De werving van Hindostaanse contractarbeiders in India

prof. dr. Chan E.S. Choenni

Ter herdenking van de Hindostaanse immigratie staat aan de Hooghly rivier te Kolkata (Calcutta) sinds 2017 bij de Suriname Ghat het Mai-Baap Memorial (bron: India Empire).

Hindostanen zijn de nakome­lingen van de ruim 34.000 contract­ar­beiders die tussen 1873–1916 met 64 scheepstrans­porten van India naar Suriname zijn overge­bracht om op de plantages te werken. Ongeveer een derde is terug­ge­keerd naar India en tweederde heeft zich gevestigd in Suriname. Daarnaast hebben ongeveer 3.000 Hindostanen uit het Caraïbisch gebied zich gevestigd in Suriname. De Hindostaanse bevolking heeft zich binnen honderd jaar vertien­voudigd tot ruim 300.000 mensen. In 2015 woonden in Suriname ongeveer 150.000 Hindostanen en in Nederland ruim 175.000 Hindostanen. In dit artikel wordt in vogel­vlucht de Hindostaanse contract­arbeid en de werving in India behandeld. De emigratie van India naar Suriname heeft 44 jaar (1873–1916) geduurd en de contracttijd 48 jaar (1873–1920). Gedurende deze lange periode zijn veel verbe­te­ringen aange­bracht in het contract­ar­beidsysteem, maar bijvoor­beeld ook in de trans­port­tech­no­logie. Zo werden zeilschepen steeds meer vervangen door stoom­schepen die sneller waren, waardoor de reisduur van India naar Suriname van drie maanden werd verkort naar ongeveer een maand.

De Indiase arbeid­semi­gratie onder contract naar de koloniën kreeg de naam indenture (labour)system. Indenture duidt op het (vrijwillig) sluiten van een langdurig arbeids­con­tract, dat niet tussen­tijds kon worden beëindigd. Onder het contract­ar­beidsysteem zijn globaal ruim meer dan anderhalf miljoen Indiase contract­ar­beiders naar de koloniën in Azië, Afrika en Fiji en het Caribisch gebied getrans­por­teerd. Ruim een half miljoen (530.000) zijn naar het Caribisch gebied geëmi­greerd tussen 1838–1920. Ter verge­lijking: naar de toenmalige kolonie Mauritius zijn bijna een half miljoen Indiërs geëmi­greerd. Wij geven een overzicht en het eerste aankomstjaar in de belang­rijkste koloniën.

Deze en andere gegevens zijn gebaseerd op mijn studie (zie: Chan. E.S. Choenni (2016), Hindostaanse contract­ar­beiders 1873–1920, Volendam: LM Publishers). Wij zien dat de emigratie naar Suriname op die van de eilan­den­groep Fiji (gelegen in de Stille Oceaan) na, het laatst startte. Verhoudingsgewijs zijn ook minder contract­ar­beiders naar Suriname gemigreerd dan naar de andere grote koloniën. Er zijn verder kleine aantallen contract­ar­beiders naar de Britse koloniën Brits-Honduras (Belize) (3.000) en de eilanden Grenada (3.200), St. Vincent (2.472) en St. Lucia (4.350) overge­bracht. In de Deense kolonie St. Croix zijn in 1862 321 Indiase contract­ar­beiders aange­komen. Van St. Croix is in 1868 een van de overle­vende terug­ge­keerd naar India en ongeveer 80 bleven daar wonen. Op deze eilanden werden zij doorgaans heel slecht behandeld en was de sterfte hoog. India weigerde dan ook verdere emigratie naar deze eilanden.

Het wervings­gebied in India.

Na de afschaffing van de slavernij in Suriname op in 1 juli 1863 nam de behoefte toe aan nieuwe arbeids­krachten op de plantages. Er werd veron­der­steld dat de voormalige tot slaaf­ge­maakten in mindere mate bereid zouden zijn, al was het tegen een loon, om op de plantages te blijven werken. Dat wezen de ervaringen in de naburige Britse koloniën Guyana en Trinidad uit. Daar waren na de afschaffing van de slavernij Indiase contract­ar­beiders ingeschakeld; zij bleken bovendien bereid dit werk tegen een gemiddeld lager loon naar tevre­denheid te verrichten. In Suriname wilden de plantage-eigenaren daarom ook Indiase contract­ar­beiders inscha­kelen om de plantage-economie te redden van de ondergang. Aanvankelijk wilde de Nederlandse overheid de verant­woor­de­lijkheid voor de inscha­keling van Hindostaanse contract­ar­beiders niet op zich nemen, maar dat overlaten aan de plantage-eigenaren. Na druk van verschil­lende kanten was de Nederlandse overheid bereid in 1870 een zogeheten traktaat te sluiten met de Britse regering. In het immigra­tie­traktaat –ook wel ‘koelie­traktaat’ genoemd – bestaande uit 27 artikelen werden ondermeer de rechten en plichten van de Hindostaanse contract­ar­beiders en hun werkgevers – de zogeheten huurders – geregeld. Echter pas na drie jaar, namelijk op 4 juni 1873 arriveerde de eerste lichting Hindostaanse contract­ar­beiders met het schip Lalla Rookh in Suriname; zij werden op 5 juni 1873 ontscheept te Fort Nieuw-Amsterdam. Wij gebruiken de term Hindostaanse contract­ar­beiders als het Suriname betreft en Indiase contract­ar­beiders voor degenen die in de andere koloniën terecht­kwamen. De vraag naar arbeids­krachten op de Surinaamse plantages is dus de belang­rijkste reden geweest voor Hindostaanse immigratie naar Suriname.

