Het hindoehuwelijk

Kanta Adhin

Het huwelijk, zoals dat nog steeds ook in Ned­er­land plaatsvin­dt, bestaat uit diverse cer­e­monies. Naast de huwelijks­voltrekking zelf, zijn er ook voor­berei­dende cer­e­monies en cer­e­monies nadat het huwelijk heeft plaats­gevon­den. Het hin­doe­huwelijk is daarmee een groot en inten­sief fam­i­liege­beuren. Leden van de fam­i­lie moeten klaar staan om bij de vele activiteit­en een bepaalde rol te vervullen. Som­mige fam­i­lies doen niet alle cer­e­monies heel uit­ge­breid, maar kiezen voor de meest essen­tiële han­delin­gen. Als het huwelijk in een zaal plaatsvin­dt, kan de plechtigheid die zich in de huwelijk­stent (mán­ro of man­dap) wel drie tot vier uren in beslag nemen. Bij voltrekking in een hin­doetem­pel (mandir) of, in het klein aan huis van de bruid, gaat het over het alge­meen vlot­ter.

De huwelijkscer­e­monies vin­den hun oor­sprong in India. In de oer­oude geschriften wordt bij­zon­der grote waarde toegek­end aan het huwelijk. Door diverse inter­pre­taties hebben zich in de loop der tij­den in ver­schil­lende delen van India eigen tra­di­ties ontwikkeld. Het huwelijk­sritueel bij uit Suri­name afkom­stige hin­does komt hoofdza­ke­lijk overeen met de Noord-Indi­ase tra­di­tie. De huwelijk­splechtighe­den vin­den gedurende ver­schei­dene dagen zow­el ten huize van de bruid als van de bruide­gom plaats. In Ned­er­land is het gebruike­lijk voor een of meer plechtighe­den een zaal af te huren.

De voor­berei­dende cer­e­monies

Er zijn heel veel momenten waarop diverse cer­e­monies kun­nen plaatsvin­den, en per fam­i­lie kan het aan­tal cer­e­monies dat men per se wil lat­en plaatsvin­den var­iëren. De meest voorkomende cer­e­monies ter voor­berei­d­ing van het huwelijk zijn gecon­cen­treerd ron­dom de verlov­ing (vágdán), de ondertrouw (tilak) en de dag voor de huwelijks­voltrekking (bhatván).

Bij de vágdán (San­skrit voor: het geven van het woord) vin­dt een cer­e­monie plaats ten huize van de aanstaande bruide­gom waar­bij de plechtige belofte wordt gedaan dat hij met de aanstaande bruid zal trouwen. Deze cer­e­monie vin­dt door­gaans maan­den voor het huwelijk plaats. Bij tilak (San­skrit voor: ereteken) gaat de vad­er van de aanstaande bruid, vergezeld en enkele man­nelijke fam­i­liele­den, naar het huis van de aanstaande bruide­gom. Daar brengt hij een teken aan op het voorhoofd van zijn aanstaande schoonzoon ter plechtige vast­leg­ging van het huwelijksvoorne­men. Hier­bij wor­den ook geschenken aange­bo­den, waaron­der een kokos­noot, waar­bij vooral de sym­bol­iek van belang is. De kokos­noot wordt in ver­band gebracht met de drie ogen van God Shi­va.

