Een balans na 45 jaar onafhankelijkheid Suriname

Prof. dr. Chan E.S. Choenni

Suriname en de twee betwiste gebieden gearceerd.

Bijna een halve eeuw geleden werd Suriname een on­af­­hankelijke staat. De republiek Suriname heeft daar­na turbulente ontwikkelingen doorgemaakt. Er waren goede tijden en slechte tijden. Na 45 jaar on­af­hankelijkheid is het dan ook tijd voor reflectie en het trekken van conclusies. Ik beperk mij in dit artikel tot het trekken van tien conclusies. Ik sluit af met het actuele thema klimaatverandering. In dit verband doe ik ver­volgens het voorstel om de zogeheten betwiste gebieden die Suriname deelt met de buurlanden Guyana en Frans Guyana te bestemmen tot natuurreservaten.

De overhaaste onafhankelijkheid op 25 november 1975 resulteerde in een grote emigratie van Surinamers. Voorafgaand aan de onafhankelijkheid koos een aanzienlijk deel van de Surinaamse bevolking voor een betere en zekere toekomst in Nederland. Suriname verloor een deel van zijn vitale bevolking. Voor velen was de onafhankelijkheid een trauma: men heeft voor een appel en ei zijn landerij en woning verkocht die met zweet en tranen waren opgebouwd. De twee voornaamste aanjagers van deze schele onaf­hanke­lijkheid, namelijk de politieke leiders Henck Arron en Eddy Bruma hebben toen nauwelijks iets ondernomen om de leegloop van het land te voorkomen. Arron heeft later wel toegegeven dat hij een verkeerde inschatting had gemaakt. De extreem-nationalistische en anti-Nederlandse politicus Bruma werd later echter niet meer opgenomen in de nieuwe coalitieregering, die in 1977 onder leiding van Arron opnieuw aantrad. Bruma had ten onrechte Arron beschuldigd van financiële malversaties. Beide politici hebben achteraf beschouwd, Suriname dan ook geen goede dienst bewezen. Bovendien werd de ontwikkelingshulp i.c. het bedrag ad 3,1 miljard gulden verbrast. Op 25 februari 1980 werd het regime van Arron c.s. als het ware weggeschoten. Als sterke man kwam de militair Desiree Delano Bouterse te voorschijn. Daarna volgden turbulente politieke ont­wikkelingen in Suriname, waarvan Bouterse de voornaamste regisseur was. Mede door toedoen van de eminente politieke leider Jagernath Lachmon vond in 1987 een terugkeer naar de democratie plaats.

Er had zich door de tijd heen een zogeheten Surinaamse diaspora gevormd in Nederland. Op de Antillen, in de Verenigde Staten en in België ontstonden gaandeweg kleinere gemeenschappen van Surinamers. Thans zijn er ongeveer 1 miljoen Surinamers op de wereld. Ruim 560.000 in Suriname, bijna 400.000 in Nederland en de rest woont in de eerdergenoemde landen. Vermel­denswaard is dat deze diaspora van meet af aan de landgenoten in Suriname is blijven ondersteunen; niet alleen in materieel, maar ook in moreel opzicht. Terecht beschouwt de in 2020 aangetreden regering Santokhi-Brunswijk deze diaspora als onderdeel van de Suriname bevolking. Bovendien verkeert deze regering niet in vijandschap met de Nederlandse regering.

Het actief en effectief inschakelen van de Surinaamse diaspora en ook Nederland als voormalig kolonisator én Rijksdeel is geboden. Het talmen met een diasporabeleid door de Surinaamse regering -die is al ruim 3 maanden aan de macht- is dan ook niet bevorderlijk voor het draagvlak onder vooral de Surinaamse diaspora in Nederland.