Arbeidscontracten van vijf jaar

Er is lang onder­handeld tussen de Nederlandse en Britse regering – India was toen een kolonie van Groot-Brittannië – om Hindostaanse contract­ar­beiders te mogen werven en te werk te stellen als tijde­lijke arbeids­krachten. Zij waren immers Britse onder­danen en hadden recht op speciale bescherming. Daarom werd een Britse consul in Suriname aange­steld. De Hindostaanse contract­ar­beiders kregen een arbeids­con­tract van vijf jaar met recht op gratis terugkeer naar India. Het afgesproken dagloon was 60 cent voor eersteklas arbeiders en 40 cent voor tweedeklas arbeiders en vrouwe­lijke arbeiders. Er werd uitgegaan van vijf dagen per week zeven uur werk op het veld of tien uur in de fabriek. Er werd tevens van uitgegaan dat dit loon niet alleen voldoende was om in hun levens­on­derhoud te voorzien, maar ook om een deel te kunnen sparen om na vijf jaar dit spaargeld mee te kunnen nemen naar India. Als dat niet het geval was, dan was het immers niet zinvol om in Suriname te komen werken en na vijf jaar terug te keren naar India. Een ingewik­kelde infra­structuur werd opgetuigd analoog aan de werving voor de Britse koloniën. In de havenstad Calcutta werd een agent­schap ingericht dat de werving en selectie van de Hindostaanse contract­ar­beiders op zich nam. In Suriname werd het Immigratiedepartement onder leiding van een zogeheten Agent-Generaal der Immigratie verant­woor­delijk voor het wel en wee van de Hindostaanse contract­ar­beiders.

Bhagatsingh Sohansingh was een van de weinige Hindostanen afkomstig uit de Indiase staat Panjab. Hij arriveerde in 1916 als vrije immigrant in Suriname en stond bekend als Panjabiyá. Hij was kinderloos en adopteerde Jainarain de zoon van zijn vrouw, die het bloeiende bedrijf Sohansingh heeft opgezet (met dank aan Danny Sohansingh).

Vrijwillig

De (Nederlandse) overheid was dus verant­woor­delijk voor de Hindostaanse contract­ar­beiders. Zij tekenden vrijwillig een contract met de Nederlandse overheid. Natuurlijk begreep niet iedereen het contract en is een kleine groep misleid. Maar de overgrote meerderheid heeft het contract ‑vaak met een duimafdruk- vrijwillig onder­tekend en zich verplicht om vijf jaar in Suriname te werken. Anders zou de Nederlandse overheid niet zoveel moeite doen en geld inves­teren om deze arbeiders te rekru­teren en naar Suriname over te brengen. De plantage-eigenaars waren de huurders van de Hindostaanse arbeiders; zij betaalden de lonen. De overheid was verant­woor­delijk voor de huisvesting en de gezond­heidszorg. Deze huurders betaalden van tevoren globaal vijf achtste (5/8) van de aanvoer- en terug­voer­kosten. Er werd dus een behoorlijk bedrag – gemiddeld ongeveer f 400 – geïnves­teerd per Hindostaanse contract­ar­beider. Daarom werd men bij weigering om arbeid te verrichten conform het arbeids­con­tract gestraft op grond van de zogeheten poenale sanctie. Werkweigering om ongeldige redenen werd als contract­breuk beschouwd; er volgde niet een civiel­rech­te­lijke, maar een straf­rech­te­lijke sanctie. Zogeheten ommegaande rechters –zij bezochten de Surinaamse districten- behan­delden de ingebrachte klachten over de contract­ar­beiders. Als men de opgelegde boete niet betaalde of kon betalen kreeg men gevan­ge­nis­straf. In sommige gevallen zijn veroor­deelde contract­ar­beiders zelfs dagenlang gevangen gezet in kromboeien. Het gebruik van de Poenale Sanctie nam echter in de loop van de tijd af.

