De werving van Hindostaanse contractarbeiders in India

prof. dr. Chan E.S. Choenni

Ter herdenking van de Hindostaanse immigratie staat aan de Hooghly rivier te Kolkata (Calcutta) sinds 2017 bij de Suriname Ghat het Mai-Baap Memorial (bron: India Empire).

Hindostanen zijn de nakomelingen van de ruim 34.000 contractarbeiders die tussen 1873-1916 met 64 scheepstransporten van India naar Suriname zijn overgebracht om op de plantages te werken. Ongeveer een derde is teruggekeerd naar India en tweederde heeft zich gevestigd in Suriname. Daarnaast hebben ongeveer 3.000 Hindostanen uit het Caraïbisch gebied zich gevestigd in Suriname. De Hindostaanse bevolking heeft zich binnen honderd jaar vertienvoudigd tot ruim 300.000 mensen. In 2015 woonden in Suriname ongeveer 150.000 Hindostanen en in Nederland ruim 175.000 Hindostanen. In dit artikel wordt in vogelvlucht de Hindostaanse contractarbeid en de werving in India behandeld. De emigratie van India naar Suriname heeft 44 jaar (1873-1916) geduurd en de contracttijd 48 jaar (1873-1920). Gedurende deze lange periode zijn veel verbeteringen aangebracht in het contractarbeidsysteem, maar bijvoorbeeld ook in de transporttechnologie. Zo werden zeilschepen steeds meer vervangen door stoomschepen die sneller waren, waardoor de reisduur van India naar Suriname van drie maanden werd verkort naar ongeveer een maand.

De Indiase arbeidsemigratie onder contract naar de koloniën kreeg de naam indenture (labour)system. Indenture duidt op het (vrijwillig) sluiten van een langdurig arbeidscontract, dat niet tussentijds kon worden beëindigd. Onder het contractarbeidsysteem zijn globaal ruim meer dan anderhalf miljoen Indiase contractarbeiders naar de koloniën in Azië, Afrika en Fiji en het Caribisch gebied getransporteerd. Ruim een half miljoen (530.000) zijn naar het Caribisch gebied geëmigreerd tussen 1838-1920. Ter vergelijking: naar de toenmalige kolonie Mauritius zijn bijna een half miljoen Indiërs geëmigreerd. Wij geven een overzicht en het eerste aankomstjaar in de belangrijkste koloniën.

Deze en andere gegevens zijn gebaseerd op mijn studie (zie: Chan. E.S. Choenni (2016), Hindostaanse contractarbeiders 1873-1920, Volendam: LM Publishers). Wij zien dat de emigratie naar Suriname op die van de eilandengroep Fiji (gelegen in de Stille Oceaan) na, het laatst startte. Verhoudingsgewijs zijn ook minder contractarbeiders naar Suriname gemigreerd dan naar de andere grote koloniën. Er zijn verder kleine aantallen contractarbeiders naar de Britse koloniën Brits-Honduras (Belize) (3.000) en de eilanden Grenada (3.200), St. Vincent (2.472) en St. Lucia (4.350) overgebracht. In de Deense kolonie St. Croix zijn in 1862 321 Indiase contractarbeiders aangekomen. Van St. Croix is in 1868 een van de overlevende teruggekeerd naar India en ongeveer 80 bleven daar wonen. Op deze eilanden werden zij doorgaans heel slecht behandeld en was de sterfte hoog. India weigerde dan ook verdere emigratie naar deze eilanden.

Het wervingsgebied in India.