Er was voorafgaand aan de onafhankelijkheid sprake van etnische polarisatie en politieke uitsluiting van de grootste bevolkingsgroep in Suriname. Op het laatste moment is een raciale burgeroorlog voorkomen. Achteraf beschouwd kan worden gesteld dat de toenmalige leidende politici zich zeer onverantwoordelijk hebben gedragen. Maar het moet worden ge­con­stateerd: Suriname is na deze fase van etnische polarisatie er in multi-etnisch opzicht sterker uit gekomen. Dat is mede te danken aan de interventie door het militair regime en later de NDP (Nationale Democratische Partij). Alle bevolkingsgroepen werden betrokken bij het bestuur en etniciteit werd minder belangrijk in de politieke arena. In politiek opzicht was Suriname al grotendeels een harmonieuze multi-etnische samenleving, maar in 2020 is dat nog veel sterker het geval.

De huidige President Chandrikapersad Santokhi heeft niet alleen een cross-over per­soon­lijkheid, maar ook een breed mandaat en draagvlak onder alle bevolkingsgroepen. Hij verdient dan ook allerwegen ondersteuning om Suriname daadwerkelijk vooruit te helpen.

Ondanks enkele zwakke pogingen in het verleden om een assimilatiebeleid te voeren, is Suriname een multiculturele samenleving gebleven. De culturele diversiteit is behouden en wordt nu als kracht beschouwd. De verschillende bevolkingsgroepen koe­steren hun cultuur en hebben ook relaties met de broncultuur landen, zoals Ghana, India, Indonesië en China. De Surinaamse culturele diversiteit wordt ook internationaal geëtaleerd en ingezet voor bevordering van het toerisme. De relaties met de eergenoemde landen zal ook bijdragen aan verdere ontwikkeling van Suriname. Er is sprake van wederzijds respect voor elkaars cultuur. Racisme wordt veroordeeld en verworpen in Suriname, zoals onlangs is gebleken in verband de publicatie van een racistische cartoon in het dagblad Suriname. In multicultureel opzicht is de Surinaamse samenleving dan ook een voorbeeld voor de wereld. Thans is ook de achtergestelde groep van Marrons in ruime mate medebestuurder van het land. Door de tijd heen heeft zich in dit verband een demografische verandering voltrokken. De Marrons vormen wat betreft bevolkingsomvang nu de tweede bevolkingsgroep in Suriname.

Laten wij hopen dat de huidige regering er in zal slagen de achtergestelde positie van deze groep alsook de Inheemsen (voorheen Indianen) op te heffen. Acceptatie en gelijkwaardig burgerschap van alle Surinamers blijft geboden. 

Suriname heeft -helaas- te maken gehad met politiek geweld. Nadat op 25 februari 1980 al enkele militairen waren doodgeschoten, hebben Bouterse c.s. op 8 december 1982 vijftien tegenstanders op gewelddadige wijze vermoord, Daarna is ook een bloedige bin­nen­landse oorlog gevoerd met veel doden onder vooral de Marrons. Het politieke geweld is gelukkig afgezworen en er is nauwelijks sprake van omvangrijke haat en gewelddadige vergelding. Surinamers zijn echter merendeels vergevingsgezind en levenslustig gebleven en dit traumatische verleden lijkt grotendeels te zijn verwerkt. De rechtstaat is overeind gebleven. Rest nog de afwikkeling van kwestie Bouterse in verband met de zogeheten decembermoorden via de rechter.

Er heerst nu vrijheid van meningsuiting en de angst die er heeft geheerst lijkt langzamerhand te verdwijnen. Ondanks alle politieke strubbelingen is de bevolking niet cynisch geworden en is veerkrachtig geblevenDe toegenomen transparantie in het bestuur mede gefaciliteerd door de sociale media moet worden behouden en uitgebouwd.

Sterker nog: Suriname is een democratie gebleven en zeker geen failed state (mislukte staat) geworden. Dit jaar heeft de bevolking de NDP en vooral Bouterse via de verkiezingen massaal afgewezen. Tijdens de telling van de stemmen was duidelijk dat vele burgers hebben gewaakt om mogelijke verkiezingsfraude te voorkomen. De democratie is dan ook springlevend in Suriname. Er is nu een breed samengestelde en competente regering die ondanks enkele beginnersfouten en startproblemen (bijvoorbeeld -vermeend- nepotisme) voortvarend aan het werk is gegaan. Na 100 dagen zijn er al verschillende maatregelen getroffen en de corruptie die er heeft geheerst is blootgelegd.