Investering

De Hindostaanse contract­ar­beiders waren dus een inves­tering van de plantage-eigenaren en de Nederlandse overheid die rendement moest opleveren na vijf of tien jaar – dus na een tweede contract­pe­riode. Het is tegen deze achter­grond dat wij de maatre­gelen en behan­deling van de Hindostaanse contract­ar­beiders moeten bezien. Het was zaak om zo streng mogelijk te selec­teren en zo gezond mogelijke arbeiders te trans­por­teren die in het ‘moordende tropische klimaat’ in Suriname optimale arbeids­pres­taties moesten leveren. Vooral het verbouwen van suiker en in mindere mate cacao, koffie, bananen en katoen op de plantages vereiste een goede licha­me­lijke conditie. Het was dus niet zozeer vanwege humaniteit dat zo optimaal mogelijke medische voorzie­ningen tijdens het transport naar Suriname en op de plantages werden ingericht, maar vanwege het streven naar rendement! Hoge sterfte en ontevre­denheid uitmondend in onwil om te werken droegen immers niet bij tot het beoogde rendement.

De Brits-Indische contract­ar­beiders werden gaandeweg een etnische groep. Zij noemden zich vaak Kalkatiyá’s of Kantrákis, referend aan de vertrek­haven Calcutta of het arbeids­con­tract. Daarmee benadrukten zij het gemeen­schap­pe­lijke aspect en niet de onder­linge verschillen. Tegen het eind van contracttijd omstreeks 1920 werd de term Hindostanen (Hindostani) steeds meer gangbaar. Ondanks de onder­linge verschillen werden zij door de rest van de Surinaamse bevolking ook als één groep beschouwd en op tot op zekere hoogte als ‘koelies’ gedis­cri­mi­neerd en soms als indringers beschouwd. De term koelie(-arbeider) werd toentertijd regel­matig gebruikt voor de Hindostaanse contract­ar­beider, meestal zonder de negatieve conno­tatie die het woord naderhand kreeg.

Drie fasen

Gedurende de lange periode van 48 jaar was er sprake van een ‘vloeiende’ situatie, die wij globaal in drie fasen hebben ingedeeld. Er stroomden Hindostanen in uit India en er gingen Hindostanen na uitdiening van hun contract terug naar India. Voorts vestigden zich steeds meer uitge­dienden –degenen die hun contract­pe­riode hadden voltooid- in Suriname. Er werden ook kinderen geboren (de tweede generatie) en anderen bezweken op de plantages. In de pioniersfase (1873–1889) ‑de eerste fase-moesten de contract­ar­beiders het met elkaar rooien en waren de voorzie­ningen slechter. In de groeps­vor­mingsfase (1890–1902) ‑tweede fase- waren de voorzie­ningen verbeterd en vond steeds meer groeps­vorming plaats. Ook omdat er zich steeds meer uitge­dienden vestigden in Suriname en het aandeel van de tweede generatie groter werd en een deel volwassen was geworden. De jonge vrouwen geboren in Suriname werden, al dan niet gedwongen, de echtgenote van alleen­staande (veelal oudere) mannen uit India. De bekende gezegde Burhuwá hai ghare (is de oude man thuis) die vooral jonge Hindostaanse vrouwen vaak met enige humor bezigden ‑wanneer zijn infor­meerden naar de echtgenoot- heeft hiermee te maken.

In de klein­lan­bou­wersfase (1903–1920) ‑de derde fase – werd de meerderheid van de uitge­dienden klein­land­bouwer in Suriname. Vooral als produ­centen van voedsel (met name rijst) waren zij een onmisbaar deel van de Surinaamse samen­leving geworden. En aan het einde van de contracttijd omstreeks 1920 vormden zij al bijna een kwart van de Surinaamse bevolking.

Werving
Over de werving en selectie van de Hindostaanse contract­ar­beiders in India zijn vaak onjuiste beelden ontstaan. De werving en selectie vonden als volgt plaats in Noord-India, in het bijzonder in de staten Uttar Pradesh en Bihar. Het Suriname-agent­schap te Calcutta ontving vrijwel jaarlijks bestel­lingen uit Suriname om Hindostaanse contract­ar­beiders te werven en te selec­teren. Er werd tevens een hoofd­depot (Suriname depot) ingericht in het haven­gebied Garden Reach bij de Hooghlyrivier waar de schepen aanmeerden om de contract­ar­beiders in te schepen. De emigratie-agent in Calcutta gaf opdrachten aan zogeheten subagenten in de verschil­lende steden om de werving ter hand te nemen. De subagenten hadden subdepots in deze steden waar de poten­tiële contract­ar­beiders werden opgevangen. Voor Suriname waren in de staat Bihar in de steden Patna en Muzafferpur subdepots en in de staat Uttar Pradesh in Benares, Allahabad, Ghazipur, Mathura, Gorakhpur, Fyzabad, Kanpur en Bast. De subagenten schakelden legale wervers in. Deze wervers kregen jaarlijks een vergunning en droegen een herken­nings­teken – een badge (een soort penning). Er waren namelijk misstanden bij de werving. Mensen werden soms misleid en in sommige gevallen zelfs gekidnapt. Dat werd breed uitge­meten door de tegen­standers van de contract­arbeid. Met behulp van strenge wetten met betrekking tot de emigratie – en de wetten werden steeds strenger – trachtte de Brits-Indiase regering de misstanden te bestrijden. De wervers namen deels zelf de werving ter hand. Maar zij schakelden ook illegale wervers in. 