Na de afschaffing van de slavernij in Suriname op in 1 juli 1863 nam de behoefte toe aan nieuwe arbeidskrachten op de plantages. Er werd verondersteld dat de voormalige tot slaafgemaakten in mindere mate bereid zouden zijn, al was het tegen een loon, om op de plantages te blijven werken. Dat wezen de ervaringen in de naburige Britse koloniën Guyana en Trinidad uit. Daar waren na de afschaffing van de slavernij Indiase contractarbeiders ingeschakeld; zij bleken bovendien bereid dit werk tegen een gemiddeld lager loon naar tevredenheid te verrichten. In Suriname wilden de plantage-eigenaren daarom ook Indiase contractarbeiders inschakelen om de plantage-economie te redden van de ondergang. Aanvankelijk wilde de Nederlandse overheid de verantwoordelijkheid voor de inschakeling van Hindostaanse contractarbeiders niet op zich nemen, maar dat overlaten aan de plantage-eigenaren. Na druk van verschillende kanten was de Nederlandse overheid bereid in 1870 een zogeheten traktaat te sluiten met de Britse regering. In het immigratietraktaat –ook wel ‘koelietraktaat’ genoemd – bestaande uit 27 artikelen werden ondermeer de rechten en plichten van de Hindostaanse contractarbeiders en hun werkgevers – de zogeheten huurders – geregeld. Echter pas na drie jaar, namelijk op 4 juni 1873 arriveerde de eerste lichting Hindostaanse contractarbeiders met het schip Lalla Rookh in Suriname; zij werden op 5 juni 1873 ontscheept te Fort Nieuw-Amsterdam. Wij gebruiken de term Hindostaanse contractarbeiders als het Suriname betreft en Indiase contractarbeiders voor degenen die in de andere koloniën terechtkwamen. De vraag naar arbeidskrachten op de Surinaamse plantages is dus de belangrijkste reden geweest voor Hindostaanse immigratie naar Suriname.

Arbeidscontracten van vijf jaar

Er is lang onderhandeld tussen de Nederlandse en Britse regering – India was toen een kolonie van Groot-Brittannië – om Hindostaanse contractarbeiders te mogen werven en te werk te stellen als tijdelijke arbeidskrachten. Zij waren immers Britse onderdanen en hadden recht op speciale bescherming. Daarom werd een Britse consul in Suriname aangesteld. De Hindostaanse contractarbeiders kregen een arbeidscontract van vijf jaar met recht op gratis terugkeer naar India. Het afgesproken dagloon was 60 cent voor eersteklas arbeiders en 40 cent voor tweedeklas arbeiders en vrouwelijke arbeiders. Er werd uitgegaan van vijf dagen per week zeven uur werk op het veld of tien uur in de fabriek. Er werd tevens van uitgegaan dat dit loon niet alleen voldoende was om in hun levensonderhoud te voorzien, maar ook om een deel te kunnen sparen om na vijf jaar dit spaargeld mee te kunnen nemen naar India. Als dat niet het geval was, dan was het immers niet zinvol om in Suriname te komen werken en na vijf jaar terug te keren naar India. Een ingewikkelde infrastructuur werd opgetuigd analoog aan de werving voor de Britse koloniën. In de havenstad Calcutta werd een agentschap ingericht dat de werving en selectie van de Hindostaanse contractarbeiders op zich nam. In Suriname werd het Immigratiedepartement onder leiding van een zogeheten Agent-Generaal der Immigratie verantwoordelijk voor het wel en wee van de Hindostaanse contractarbeiders.

Bhagatsingh Sohansingh was een van de weinige Hindostanen afkomstig uit de Indiase staat Panjab. Hij arriveerde in 1916 als vrije immigrant in Suriname en stond bekend als Panjabiyá. Hij was kinderloos en adopteerde Jainarain de zoon van zijn vrouw, die het bloeiende bedrijf Sohansingh heeft opgezet (met dank aan Danny Sohansingh).