Na bijna 45 jaar heeft Suriname eindelijk een integer, competent en daadkrachtig bestuur. President Chan Santokhi lijkt the right man on the right place and on the right time te zijn. Naar het zich laat aan zien zal Suriname na 45 jaar onafhankelijkheid zich eindelijk ontwikkelen in de vaart der volkeren, zoals het zo mooi heet.

Geconstateerd moet worden dat de verschillende regeringen de afgelopen 45 jaar er nauwelijks in zijn geslaagd om een groot deel van de bevolking te motiveren en te mobiliseren om op productieve wijze een bijdrage te leveren aan de opbouw van het land. Het ambtenarenapparaat dijde uit en vormde een wa­ter­hoofd voor de Surinaamse economie. Vaak fungeerde het als hindermacht in plaats van faciliterend te zijn voor ontwikkeling van het land. Bovendien bleef de winti wai, lanti sa pai (de overheid zal betalen voor de kosten) houding overeind. Vaak werd alles afgewenteld op de overheid en was men niet of nauwelijks actief als burger om een bijdrage te leveren aan het algemeen belang.

In het kader van actief burgerschap zal meer dan voorheen een appèl op de burgers moeten worden gedaan om naar vermogen een bijdrage te leveren aan de instandhouding en beheer van de infrastructuur van Suriname. De productieve sectoren van de economie en vooral de agrarische sector verdienen gerichte aandacht alsmede de opleiding en vorming van de burgers in deze richting. 

De republiek Suriname heeft in economisch opzicht goede tijden en slechte tijden gekend. Er zijn perioden van economische groei geweest en van economische stagnatie. Er waren Governors van de Centrale Bank aan het roer die spaarzaam waren, zoals bijvoorbeeld de heer A. Telting. Het moet echter worden geconstateerd dat vooral Governors aangesteld door de NDP, zoals H. Goedschalk en R. Van Trikt corrupt bleken te zijn en de staatskas hebben leeggeroofd. Recent is gebleken dat de Bouterse-Adhin regering corrupt is geweest en Suriname met een grote schuldenlast heeft achter­gelaten. Erger nog: de voormalige Governor van de Centrale Bank en Minister van Financiën, G. Hoefdraad was de verpersoonlijking van corrupt beleid. Hij is ondergedoken en voortvluchtig met medeneming van belangrijke gegevens. Dit is een blamage van formaat voor de NDP. Trouwens de beschuldigingen over corruptie zijn niet of nauwelijks weersproken door de NDP. De afgelopen maanden was er dan ook sprake van een deconfiture (de mislukking werd in beeld gebracht) van Bouterse c.s. en ontmaskering van corrupte NDP politici.

Hopelijk ontstaat een vernieuwing binnen de NDP en kan deze partij een constructieve oppositierol vervullen binnen de Surinaamse de­mo­cratie. De huidige regering poogt voorzieningen te treffen van de schuldenlast af te komen. Naar verwachting zal vanaf volgend jaar (2021) met hulp van internationale fondsen, buitenlandse mogendheden en goed financieel beleid Suriname in financieel opzicht ‘gezond’ worden. Ook de Surinaamse diaspora moet worden ingeschakeld om in dit verband een bijdrage te leveren. De vooruitzichten in verband met de olievondsten en de exploitatie van de oliebronnen kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren.

De afgelopen jaren is door de verschillende regeringen de ontwikkeling van de infrastructuur ter hand genomen. Een groot deel van het bewoonde gebied in Suriname is ontsloten. Er zijn nu plannen voor onder meer de bouw van twee bruggen, waardoor beide buurlanden nu over de weg bereikbaar zullen zijn. Maar wat betreft de gebouwde omgeving is er sprake geweest van groot achterstallig onderhoud. Er is ook achterstallig onderhoud van gedeeld erfgoed van Suriname en Nederland. Er kon vanwege van de vijandschap met de Nederlandse overheid niet of nauwelijks gewerkt worden aan onderhoud en herstel van het gedeeld erfgoed. Suriname was ook internationaal geïsoleerd vanwege het regiem van Bouterse c.s. Nu is de situatie ten goede veranderd.