Mevrouw Sitabia Sudhu beviel in 1890 op het schip Erne I van haar zoon Sewpersad. Sitabia werd modijain (geldschietser) in Suriname en Sewpersad werd tolk en makelaar (met dank aan Koesma Ramkisoen-Choenni).

Arkathyá’s

Bekend en berucht werden de zogeheten arkáthi’s. Deze illegale wervers zagen hun kans schoon om voor een paar roepies –dat was toen gelijk aan het maandloon van een arbeider in India – een poten­tiële contract­ar­beider te werven en te motiveren om te emigreren naar Suriname. Zij hebben mensen soms misleid door al te mooie verhalen op te hangen over het werk en het leven in de koloniën. Maar er waren ook andere illegale wervers zoals duffadárs (hande­laars in aandelen), caukidárs (wijkmeesters in steden) en caprási’s (bewakers/boodschappers). Iedereen probeerde geld te verdienen en poten­tiële contract­ar­beiders af te leveren bij een subdepot om direct bij de legale werver hun vergoeding te incas­seren. Om het risico te vermin­deren op uitval tot en met de inscheping in Calcutta was echter een geraf­fi­neerd betalings­systeem ingesteld. De legale wervers en subagenten kregen betaald naar rato van het aantal ingescheepten. Het was dus zaak om vooral gemoti­veerde personen te werven en zo streng mogelijk te selec­teren. Niettemin was er sprake van uitval om uiteen­lo­pende redenen. De totale uitval in het hoofd­depot onder poten­tiële Hindostaanse contract­ar­beiders tussen 1873 en 1916 bedroeg 11.291 personen oftewel 21,57%. De overige uitval (groten­deels in de subdepots) bedroeg 6.644 personen oftewel 12,7%. Er zijn in totaal zijn 52.330 emigranten voor Suriname geworven en uitein­delijk zijn er 34.304 ingescheept. Dat wil zeggen dat ruim een derde (34%) van degenen die waren geselec­teerd voor Suriname deze kolonie niet hebben bereikt. De belang­rijkste redenen voor deze uitval was dat men naderhand op medische gronden werd afgekeurd of ongeschikt bevonden om gedurende vijf jaar zware fysieke arbeid te verrichten en/of een maanden­lange zeereis te doorstaan. Maar er vond ook desertie plaats (men had achteraf spijt van de beslissing) of werd teruggehaald/succesvol geclaimd door familie –vaak betrof het jonge mannen.

Verwarring

In het Nederlandstalig gebied is sprake van een verwarring over de legale wervers die werden ingeschakeld. De onder­zoeker Bhagwanbali maar ook De Klerk (1953) en anderen hebben het onder­scheid tussen de legale wervers en de arkathiyá’s (illegale wervers), niet of onvol­doende gemaakt. Ten onrechte is het beeld ontstaan dat de arkathiyá’s legale wervers waren en bijna alle contract­ar­beiders zouden hebben geworven. Sterker nog: dat ze de meeste Hindostaanse contract­ar­beiders zouden hebben misleid (bharmáe deis). In mijn uitge­breide studie heb ik aange­toond dat het onder­scheid tussen legale en illegale wervers zeer belangrijk was. De legale wervers moesten zich houden aan de wet, anders raakten zij hun jaarlijkse vergunning kwijt. De arkathiyá’s leverden de poten­tiele contract­ar­beider af bij de legale wervers en ontvingen hun betaling. De legale werver bracht de poten­tiële contract­ar­beiders naar de cutcherry (lokaal bestuurs­kantoor annex rechtbank). Daar onder­te­kende de poten­tiele contract­ar­beider (met een duimafdruk) een (voorlopig) arbeids­con­tract, nadat hij/zij had bevestigd bij de (assistent-)magistraat uit vrije wil te emigreren. Dan pas werd geïnves­teerd in deze contract­ar­beider. In het subdepot kreeg de contract­ar­beider voeding, medische zorg en huisvesting in afwachting van de reis naar Calcutta.