Vrijwillig

De (Nederlandse) overheid was dus verantwoordelijk voor de Hindostaanse contractarbeiders. Zij tekenden vrijwillig een contract met de Nederlandse overheid. Natuurlijk begreep niet iedereen het contract en is een kleine groep misleid. Maar de overgrote meerderheid heeft het contract -vaak met een duimafdruk- vrijwillig ondertekend en zich verplicht om vijf jaar in Suriname te werken. Anders zou de Nederlandse overheid niet zoveel moeite doen en geld investeren om deze arbeiders te rekruteren en naar Suriname over te brengen. De plantage-eigenaars waren de huurders van de Hindostaanse arbeiders; zij betaalden de lonen. De overheid was verantwoordelijk voor de huisvesting en de gezondheidszorg. Deze huurders betaalden van tevoren globaal vijf achtste (5/8) van de aanvoer- en terugvoerkosten. Er werd dus een behoorlijk bedrag – gemiddeld ongeveer f 400 – geïnvesteerd per Hindostaanse contractarbeider. Daarom werd men bij weigering om arbeid te verrichten conform het arbeidscontract gestraft op grond van de zogeheten poenale sanctie. Werkweigering om ongeldige redenen werd als contractbreuk beschouwd; er volgde niet een civielrechtelijke, maar een strafrechtelijke sanctie. Zogeheten ommegaande rechters –zij bezochten de Surinaamse districten- behandelden de ingebrachte klachten over de contractarbeiders. Als men de opgelegde boete niet betaalde of kon betalen kreeg men gevangenisstraf. In sommige gevallen zijn veroordeelde contractarbeiders zelfs dagenlang gevangen gezet in kromboeien. Het gebruik van de Poenale Sanctie nam echter in de loop van de tijd af.

Investering

De Hindostaanse contractarbeiders waren dus een investering van de plantage-eigenaren en de Nederlandse overheid die rendement moest opleveren na vijf of tien jaar – dus na een tweede contractperiode. Het is tegen deze achtergrond dat wij de maatregelen en behandeling van de Hindostaanse contractarbeiders moeten bezien. Het was zaak om zo streng mogelijk te selecteren en zo gezond mogelijke arbeiders te transporteren die in het ‘moordende tropische klimaat’ in Suriname optimale arbeidsprestaties moesten leveren. Vooral het verbouwen van suiker en in mindere mate cacao, koffie, bananen en katoen op de plantages vereiste een goede lichamelijke conditie. Het was dus niet zozeer vanwege humaniteit dat zo optimaal mogelijke medische voorzieningen tijdens het transport naar Suriname en op de plantages werden ingericht, maar vanwege het streven naar rendement! Hoge sterfte en ontevredenheid uitmondend in onwil om te werken droegen immers niet bij tot het beoogde rendement.

De Brits-Indische contractarbeiders werden gaandeweg een etnische groep. Zij noemden zich vaak Kalkatiyá’s of Kantrákis, referend aan de vertrekhaven Calcutta of het arbeidscontract. Daarmee benadrukten zij het gemeenschappelijke aspect en niet de onderlinge verschillen. Tegen het eind van contracttijd omstreeks 1920 werd de term Hindostanen (Hindostani) steeds meer gangbaar. Ondanks de onderlinge verschillen werden zij door de rest van de Surinaamse bevolking ook als één groep beschouwd en op tot op zekere hoogte als ‘koelies’ gediscrimineerd en soms als indringers beschouwd. De term koelie(-arbeider) werd toentertijd regelmatig gebruikt voor de Hindostaanse contractarbeider, meestal zonder de negatieve connotatie die het woord naderhand kreeg.

Drie fasen

Gedurende de lange periode van 48 jaar was er sprake van een ‘vloeiende’ situatie, die wij globaal in drie fasen hebben ingedeeld. Er stroomden Hindostanen in uit India en er gingen Hindostanen na uitdiening van hun contract terug naar India. Voorts vestigden zich steeds meer uitgedienden –degenen die hun contractperiode hadden voltooid- in Suriname. Er werden ook kinderen geboren (de tweede generatie) en anderen bezweken op de plantages. In de pioniersfase (1873-1889) -de eerste fase-moesten de contractarbeiders het met elkaar rooien en waren de voorzieningen slechter. In de groepsvormingsfase (1890-1902) -tweede fase- waren de voorzieningen verbeterd en vond steeds meer groepsvorming plaats. Ook omdat er zich steeds meer uitgedienden vestigden in Suriname en het aandeel van de tweede generatie groter werd en een deel volwassen was geworden. De jonge vrouwen geboren in Suriname werden, al dan niet gedwongen, de echtgenote van alleenstaande (veelal oudere) mannen uit India. De bekende gezegde Burhuwá hai ghare (is de oude man thuis) die vooral jonge Hindostaanse vrouwen vaak met enige humor bezigden -wanneer zijn informeerden naar de echtgenoot- heeft hiermee te maken.