Het is zaak om in samenwerking met Nederlandse overheden en internationale or­ga­ni­sa­ties het achterstallig onderhoud en herstel van het gebouwd erfgoed ter hand te nemen. In verband met genoegdoening voor het slavernijverleden moeten Nederlandse steden/gemeenten als Amsterdam en Rotterdam worden betrokken bij onderhoud en herstel van het gedeeld erfgoed, zoals veel monumentale gebouwen in Paramaribo. Ook in dit verband moet de Surinaamse diaspora worden betrokken. 

Suriname beschikt over veel bodemschatten en wordt beschouwd als (potentieel) het 17de rijkste land ter wereld. Vermeldenswaard is evenwel dat 100 jaar geleden -omstreeks 1920- een discussie woedde in hoeverre de landbouw dan wel de industrie/mijnbouw het belangrijkste trekpaard van de Surinaamse eco­nomie zou moeten zijn. De landbouwdeskundige J.J. Leys -naar wie de Leysweg is vernoemd- koos voor de landbouw. De eertijds bloeiende goud- en balata-industrie gingen namelijk toen vrijwel ten onder in Suriname. Gelukkig kwam daarna de bauxietindustrie op en Suriname kon zich met deze industrie lange tijd in economisch opzicht grotendeels redden. Nu wordt olie als nieuwe trekpaard beschouwd. Maar deze industrieën zijn onderhevig aan de wereldvraag en de prijzen schommelen. Bovendien zijn deze grondstoffen niet oneindig beschikbaar en dragen bij tot milieu­verontreiniging. Ook blijkt vaak dat slechts een deel van bevolking daadwerkelijk profiteert van de gegeneerde welvaart.

In de jaren dertig is onder leiding van A.L. Waaldijk -naar wie de huishoudschool is vernoemd- het project Creola op plantage Uitkijk (grenzend aan Saramaccarivier) was opgezet om Afro-Surinamers terug te krijgen in de landbouwsector. Afro -Surinaamse landbouwers waren aan het eind van de 19de eeuw namelijk succesvol in de productie van cacao. Helaas werd door de zogeheten krullotenziekte (infectie van de bladeren) deze sector de das omgedaan. En helaas mislukte ook het project Creola door mis­management. Suriname was echter als landbouwkolonie opgezet vanwege de vruchtbare grond. Vanwege de wrede slavernij is een landbouwtrauma ontstaat onder een deel van de bevolking alsook valse schaamte om in deze sector te werken. Maar juist de agrarische sector zou het trekpaard van de Surinaamse economie moeten worden. Er is een grote vraag naar voedsel en zoet water in het Caribisch gebied. Suriname kan daar ruimschoots in voorzien en goed geld verdienen. Bovendien kan een groot deel van de bevolking worden ingeschakeld. Voorts kunnen eigentijdse (‘state of the art’) technieken worden gebruikt bij de productie, waardoor de opbrengst wordt verhoogd en bepaalde inconveniënten (ongemakken), zoals werken onder de felle zon en in de hitte worden verholpen. Het uitbreiden van de extensieve rijstbouw en produceren van kruiden en medicinale planten, bloementeelt en andere land­bouwproducten zijn enkele voorbeelden.

De agrarische sector en in het bijzonder duurzame landbouw zouden dan ook meer dan voorheen het trekpaard van de Surinaamse economie moeten worden. Het upgraden en promoten van deze sector en de bevolking daarbij betrekken, in het bijzonder ook de jeugd en scholen verdient krachtige ondersteuning.

10 Tenslotte zij vermeld dat Suriname behoort tot één van de groenste landen van de wereld. De Surinaamse natuur moet worden gekoesterd mede in relatie tot de klimaatverandering. De klimaatverandering resulteert in ondermeer de opwarming van de aarde. Suriname heeft daar ook last van. Vernietiging van het Amazonegebied, in het bijzonder het Amazonewoud versnelt dit proces. Het binnenland van Suriname maakt onderdeel uit van dit gebied. Suriname is rijk aan bos en zoet water. In dit licht is het natuurbehoud dan ook geboden. En voor zover de natuurlijke rijkdommen moeten worden geëxploiteerd, zal dat behoedzaam moeten plaats­vinden. Dat wil zeggen: op een duurzame wijze.