Mythe van misleiding

Veel contract­ar­beiders die achteraf ontevreden waren met hun keuze voor emigratie naar Suriname hebben de zogeheten arkathiyá’s verweten dat zij door hen zijn misleid. Uit rapporten van onder­zoekers die toentertijd veldwerk hebben gedaan in India blijkt dat er wel misleiding is voorge­komen, maar die was niet de voornaamste reden voor emigratie. Ook de toonaan­ge­vende onder­zoeker Hugh Tinker noemde in zijn boek uit 1974 getiteld A New system of Slavery: The Export of Indian Labour Overseas 1830–1929 (London: Oxford University Press) de contract­arbeid als een nieuw systeem van slavernij heeft geduid, geeft slechts enkele voorbeelden van misleiding. In het bijzonder met betrekking tot Suriname zouden velen zijn misleid omdat men het land Suriname heeft vertaald als Sri Ram desh (verheven land van Rama). De associatie werd gelegd met het heilige land van de hindoe­godheid Rama. Arkathiyá’s zouden hebben beweerd dat men in dit land uit gouden schalen zou eten en uit gouden bekers water zou drinken. Het verhaal over Sri Ram desh is doorverteld en is een eigen leven gaan leiden. Het fungeerde als een goed excuus en ratio­na­li­satie voor de emigratie uit India. De meeste Hindostaanse contract­ar­beiders waren immers niet zo naïef om dit verhaal te geloven. Bovendien heeft de emigratie naar Suriname 44 jaar geduurd. Er werd in de gebieden waar de meeste Hindostaanse contract­ar­beiders van afkomstig waren, namelijk de staten Uttar Pradesh en Bihar, vaak gesproken over de emigratie en er werden verhalen verteld over de koloniën. Er waren ook terug­keerders die infor­matie gaven en sommigen keerden na ontluis­te­rende ervaringen in India terug naar de koloniën i.c. Suriname. Anderen gingen terug om familie en vrienden mee te nemen naar de koloniën.

Srimaansingh met hoed en zijn vrouw en dochter op schoot. De gebroeders Srimaansingh behoorden tot de kleine groep Christelijke Hindostanen die naar Suriname kwamen. Esther Srimaansingh geboren in Suriname werd de eerste Hindostaanse onder­wij­zeres. Zij huwde met W. Juglal, een van de eerste Hindostaanse (hoofd)onderwijzer (met dank aan Prim Girjasing).

Antipropaganda

Voorts waren er allerlei enge verhalen over de koloniën in omloop; dat men in een hel (narak) terecht zou komen. Of dat men zijn kaste zou verliezen als men de kálá páni (het zwarte water, de zee dus) had doorkruist en niet meer zou worden geaccep­teerd in India bij terugkeer. Ook dat men onder dwang werd bekeerd tot het chris­tendom en gedwongen werd rundvlees en/of varkens­vlees te eten. Of dat men werd vermoord en dat er vervolgens olie werd geperst uit je hoofd (mimiái ke tel). Ondanks deze antipro­pa­ganda besloten velen toch te vertrekken uit hun geliefde India (janmabhumi).

Ten slotte: als de belofte over Sri Ram desh de belang­rijkste reden was voor de emigratie van Hindostaanse contract­ar­beiders naar Suriname, dan moet worden aange­toond hoe het komt dat tiendui­zenden mensen naar andere koloniën zijn gemigreerd. En ook nog vóór 1873, want men kon de term Sri Ram desh immers niet gebruiken voor de andere koloniën. Kortom: het verhaal over misleiding is groten­deels een mythe. Wij hebben aange­toond in de uitge­breide studie dat slechts een heel klein deel van de contract­ar­beiders is misleid.

Pull en pushfac­toren

Het blijkt dat er uiteen­lo­pende redenen zijn geweest om te emigreren van India naar Suriname. Deze kunnen worden onder­ver­deeld in pull- en pushfactoren. De pullfac­toren waren onder meer dat men als arbeider het veelvoudige aan loon zou kunnen verdienen: 12 anná’s (60 cent) per dag tegen een loon van 1 tot 2 anná’s in India. En dat men gedurende vijf jaar werk had, geld kon sparen en gratis terug kon keren naar India. Bovendien kreeg men gratis voedsel, kleding en gezond­heidzorg in India na de werving. Ook het transport naar Calcutta (met de trein!) en de zeereis naar Suriname was gratis. Er waren ook succes­volle terug­keerders uit de koloniën en er werd ook geld en brieven gestuurd naar familie in de dorpen vanuit de koloniën.