Bhatván vin­dt zow­el bij de aanstaande bruid als bruide­gom plaats. In Ned­er­land is het gebruike­lijk een zaal af te huren, omdat dit heel groots wordt gevierd. Vroeger wer­den op bhatván ten huize van de bruid, waar ook het huwelijk plaatsvond, plechtige en feestelijk voor­berei­din­gen voor de huwelijk­stent getrof­fen. In een zaal is dit echter moeil­ijk, en wordt de huwelijk­stent op de dag van het huwelijk zelf ingericht. Tegen­wo­ordig zijn er pro­fes­sionele bedri­jven die kant-en-klare huwelijk­sten­ten lev­eren die heel snel in elka­ar zijn gezet. Er zijn wel diverse voor­berei­din­gen die aan huis kun­nen plaatsvin­den, voor­dat men zich naar de zal begeeft, zoals de wijd­ing van de aar­den of kop­eren kruik die in de huwelijk­stent een plaats kri­jgt. Ook de tilván vin­dt thuis plaats. Dat is de cer­e­monie waar­bij aanstaande bruid en bruide­gom door vrouwelijke fam­i­liele­den wor­den ingewreven met een mengsel van olie en kurku­ma of geel­wor­tel (hal­di). Dit is een reinig­ings- en vrucht­baarhei­d­sri­tus. De cer­e­monie die in Ned­er­land aan bei­de zij­den (bij bruid en bruide­gom) meestal in de zaal plaatsvin­dt, is het roost­eren van padie, onge­pelde rijstko­r­rels tot­dat deze open­springt (lává), te vergelijken met pop­corn, maar veel klein­er. Deze cer­e­monie wordt door de tantes van bruid en bruide­gom ver­richt, en wel zussen of nicht­en van de vad­er (phuá’s). De lává van bei­de kan­ten wordt de vol­gende dag tij­dens de huwelijkscer­e­monie ver­mengd en geof­ferd. De naam bhatván houdt ver­band met de oude tra­di­tie waar­bij op deze dag alleen rijst­gerecht­en (bhát) wer­den genut­tigd.

Huwelijks­voltrekking

De dag waarop het huwelijk (viváh in het Hin­di en biyáh in het in Suri­name gespro­ken Sarná­mi) plaatsvin­dt, staat ook in het teken van diverse cer­e­monies voor­dat bruid en bruide­gom elka­ar in de huwelijk­stent het ‘ja-woord’ geven. De bruide­gom vertrekt in een stoet (barát) naar de plaats waar het huwelijk wordt voltrokken. Daar wordt hij bij de ingang ver­welkomd door de vad­er van de bruid en bin­nen door de moed­er en andere vrouwelijke fam­i­liele­den van de bruid (parch­han). Zij ont­doen hem tevens sym­bol­isch van kwade invloe­den door kleine deeg­bal­let­jes in de ver­schil­lende wind­streken te wer­pen. Daar­na gaat hij naar een spe­ci­aal voor hem ingerichte plek (nog niet in de huwelijk­stent).

De moed­er ven de bruid begelei­dt haar naar de huwelijk­stent, waar zij van de vad­er van de bruide­gom geschenken kri­jgt en de oud­ste broer van de bruide­gom haar een ket­ting van (zij­den) draad omdoet. De pan­dit(geestelijke voor­ganger) ver­richt nog een geluks- en bescher­mingscer­e­monie waar­na de bruid weer uit de huwelijk­stent wordt geleid. Ver­vol­gens neemt de bruide­gom in de huwelijk­stent plaats en wor­den diverse cer­e­monies ver­richt, waaron­der het aan­mak­en van het offer­vu­ur. De bruid betreedt ver­vol­gens weer de huwelijk­stent en dan begint de huwelijks­voltrekking, waar­bij tal van sym­bol­is­che han­delin­gen en rit­ue­len wor­den ver­richt. Hier­van wor­den de vol­gende nad­er belicht: kanyádán, saptb­hán­vari,sapt­pa­di, sapt­vachan (saptis zeven; een geluks­ge­tal) en sin­dur­dán.

De kanyádán is de cer­e­monie waar­bij de oud­ers van de bruid hun dochter afs­taan (het weggeven van de bruid). In som­mige fam­i­lies geschiedt dit alleen door de vad­er, en in andere door bei­de oud­ers. De bruid wordt eerst sym­bol­isch gewassen en geheiligd. Daar­na leggen bruid en bruide­gom de han­den elka­ar. Op de hand van de bruid zit een deeg­bak­je (loi). Ver­vol­gens giet een jon­gere broer van de bruid langza­am vanu­it de hoogte water in het deeg­bak­je op de hand van de bruid. Het uit­gi­eten van water is gebruike­lijk bij de over­drag­ing. Deze cer­e­monie vormt de kern van het huwelijk. De oud­ers verwacht­en dat de bruide­gom hun dochter als de meest kost­bare gift aan­vaard en dat hij haar met alle liefde en respect zal behan­de­len. Hier­na neemt de bruid plaats op het huwelijks­bankje naast de bruide­gom, aan zijn rechterz­i­jde.

