en met hun wapen bezegeld. Gedaan te ’s Gravenhage, den achtsten dag van september in het jaar duizend acht honderd zeventig.

Al met al waren de rechten en plichten duidelijk geregeld. Dat betekent natuurlijk niet dat in de praktijk de scheeps­ka­pitein, het scheeps­per­soneel, de plantage-eigenaren en ‑opzichters zich altijd aan deze regels hebben gehouden.  Zo was er sprake van slechte huisvesting en gezond­heidszorg voor de eerste groepen contract­ar­beiders ( 1873–1874)  met als gevolg veel doden (18%) op de plantages. De Hindostaanse immigratie is daarom in 1874 stopgezet (geschorst) door de Britse regering. Pas nadat er betere huisvesting en goede gezond­heidszorg waren  gegaran­deerd, is de immigratie  in 1877 hervat.

Met dank aan Radjin Thakoerdin voor alle onder­steuning.

TOP