Naast deze pullfac­toren waren vooral de pushfac­toren van belang. Allereerst hadden vooral de lagere klassen en kasten in India een zeer armoedig bestaan. Vaak heerste er hongersnood door allerlei jaarlijks terug­ke­rende natuur­rampen, zoals droogte en overstro­mingen. Velen hadden schulden en werden uitgebuit en onder­drukt door landheren (zamindárs) en hun handlangers. Tevens had het Britse koloniale systeem en vernie­tiging van textiel­in­du­strie bijge­dragen tot een grote toename van de armoede.

Rampersad Thakoerdin vertrok uit India (Prayagraj/vroeger Allahabad) en werd in Suriname stamvader van een grote familie.

Familieomstandigheden

Daarnaast zijn velen ook gevlucht vanwege familie­om­stan­dig­heden. Hindoeweduwen die werden verstoten en onheus bejegend en vrouwen die werden onder­drukt hebben gekozen voor emigratie. Jongere broers mochten niet eten voordat de oudere broers hadden gegeten. De stamvader van liefst vier Hindostaanse families waren jongere broers die deze regel hadden overtreden en daarom zijn gevlucht uit India, zo blijkt uit mijn onderzoek. Anderen hebben hun schoon­zuster (bhauji) verleid of de schoon­zuster is uit eigen beweging gevlucht vaak vanwege onder­drukking door de schoon­fa­milie. Er zijn ook crimi­nelen geëmi­greerd naar Suriname. Overigens met toestemming van de autori­teiten, omdat men meende dat door betere levens­om­stan­dig­heden zij fatsoen­lijke burgers konden worden. Al met al waren er respec­tabele redenen om te emigreren, verge­leken met de situatie in India. Men kon een beter bestaan verwerven in de koloniën en vooral met gespaard geld terug te keren naar India. Velen en vooral jonge­mannen zijn stiekem vertrokken en hebben bij rekru­tering valse namen opgegeven. Het zij met nadruk vermeld: een groot deel van de gerekru­teerden was al buiten hun dorpen op zoek naar werk en voeding. Men is niet zoals soms ten onrechte wordt gedacht in de kraag gegrepen en met gebruik van dwang naar Suriname en andere koloniën gezonden.

Schorsing

De Hindostaanse immigranten zijn over het algemeen zwaar geselec­teerd. Velen kwamen niet in aanmerking voor het zware werk op de plantages. Wij hebben al gecon­sta­teerd dat na de werving een derde alsnog is uitge­vallen en niet ingescheept voor Suriname. Tegen het einde van het Staatstoezicht in Suriname (1 juli 1873) was de vraag naar arbeids­krachten heel hoog. Daarom hebben binnen één jaar – tussen juni 1873 en mei 1874 – liefst acht schepen bijna 4.000 Hindostaanse contract­ar­beiders naar Suriname overge­bracht. Zij werden tewerk­ge­steld op verschil­lende plantages. Een aanzienlijk deel bezweek echter; in het begin waren er bijna 20% sterf­ge­vallen. Dit was te wijten aan allerlei (tropische) ziekten, slechte huisvesting en ontoe­rei­kende gezond­heids­voor­zie­ningen. Maar ook de haastige selectie in India was hier debet aan. De Britse consul adviseerde daarom eind 1874 om de emigratie naar Suriname te schorsen. Deze schorsing werd na een paar jaar opgeheven nadat betere huisvesting (de zogeheten koelie­wo­ningen) en gezond­heids­voor­zie­ningen waren gerea­li­seerd. Onder meer werd de genees­kundige school opgericht die ervoor heeft gezorgd dat er genees­heren werden opgeleid in Suriname; dit heeft bijge­dragen tot een relatief goede gezond­heidszorg.

Grote variatie

Na de schorsing werd de selectie in India beter. Niettemin zijn er niet uitsluitend land(bouw)arbeiders naar Suriname geëmi­greerd. Vooral in het begin van de emigratie lukte het niet gemak­kelijk uitsluitend land(bouw)arbeiders te rekru­teren, maar door de tijd heen lukte dat steeds beter. Vooral in de twintigste eeuw waren de werving en selectie sterk verbeterd. Door veran­dering van kleding en een valse naam of kaste op te geven, wisten velen die niet afkomstig waren uit de landbouw, alsnog te bewerk­stel­ligen dat zij werden geselec­teerd voor contract­arbeid. In principe werden Brahmanen (leden van de pries­ter­kaste) niet geselec­teerd. Niettemin was ongeveer 5% van de Hindostaanse emigranten van Brahmaanse afkomst; zij waren vaak verarmd in India. Er zijn ook Brahmaanse weduwen geëmi­greerd en een heel kleine groep Brahmanen is als priesters geworven en sommigen als sardár (voorman). Velen hebben Thákur (behorend tot de Chattri kaste, de tweede kaste) opgegeven en hebben later in Suriname hun kaste weer gewijzigd. Het is denkbaar dat anderen zich ten onrechte als Brahmaan (de zogeheten ‘Bootbrahmanen’) hebben laten inschrijven in Suriname. Anderen hebben singh achter hun naam geplaatst en zijn daardoor in de kasten­hi­ë­rarchie gestegen. Er zijn zowel personen van lage kasten en kaste­lozen als middel­kasten geëmi­greerd. Globaal behoorde twee vijfde tot de middel­kasten – veelal landbouwers – en bijna twee vijfde tot de lage kasten en kaste­lozen. Ongeveer een vijfde behoorde tot de hogere kasten.

