Heeft het Sarnámi nog een toekomst? (2)

Cross-linguïstische invloeden in het Sarnámi

Rabin Baldewsingh

Dat cultuur iets dynamisch is weten we onderhand wel. Hij is onderhevig aan allerlei invloeden, zeker wanneer die zich mani­feste­ren in een diverse omgeving. Als die in tijd niet verandert dan is die cultuur dood. Cultuur bestaat uit tradities, maar ook de taal vormt een inherent onderdeel ervan. Sterker nog, taal is cultuur en bepaalt in belangrijke mate mede de culturele identiteit van een bevolkingsgroep.

Surinaamse Hindustanen hebben altijd in een diverse omgeving geleefd. Of het nu in Suriname is of in Nederland, ze hebben zich altijd weten te omringen door mensen met een diverse culturele achtergrond. Deze contacten hebben ervoor gezorgd dat over en weer een uitwisseling is van ideeën, culturele eigenheden, culinaire gewoonten en taalkundige uit­druk­kings­vor­men. Kenmerkend in die taalkundige uit­druk­kings­vormen is de meertaligheid van Hin­du­stanen. En die meertaligheid heeft nu ervoor gezorgd dat de eigen moedertaal, het Sarnámi, afhankelijk is geworden van andere talen in de directe omgeving, vooral van het Nederland en het Sranantongo. En hoe dominanter de ene taal ten opzichte van het Sarnámi, hoe groter de afhankelijkheid in manifestatie en ontwikkeling in dat multi-linguaal context. Dit verklaart waarom na ruim honderd jaar ontwikkeling het Sarnámi nu in rap tempo terrein verliest ten opzichte van de omringende dominantere talen. Je ziet dat in Suriname vooral het Sranantongo (en bij de jongste generatie misschien ook wel het Nederlands) een dominantere vorm heeft aangenomen bij Sarnámi sprekers, terwijl in Nederland overwegend het Nederlands zeer dominant is bij Sarnámi sprekers.

Meertaligheid brengt met zich mee dat talen niet in een geïsoleerde vorm opgeslagen zijn in de hersenen van een spreker (het zogenaamde cognitieve veld). In de hersenen van de mens vinden er bewust en onbewust ontmoetingen (en soms zelfs samensmeltingen) van woorden plaatsen. In de taalkunde wordt dit fenomeen aangeduid als “cross-linguïstische invloeden”. Deze cross-linguïstische invloeden worden ook wel gezien als invloeden van de kennis (taalverwerving) van een persoon voor een bepaalde taal op de invloeden van diezelfde persoon op een andere taal. Dit betekent dat de invloeden heel nadrukkelijk plaatsvinden in de gedachten van de spreker. Cross-linguïstische invloeden kunnen leiden tot veranderingen in taalgebruik. Dat kan zich onmiddellijk voordoen of gedurende een bepaalde periode. Een belangrijk verschijnsel hierbij is dat bijvoorbeeld bij vertalingen van woorden heel makkelijk geleend wordt uit een andere taal, zoals uit het Nederlands: telefisi (televisie) in plaats van durdarsan; forsál (woonkamer) in plaats van baithak kamará; bánkstel (bankstel) in plaats van baithaká. Of uit het Engels: computer, dashboard, bus. En ook uit het Sranantongo: kurkuru (korf), fáyá (vuur, hevig) in plaats van ág; morsu (vuil, vuiligheid) in plaats van mailá.

Veranderingen die gedurende een langere tijd plaatsvinden, gaan gepaard met een vorm van een samensmelting waarbij kenmerken van beide talen in die woorden terecht kunnen komen. Voorbeeld hiervan zijn de volgende woorden: lambá bruku (lange broek), kariyá kot (smoking), mocaipan (hoererij), kolpátu (koolpot), sitalgrás (citroengras).  Ook kunnen er woorden worden overgenomen en in een eigen jasje worden gegoten, waardoor er een nieuw woord wordt gecreëerd. Dit fenomeen staat bekend als leenwoorden: kopcháp (cookshop), biskut (beschuit), baisikli (bicycle), wasummá(wasplank), klèp (wasknijper) en bokit (bucket).

Veranderingen in taalverwerving en taalgebruik kunnen heel onbewust plaatsvinden. De dominante taal beïnvloedt de heritage-language, in dit geval Sarnámi. Dit betekent dat heritage-sprekers vaak switchen van de heritage-language naar de dominante taal. Hierdoor raakt de eigen taal in verdrukking. Het is immers makkelijker geworden om woorden uit de dominante taal over te nemen en die in een zinsconstructie te plaatsen. Dit gebeurt reeds op jonge leeftijd. Je hoeft daarvoor de grammatica niet helemaal te beheersen. Het proces gaat vanzelf en blijf aan de spreker ‘kleven’, zeker wanneer die niet gecorrigeerd wordt. Dus, als ouders hun kinderen niet bewust de eigen taal leren en hen hun gang laten gaan met het adapteren van woorden uit de dominante taal in plaats van gebruik van bestaande woorden, dan krijg je in plaats van taalverrijking taalverlies. En dit proces zal moeilijk te stoppen zijn, zeker wanneer er geen ondersteuning (vangnet) is vanuit bijvoorbeeld het regulier onderwijs.

Cross-linguïstische invloeden is inmiddels een waar fenomeen in het Sarnámi. Je ziet nu dat veel Sarnámi sprekers niet meer in staat zijn de eigen taal compleet te verwerven. En dat is erg jammer, want talrijke woorden verdwijnen in rap tempo en worden vervangen door woorden uit de dominante talen. Enkele bijzondere voorbeelden zijn woorden als titholi (grap), jábá (muilkorf), batakkar (redenaar, praatgrage), sitpitáe (teleurgesteld raken), etc. Dus, wat je nu ziet is dat het Sarnámi situationeel gewoon wel gesproken wordt, maar onder stevige invloeden van de dominante taal. Dit is heel erg manifest bij de jongste generatie die de traditionele taal langzaam loslaat (en soms zelfs helemaal heeft losgelaten) en overgaat tot het bezigen van de dominante taal. Geleidelijk aan zal dit proces leiden tot het verdwijnen van de taal, in eerste instantie in de dagelijkse omgang en over een langere periode tot uiteindelijk het uitsterven van de taal. Kijk maar naar bekende voorbeelden als Guyana, Trinidad en Mauritius. En nog dichterbij, het proces dat het Surinaams Javaans op dit moment ondergaat, zowel in Suriname als in Nederland. In Nederland hoor je het nauwelijks om je heen klinken, behalve onder ouderen van de eerste generatie.

Is het dan nu te laat om onze kleine taal weerbaar te maken tegen de enorme druk van buiten. Het wordt heel erg lastig, maar te laat is het zeker niet. Er zijn genoeg mensen die de taal nog goed spreken. In hen moeten we juist inspiratie vinden om het Sarnámi verder te blijven ontwikkelen. Maar alleen gaan we dit op onze eigen houtje niet kunnen doen. We hebben daarvoor institutionele steun nodig; steun van de politiek en van het onderwijs. Misschien zal het verschil niet meer gemaakt kunnen worden in Nederland, maar Suriname heeft alles in zich om de reddende boei toe te werpen naar het Sarnámi. Waar wachten we op? Let’s get started!

Uw reactie kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam en het artikel waar u op reageert.

TOP