Het vernietigen van de natuur en de habitat voor de dieren in Suriname bijvoorbeeld door ongecontroleerde goudwinning is uit den boze. Gelukkig heeft Suriname 10% van het landareaal al bestemd tot Centraal natuurreservaat. Maar eigenlijk zou een groter gebied tot natuurreservaat moet worden bestemd. 

De drie Guyana’s
Recent zijn er plannen ontvouwd voor een brug over de Corantijnrivier en een brug over de Marowijne rivier. De betekent dat de zogeheten drie Guyana’s over land met elkaar zullen worden verbonden. Suriname stond ook bekend als Nederlands Guyana/Dutch Guyana en is geologisch beschouwd onderdeel van het zogeheten Guyana schild. De ambitie van de regering Santokhi–Brunswijk is om al in hun regeerperiode (2020-2024) beide bruggen te realiseren. De verbinding over land zal niet alleen het onderlinge personenverkeer vergroten, maar ook de verdere ontwikkeling van de drie Guyana’s versnellen alsook de interdependentie. Suriname deelt met beide buurlanden echter grensgebieden die worden betwist. De laatste tijd is de discussie opgelaaid over het betwiste Tigri gebied. Veel Surinamers menen dat dit gebied rechtmatig tot Suriname behoort en voeren allerlei historische en juridische argumenten aan. Er was recent een bijeenkomst op Grun Djari van de politieke partij NPS (Nationale Partij Suriname) over een mogelijk proces bij het Internationaal Gerechtshof.

Is het wel verstandig en wijs om in het huidige tijdsgewricht en gelet op het voornemen voor sa­men­werking met Guyana en de bouw van een brug om op de proppen te komen met discussies over dit grensgeschil? Is er niet een elegantere oplossing te vinden in het voordeel van beide landen? Een win-win oplossing dus voor dit grensgeschil en ook voor het grensgeschil met Frans Guyana is geboden.

Het Tigri gebied
Tot 2014 ontbrak echter een gedegen en overzichtelijke stu­die over de Su­rinaamse grens­ge­­schillen. De advo­caat Lachman Soe­da­mah heeft zijn proefschrift hieraan gewijd met de titel Suriname compleet? Een studie over de mogelijke bijdrage van het volkenrecht aan de oplossing van de Surinaamse grensgeschillen, Oisterwijk: Wolfpublishers. Ik maak hieronder gebruik van deze studie.

Met Guyana is een geschil over het gebied in de Zuidwesthoek van Suriname. Dit grensgebied rond ‘de Nieuwe Rivier Driehoek/New River Triangle’-in Suriname ook bekend als Tigri gebied- is gelegen tussen de bovenloop van de Corantijnrivier. Dat staat bekend als de Nieuwe rivier en de zijrivier Coeroeni vormt de westgrens en Brazilië de Zuidgrens. Dit betwiste gebied met Guyana is 15.603 vierkante kilometers groot. Het geschil heeft als grondslag dat historisch eerst de Coeroeni rivier werd beschouwd als de belangrijkste bronrivier van de Corantijnrivier. Dat was vastgesteld door de geograaf Robert Schomburgk tussen 1840-1844. Het werd dan ook als de zuidwestgrens van Suriname beschouwd. Maar in 1871 werd de Nieuwe Rivier ’ontdekt’. Deze rivier bleek breder en dieper te zijn dan de Coeroeni. Dus de Nieuwe Rivier moet de grens met Guyana zijn volgens Suriname: want dat is de belangrijkste bronrivier. Op de internationale kaarten werd echter meestal de Coeroeni rivier als grens aangeven, terwijl in geografisch opzicht Suriname het gelijk aan zijn zijde heeft. Maar hoogstwaarschijnlijk zal de historische gegroeide praktijk het winnen en lijkt mij -eerlijk-gezegd- de positie van Suriname in dit grensgeschil minder sterk dan van Guyana. Het is dan ook de vraag of het wijs is van Suriname om deze kwestie aan het Internationaal Gerechtshof voor te willen leggen.