In de kleinlanbouwersfase (1903-1920) -de derde fase – werd de meerderheid van de uitgedienden kleinlandbouwer in Suriname. Vooral als producenten van voedsel (met name rijst) waren zij een onmisbaar deel van de Surinaamse samenleving geworden. En aan het einde van de contracttijd omstreeks 1920 vormden zij al bijna een kwart van de Surinaamse bevolking.

Werving
Over de werving en selectie van de Hindostaanse contractarbeiders in India zijn vaak onjuiste beelden ontstaan. De werving en selectie vonden als volgt plaats in Noord-India, in het bijzonder in de staten Uttar Pradesh en Bihar. Het Suriname-agentschap te Calcutta ontving vrijwel jaarlijks bestellingen uit Suriname om Hindostaanse contractarbeiders te werven en te selecteren. Er werd tevens een hoofddepot (Suriname depot) ingericht in het havengebied Garden Reach bij de Hooghlyrivier waar de schepen aanmeerden om de contractarbeiders in te schepen. De emigratie-agent in Calcutta gaf opdrachten aan zogeheten subagenten in de verschillende steden om de werving ter hand te nemen. De subagenten hadden subdepots in deze steden waar de potentiële contractarbeiders werden opgevangen. Voor Suriname waren in de staat Bihar in de steden Patna en Muzafferpur subdepots en in de staat Uttar Pradesh in Benares, Allahabad, Ghazipur, Mathura, Gorakhpur, Fyzabad, Kanpur en Bast. De subagenten schakelden legale wervers in. Deze wervers kregen jaarlijks een vergunning en droegen een herkenningsteken – een badge (een soort penning). Er waren namelijk misstanden bij de werving. Mensen werden soms misleid en in sommige gevallen zelfs gekidnapt. Dat werd breed uitgemeten door de tegenstanders van de contractarbeid. Met behulp van strenge wetten met betrekking tot de emigratie – en de wetten werden steeds strenger – trachtte de Brits-Indiase regering de misstanden te bestrijden. De wervers namen deels zelf de werving ter hand. Maar zij schakelden ook illegale wervers in. 

Mevrouw Sitabia Sudhu beviel in 1890 op het schip Erne I van haar zoon Sewpersad. Sitabia werd modijain (geldschietser) in Suriname en Sewpersad werd tolk en makelaar (met dank aan Koesma Ramkisoen-Choenni).

Arkathyá’s

Bekend en berucht werden de zogeheten arkáthi’s. Deze illegale wervers zagen hun kans schoon om voor een paar roepies –dat was toen gelijk aan het maandloon van een arbeider in India – een potentiële contractarbeider te werven en te motiveren om te emigreren naar Suriname. Zij hebben mensen soms misleid door al te mooie verhalen op te hangen over het werk en het leven in de koloniën. Maar er waren ook andere illegale wervers zoals duffadárs (handelaars in aandelen), caukidárs (wijkmeesters in steden) en caprási’s (bewakers/boodschappers). Iedereen probeerde geld te verdienen en potentiële contractarbeiders af te leveren bij een subdepot om direct bij de legale werver hun vergoeding te incasseren. Om het risico te verminderen op uitval tot en met de inscheping in Calcutta was echter een geraffineerd betalingssysteem ingesteld. De legale wervers en subagenten kregen betaald naar rato van het aantal ingescheepten. Het was dus zaak om vooral gemotiveerde personen te werven en zo streng mogelijk te selecteren. Niettemin was er sprake van uitval om uiteenlopende redenen. De totale uitval in het hoofddepot onder potentiële Hindostaanse contractarbeiders tussen 1873 en 1916 bedroeg 11.291 personen oftewel 21,57%. De overige uitval (grotendeels in de subdepots) bedroeg 6.644 personen oftewel 12,7%. Er zijn in totaal zijn 52.330 emigranten voor Suriname geworven en uiteindelijk zijn er 34.304 ingescheept. Dat wil zeggen dat ruim een derde (34%) van degenen die waren geselecteerd voor Suriname deze kolonie niet hebben bereikt. De belangrijkste redenen voor deze uitval was dat men naderhand op medische gronden werd afgekeurd of ongeschikt bevonden om gedurende vijf jaar zware fysieke arbeid te verrichten en/of een maandenlange zeereis te doorstaan. Maar er vond ook desertie plaats (men had achteraf spijt van de beslissing) of werd teruggehaald/succesvol geclaimd door familie –vaak betrof het jonge mannen.