Munshi Rahman Khan was een van de weinige Hindostaanse oogge­tuigen die heeft geschreven over de werving in India. Hij arriveerde in 1898 en was zowel een kenner van de Islam als van het Hindoeïsme.

Hindoe-moslim­re­laties

Door de kleine aantallen zijn er relaties ontstaan tussen verschil­lende kasten, waaronder huwelijken. Ook zijn er kinderen geadop­teerd die de kaste hebben gekregen van hun geadop­teerde ouders. Het kasten­stelsel heeft gaandeweg veel van zijn betekenis verloren. In India werd gesteld dat degene die de zee (kálá páni) had doorkruist zijn kaste had verloren, dus een kasteloze was geworden.

Ongeveer 17% was moslim. Veel moslim­mannen namen ‑mede vanwege de kleine aantallen- hindoe­vrouwen als echtgenote, die vaak moslim werden. De relatie tussen de hindoes en moslims was tijdens emigratie en in de contract­pe­riode vrij harmo­nieus. Er was een regeling dat er op 100 mannen 40 vrouwen (28,6%) moesten meegaan met elke scheepstransport. Bijna een derde van Hindostaanse contract­ar­beiders was vrouw. Een derde was getrouwd en tweederde was alleen­staand. De alleen­staande vrouwen waren vaak weduwen, vrouwen die vanwege familie­pro­blemen waren wegge­lopen of verstoten. Maar er zijn ook danse­ressen en enkele prosti­tuees gemigreerd naar Suriname.

Ongeveer 10% van de emigranten waren kinderen. Ruim tweederde was man en de meerderheid van de mannen was alleen­staand. De meerderheid had een leeftijd tussen de 18 en 35 jaar. Er zijn dus geen ouderen gemigreerd. Bovendien was men afkomstig uit vele dorpen en steden van India. Al met al was er sprake van een grote variatie in kenmerken. Ondanks deze diver­siteit moest men met elkaar samen­leven en samen­werken. Dat is door de tijd heen uitgemond in een sterke etnische identiteit en een Hindostaanse cultuur gebaseerd op de Indiase culturele heritage.

In het Suriname depot te Calcutta werden de emigranten opgevangen, voordat zij de maanden­lange reis naar Suriname onder­namen.

Calan

In India werden al inten­sieve banden gesmeed. Nadat er voldoende gerekru­teerden waren in een subdepot reisde men in een groep –een zogeheten calan – onder begeleiding van een caprási (een soort profes­si­onele boodschapper) of een durwan (bewaker) met de trein naar de havenstad Calcutta waar het Suriname-hoofd­depot zich bevond. In het hoofd­depot volgde opnieuw een medische keuring en werd nogmaals gevraagd door de beschermheer der emigranten of men uit vrije wil het arbeids­con­tract was aangegaan. In principe kon men zich ter plekke alsnog terug­trekken als men was misleid of spijt had gekregen van de eerdere beslissing. Ook werden regel­matig jonge­mannen die stiekem van huis waren vertrokken, geclaimd door hun familie. Sommigen hebben zich laten werven om een gratis reis naar Calcutta te kunnen maken. In Calcutta aange­komen deser­teerden zij vervolgens. Het arbeids­con­tract werd definitief gemaakt, nadat men nogmaals akkoord (rázi he ) was gegaan. Daarna werd men voorbereid voor de maanden­lange reis naar Suriname. Er was bijvoor­beeld dagelijks appèl in de ochtend, waarbij iedereen werd geïnspec­teerd. Nogmaals: het was niet in het belang van de Nederlandse overheid om te inves­teren in mensen die onwillig waren of die zouden zijn gedwongen om te emigreren. Immers, zij zouden zich gaandeweg terug­trekken en dat leverde alleen maar verlies op. Bovendien waren er strenge Indiase wetten. Er zijn natuurlijk uitzon­de­ringen en er zijn enkele juridische zaken geweest met betrekking tot kidnapping en misleiding. Maar op de bijna een half miljoen contract­ar­beiders die naar het Caraïbisch gebied zijn geëmi­greerd zijn dat verwaar­loosbare aantallen. Als er een voldoende aantal Hindostaanse emigranten was voor een scheeps­lichting werd men ingescheept voor de zeereis. In het subdepot in de verschil­lende steden hadden velen als lotge­noten al inten­sieve banden met elkaar gesmeed (dipu bhái en dipu bahin). Vóór de inscheping volgde een finale (medische) keuring. Men kreeg onder meer kleding, een tinnen bord, een aarden lota (drink­beker) en een kleine water­con­tainer evenals een buidel (gathari) om deze en de eigen spullen in te bewaren.