Marowijne-Litani gebied
Met Frans Guyana heeft Suriname een grensgeschil over het gebied tussen de Litani-rivier en de Marowijnekreek en de Zuidgrens met Brazilië. Dit betwiste gebied ligt in de Zuidoosthoek van Suriname en is 3.439 km2 groot. Als de bronrivier van de Marowijnerivier de Ma­ro­wij­nekreek is, dan behoort het gebied aan Suriname. Als de Litani de bronrivier, dan valt het gebied toe aan Frans Guyana. Vermeldenswaard is dat in 1860 was van Franse zijde de vraag werd geopperd of de Lawa dan wel de Tapanahony als de hoofdrivier was te beschouwen. Een Frans-Nederlandse commissie nam in 1861 de beide rivieren op en kwam tot het besluit dat de Lawa de hoofdrivier was. Toen in 1885 in het gebied tussen de beide genoemde rivieren goud ontdekt werd, ontstond een grensgeschil. Om aan het geschil een einde te maken sloten de beide mogendheden op 29 november 1888 een overeenkomst, waarbij bepaald werd dat het geschil aan de uitspraak van een scheidsrechter zou worden onderworpen. Deze scheidsrechter, Tsaar Alexander III van Rusland, besliste dat de Lawa als de grensrivier moest worden beschouwd. Uit hoofde van deze scheidsrechterlijke uitspraak behoorde het grondgebied boven de samenvloeiing van Lawa en Tapanahony voortaan aan Nederland c.q. Suriname vanaf 1891. Nu was vastgesteld dat de Lawa de hoofdrivier is, begon de discussie over de vraag of de Litani dan wel de Marowijnekreek de voortzetting van de Lawa is. Dit grensgeschil is tot op heden nog niet opgelost.

De vraag is: hoe om te gaan met de beide betwiste gebieden. Soedamah geeft richtlijnen voor mogelijke oplossingen van de Surinaamse grensgeschillen, zoals het ‘’het kanaliseren van nationalistische gevoelens” en “het verbod op het gebruik van geweld”. Alvorens ik mijn voorstel doe, memoreer ik een gebeurtenis van ruim 50 jaar geleden.

 ‘Wij willen oorlog’
In 1969 was er sprake van grote politieke spanningen tussen Suriname en het buurland Guyana over het betwiste gebied Tigri. Aanleiding was ondermeer het verjagen van een groep Surinaamse arbeiders door het Guyanese leger en het plaatsje Tigri werd door Guyana bezet. In augustus 1969 leidde dat tot een bijzondere protestdemonstratie in Paramaribo. Ik zat toen op de C.R. Frowein (mulo) school in Paramaribo en hoorde tijdens de schoolpauze dat er een demonstratie binnen enkele uren zou plaatsvinden tegen (het buurland) Guyana. ‘’Ons grondgebied was aangevallen”, werd er geroepen. Een groep manlijke studenten (de term studenten werd toen gebruikt om actieve middelbare scholieren te duiden!) werd gemobiliseerd –aan vrouwelijke scholieren werd toentertijd niks gevraagd! Sensatiebelust als wij toen waren, besloten wij direct om mee te doen aan deze demonstratie. Er werden kartonnen verzameld en houtskool -Surinamers kunnen in dergelijke situaties goed improviseren. Op het schoolplein werden enkele kartonnen borden schots en scheef getimmerd aan houten stokken. Er verschenen oorlogszuchtige teksten op de kartonnen borden en één tekst luidde: Wij willen oorlog! Wij liepen weg van school en de stoet ‘studenten’ toog triomfantelijk en veel kabaal makend naar het zogeheten Kerkplein gelegen in het centrum van Paramaribo. Op het Kerkplein bleek dat opgeschoten (werkloze?) jongemannen van Paramaribo al een stoet hadden gevormd. De demonstratieleider Ronald H. was net overgekomen uit Nederland. Hij was de organisator en vuurde de demonstranten via een megafoon aan. Hij bevestigde desgevraagd herhaaldijk dat aan het eind van de demonstratie iedereen zou worden getrakteerd op “een koude soft” (een flesje frisdrank). Luid schreeuwend kwam de stoet in beweging en vrij snel werd de leuze: “Wij willen oorlog!” aangeheven. Met gebalde vuisten in de lucht scandeerden wij deze leuze en maakten een rondgang langs enkele belangrijke straten van Paramaribo om weer terug te keren naar het Kerkplein. Terwijl wij in de felle zon liepen keken de omstanders half geamuseerd naar ons, maar soms werden ook luidruchtige en ondersteunende kreten geuit, zoals mek deng kon, wo kier deng (Laat ze maar komen, wij zullen hen vermoorden). Opgewonden, bezweet en vooral dorstig keerden wij terug op het Kerkplein. Vooral de opgeschoten werkloze jonge mannen begonnen vrij agressief en verhit hun ‘’beloofde soft” op te eisen. Wij hadden natuurlijk ook erge dorst. De demonstratieleider koos echter ijlings het hazenpad. De stoet ging vloekend en tierend uit elkaar. In het Sranan werd allerlei verwensingen geuit richting het buurland Guyana, maar ook aan het adres van de demonstratieleider uit Nederland. Hij had zich immers niet aan zijn belofte had gehouden. In retrospectief was het natuurlijk jeugdige bravoure en sensatiezucht van de kant van de meeste jongemannen om te demonstreren en niet zozeer de wens om persoonlijk ten strijde te trekken. Het moet worden gememoreerd dat in de jaren voorafgaand aan de onafhankelijkheid zogeheten Surinaamse re­vo­lu­tionairen uit Nederland vrij gemakkelijk een deel van de inwoners van Paramaribo konden mobiliseren voor onbezonnen demonstraties.