Bij de saptb­hán­vari mak­en bruid en bruide­gom zeven rondgan­gen om het vuur. Bij de eerste drie loopt de bruid voor de bruide­gom; daar­na wor­den ze met een reep stof met elka­ar ver­bon­den en lopen ze ver­vol­gens de resterende vier rondgan­gen waar­bij de bruid achter de bruide­gom loopt. Bij elke rondgang strooien ze de tij­dens de bhatván geroos­t­er­de padie (lává)) in het vuur. Dit is een geluk­bren­gende rit­us.

De kanyádán kri­jgt pas bindende kracht nadat de bruid zeven schre­den heeft gezet (sapt­pa­di). Deze cer­e­monie sym­bol­iseert de instem­ming van de bruid met de wens van de bruide­gom tot innige ver­bon­den­heid. De schre­den wor­den soms alleen door de bruid gezet, maar vaak ook samen met de bruide­gom. Ver­vol­gens stelt de bruid zeven voor­waar­den (sapt­vachan) aan de bruide­gom. Deze hebben, geïn­ter­pre­teerd naar de huidi­ge tijd, betrekking op het geza­men­lijk optrekken naar buiten toe, huishoudelijke zelf­s­tandigheid, inspraak en samen­werk­ing bij beheer van goed­eren en finan­ciën en bij de aan- en verkoop van goed­eren en, tot slot, op trouw van de bruide­gom. Nadat de bruide­gom plechtig heeft beloofd aan de gestelde voor­waar­den te zullen vol­doen, spreekt hij het vertrouwen uit dat als de bruid naar har­monie en trouw zal streven het goed zal gaan. De bruid neemt ver­vol­gens aan de link­erz­i­jde van de bruide­gom op de huwelijks­bank plaats. Met de sin­dur­dán wordt het huwelijk bezegeld. De bruide­gom brengt ver­miljoen­poed­er (sin­dur) aan in de haarschei­d­ing van de bruid.

Het hin­doe­huwelijk is een van de belan­grijk­ste religieuze gebeurtenis­sen (vivah san­skár). Het omvat een aaneen­scha­kel­ing van plechtige, sym­bol­is­che han­delin­gen. De duur is afhanke­lijk van de wensen van de fam­i­lie en/of de geestelijke voor­ganger. Als het huwelijk in een zaal plaatsvin­dt en erg lang duurt, soms wel vier uren, is het vri­jwel onmo­gelijk de aan­dacht van de aan­wezi­gen  vast te houden. Van­wege de indel­ing van de zaal is het ook moeil­ijk voor alle aan­wezi­gen om de han­delin­gen die in de huwelijk­stent plaatsvin­den te kun­nen vol­gen. Er is dan vaak ook geen bewuste belev­ing van de plechtigheid en sym­bol­iek van de viváh san­skár. Voor de gas­ten gaat het dan meer om het gezel­lig samen­z­i­jn, samen eten en na het huwelijk geni­eten van de muziek­band.

Een uit­ge­brei­de beschri­jv­ing van het hin­doe­huwelijk met een ver­tal­ing van de San­skrit spreuken (mantra’s) die bij diverse cer­e­monies wor­den gere­citeerd, is te vin­den in de door Dharm-Prakash uit­gegeven pub­li­catie van de heer Jnan Adhin: Het hin­doe-huwelijk, achter­gron­den, inhoud en beteke­nis van het huwelijk­sritueel (Para­mari­bo, juli 1976).

TOP