Verwarring

In het Nederlandstalig gebied is sprake van een verwarring over de legale wervers die werden ingeschakeld. De onderzoeker Bhagwanbali maar ook De Klerk (1953) en anderen hebben het onderscheid tussen de legale wervers en de arkathiyá’s (illegale wervers), niet of onvoldoende gemaakt. Ten onrechte is het beeld ontstaan dat de arkathiyá’s legale wervers waren en bijna alle contractarbeiders zouden hebben geworven. Sterker nog: dat ze de meeste Hindostaanse contractarbeiders zouden hebben misleid (bharmáe deis). In mijn uitgebreide studie heb ik aangetoond dat het onderscheid tussen legale en illegale wervers zeer belangrijk was. De legale wervers moesten zich houden aan de wet, anders raakten zij hun jaarlijkse vergunning kwijt. De arkathiyá’s leverden de potentiele contractarbeider af bij de legale wervers en ontvingen hun betaling. De legale werver bracht de potentiële contractarbeiders naar de cutcherry (lokaal bestuurskantoor annex rechtbank). Daar ondertekende de potentiele contractarbeider (met een duimafdruk) een (voorlopig) arbeidscontract, nadat hij/zij had bevestigd bij de (assistent-)magistraat uit vrije wil te emigreren. Dan pas werd geïnvesteerd in deze contractarbeider. In het subdepot kreeg de contractarbeider voeding, medische zorg en huisvesting in afwachting van de reis naar Calcutta.

Mythe van misleiding

Veel contractarbeiders die achteraf ontevreden waren met hun keuze voor emigratie naar Suriname hebben de zogeheten arkathiyá’s verweten dat zij door hen zijn misleid. Uit rapporten van onderzoekers die toentertijd veldwerk hebben gedaan in India blijkt dat er wel misleiding is voorgekomen, maar die was niet de voornaamste reden voor emigratie. Ook de toonaangevende onderzoeker Hugh Tinker noemde in zijn boek uit 1974 getiteld A New system of Slavery: The Export of Indian Labour Overseas 1830-1929 (London: Oxford University Press) de contractarbeid als een nieuw systeem van slavernij heeft geduid, geeft slechts enkele voorbeelden van misleiding. In het bijzonder met betrekking tot Suriname zouden velen zijn misleid omdat men het land Suriname heeft vertaald als Sri Ram desh (verheven land van Rama). De associatie werd gelegd met het heilige land van de hindoegodheid Rama. Arkathiyá’s zouden hebben beweerd dat men in dit land uit gouden schalen zou eten en uit gouden bekers water zou drinken. Het verhaal over Sri Ram desh is doorverteld en is een eigen leven gaan leiden. Het fungeerde als een goed excuus en rationalisatie voor de emigratie uit India. De meeste Hindostaanse contractarbeiders waren immers niet zo naïef om dit verhaal te geloven. Bovendien heeft de emigratie naar Suriname 44 jaar geduurd. Er werd in de gebieden waar de meeste Hindostaanse contractarbeiders van afkomstig waren, namelijk de staten Uttar Pradesh en Bihar, vaak gesproken over de emigratie en er werden verhalen verteld over de koloniën. Er waren ook terugkeerders die informatie gaven en sommigen keerden na ontluisterende ervaringen in India terug naar de koloniën i.c. Suriname. Anderen gingen terug om familie en vrienden mee te nemen naar de koloniën.

Srimaansingh met hoed en zijn vrouw en dochter op schoot. De gebroeders Srimaansingh behoorden tot de kleine groep Christelijke Hindostanen die naar Suriname kwamen. Esther Srimaansingh geboren in Suriname werd de eerste Hindostaanse onderwijzeres. Zij huwde met W. Juglal, een van de eerste Hindostaanse (hoofd)onderwijzer (met dank aan Prim Girjasing).