Natuurreservaten
Nu is hier en daar zowel in Nederland als in Suriname te beluisteren dat men de betwiste gebieden voor Suriname moet opeisen. Maar gelet op het voornemen om samen met Guyana en Frans Guyana bruggen te bouwen geeft het geen pas om de grensgeschillen met beide landen opnieuw op te rakelen. Wij moeten juist te zoeken naar een win-win oplossing. Gezien de eerdergenoemde klimaatverandering en de behoefte aan duurzaam beheer van de natuur in deze landen is de beste oplossing om beide betwiste gebieden tot natuurreservaten te bestemmen. Deze worden ecologische gebieden in gemeenschappelijk beheer. Een agentschap (Authority) dat bilateraal is samengesteld kan het gebied beheren. De (illegale) activiteiten in deze gebieden moeten worden gestopt. Guyana en ook Frans Guyana zijn rijk genoeg en hebben de bodemschatten uit deze gebieden niet nodig voor het genereren van welvaart. Dat geldt naar het zich laat aanzien ook voor Suriname gelet op onder andere de recente olievondsten. De arcering van beide gebieden op de kaarten kan intact blijven en de nieuwe bestemming natuurreservaat worden vermeld. Er wordt dus een natuurreservaat van liefst in totaal 19.042 vierkante kilometer toegevoegd aan het reeds bestaande Centraal natuurreservaat van Suriname van circa 16.000 vierkante kilometer (10% van de oppervlakte van Suriname). Tijdens de opening van de beide bruggen kan de proclamatie van beide gebieden tot natuurreservaten formeel plaatsvinden. Intussen kan gewerkt worden aan technische uitwerking en vormgeving van de agent­schappen. In een tijd van klimaatverandering en de aandacht voor ontbossing van het Amazonegebied is dit een duurzame oplossing tegen de klimaatverandering. Er wordt een extra areaal toegevoegd aan de reeds bestaande natuurreservaten in het Amazonegebied. Het zal van het Staatsmanschap van President Chan­dri­kapersad Santokhi afhangen of voor deze win-win oplossing wordt gekozen. Over vijf jaar -in 2025- is Suriname een halve eeuw onafhankelijk. Laten wij hopen dat dan een welvaartstaat tot stand is gebracht met een fatsoenlijk inkomen en huisvesting voor alle burgers en goed onderwijs. De huidige regering heeft de piketpalen daartoe na 45 jaar onafhankelijkheid al geslagen.

Foto’s: Sampreshan, Eric Kastelein en Wikipedia

Uw reactie kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam en het artikel waar u op reageert.

TOP