Lange zeereis

Het contract­ar­beidsysteem bestond al sinds 1834. Vergeleken met koloniën als Mauritius en Guyana hebben de Hindostaanse contract­ar­beiders het relatief beter gehad. Omdat zij aan het eind van de negen­tiende en begin twintigste eeuw zijn geëmi­greerd toen vooral de voorzie­ningen op de schepen steeds beter werden. Er zijn vooral (ijzeren) zeilschepen gebruikt voor de trans­porten en vanaf 1907 alleen maar stoom­schepen. Sommige schepen hebben meerdere malen emigranten naar Suriname overge­bracht en hebben terug­keerders meege­nomen naar India. De zeereis ging om het continent Afrika heen en de woeste Kaap de Goede Hoop moest worden óverwonnen ‘. Vervolgens werd richting Suriname gekoerst; in de meeste gevallen werd een tussenstop gemaakt bij het eiland St. Helena om water en vers voedsel in te slaan. Er werd dus ook een koude streek doorkruist. De zeereis naar Suriname duurde in de begin­pe­riode met de zeilschepen maar liefst drie maanden. Met de stoom­schepen die veel comfor­ta­beler waren, werd de reis verkort tot ongeveer een maand. Wat betreft voorzie­ningen op de schepen waren er allerlei regelingen getroffen, bijvoor­beeld over de minimale ruimte waarover iedere emigrant moest beschikken en de afscheiding van alleen­staande mannen van alleen­staande vrouwen. Er was een goed opgezet medisch regime en voedings­systeem. De kapitein, de scheepsarts en het scheeps­per­soneel kregen een extra premie als er zo weinig mogelijk ziekte en sterf­ge­vallen waren. Er is gemiddeld genomen over de 64 trans­porten een relatief lage sterfte geweest van 2,1%; op de zeilschepen 2,6% en op de stoom­schepen 1,2%. Er zijn ook kinderen geboren tijdens deze trans­porten; die moeten worden bijgeteld bij de emigranten. En er zijn ook een honderdtal vrije emigranten meege­komen naar Suriname. Het is overigens opmer­kelijk dat er zich hoogst zelden een scheepsramp heeft voorgedaan tijdens de 64 trans­porten. Wel heeft in 1884 het stoom­schip Peshwa schip­breuk geleden en moest men in Sri Lanka wachten; daarna is de lichting emigranten met het stoom­schip Laleham naar Suriname overge­bracht. 

De trans­port­schepen meerden aan de Hooghly rivier te Calcutta.

Traumatische ervaring

De lange zeereis was zwaar; de meesten hadden nauwe­lijks een idee van de afstanden tussen conti­nenten. Vaak werd gezegd dat men zeven zeeën doorkruiste (sát samunder pár). Hoewel er was gezorgd voor ontspanning, zoals muziek, zang en spelletjes, was de maanden­lange reis voor velen een trauma­tische ervaring. Tijdens de zeereis werden de onder­linge banden inten­siever en allerlei verschillen minder relevant. Hindostanen van een scheepstransport beschouwden elkaar als jaháji bhái en jahaji bahin (scheeps­broeder en scheeps­zuster). Deze jaháji band is in Suriname lange tijd intact gebleven; men zocht elkaar regel­matig op en hielp elkaar. Het was een soort familie geworden, omdat de meesten – als eenlingen – geen familie hadden in Suriname.

Zoals gezegd werd het transport steeds beter door de doorge­voerde verbe­te­ringen en door veran­de­ringen in de trans­port­tech­no­logie, zoals het gebruik van stoom (ook voor de water­zui­vering en het koken) en later van elektrische lampen. De Hindostaanse contract­ar­beiders die in de derde fase naar Suriname zijn gekomen, hebben een veel kortere reis gemaakt dan de pioniers. De pioniers zijn meestal bijna vier maanden onderweg geweest. Bij de drie maanden op het schip moet namelijk het verblijf in het subdepot en in het hoofd­depot in Calcutta worden opgeteld. De pioniers hebben de volgers (behorend tot de tweede fase) en de nakomers (behorend tot de derde fase) opgevangen in Suriname.

Met dank aan Radjin Thakoerdin voor alle onder­steuning.

TOP