Antipropaganda

Voorts waren er allerlei enge verhalen over de koloniën in omloop; dat men in een hel (narak) terecht zou komen. Of dat men zijn kaste zou verliezen als men de kálá páni (het zwarte water, de zee dus) had doorkruist en niet meer zou worden geaccepteerd in India bij terugkeer. Ook dat men onder dwang werd bekeerd tot het christendom en gedwongen werd rundvlees en/of varkensvlees te eten. Of dat men werd vermoord en dat er vervolgens olie werd geperst uit je hoofd (mimiái ke tel). Ondanks deze antipropaganda besloten velen toch te vertrekken uit hun geliefde India (janmabhumi).

Ten slotte: als de belofte over Sri Ram desh de belangrijkste reden was voor de emigratie van Hindostaanse contractarbeiders naar Suriname, dan moet worden aangetoond hoe het komt dat tienduizenden mensen naar andere koloniën zijn gemigreerd. En ook nog vóór 1873, want men kon de term Sri Ram desh immers niet gebruiken voor de andere koloniën. Kortom: het verhaal over misleiding is grotendeels een mythe. Wij hebben aangetoond in de uitgebreide studie dat slechts een heel klein deel van de contractarbeiders is misleid.

Pull en pushfactoren

Het blijkt dat er uiteenlopende redenen zijn geweest om te emigreren van India naar Suriname. Deze kunnen worden onderverdeeld in pull- en pushfactoren. De pullfactoren waren onder meer dat men als arbeider het veelvoudige aan loon zou kunnen verdienen: 12 anná’s (60 cent) per dag tegen een loon van 1 tot 2 anná’s in India. En dat men gedurende vijf jaar werk had, geld kon sparen en gratis terug kon keren naar India. Bovendien kreeg men gratis voedsel, kleding en gezondheidzorg in India na de werving. Ook het transport naar Calcutta (met de trein!) en de zeereis naar Suriname was gratis. Er waren ook succesvolle terugkeerders uit de koloniën en er werd ook geld en brieven gestuurd naar familie in de dorpen vanuit de koloniën.

Naast deze pullfactoren waren vooral de pushfactoren van belang. Allereerst hadden vooral de lagere klassen en kasten in India een zeer armoedig bestaan. Vaak heerste er hongersnood door allerlei jaarlijks terugkerende natuurrampen, zoals droogte en overstromingen. Velen hadden schulden en werden uitgebuit en onderdrukt door landheren (zamindárs) en hun handlangers. Tevens had het Britse koloniale systeem en vernietiging van textielindustrie bijgedragen tot een grote toename van de armoede.

Rampersad Thakoerdin vertrok uit India (Prayagraj/vroeger Allahabad) en werd in Suriname stamvader van een grote familie.

Familieomstandigheden

Daarnaast zijn velen ook gevlucht vanwege familieomstandigheden. Hindoeweduwen die werden verstoten en onheus bejegend en vrouwen die werden onderdrukt hebben gekozen voor emigratie. Jongere broers mochten niet eten voordat de oudere broers hadden gegeten. De stamvader van liefst vier Hindostaanse families waren jongere broers die deze regel hadden overtreden en daarom zijn gevlucht uit India, zo blijkt uit mijn onderzoek. Anderen hebben hun schoonzuster (bhauji) verleid of de schoonzuster is uit eigen beweging gevlucht vaak vanwege onderdrukking door de schoonfamilie. Er zijn ook criminelen geëmigreerd naar Suriname. Overigens met toestemming van de autoriteiten, omdat men meende dat door betere levensomstandigheden zij fatsoenlijke burgers konden worden. Al met al waren er respectabele redenen om te emigreren, vergeleken met de situatie in India. Men kon een beter bestaan verwerven in de koloniën en vooral met gespaard geld terug te keren naar India. Velen en vooral jongemannen zijn stiekem vertrokken en hebben bij rekrutering valse namen opgegeven. Het zij met nadruk vermeld: een groot deel van de gerekruteerden was al buiten hun dorpen op zoek naar werk en voeding. Men is niet zoals soms ten onrechte wordt gedacht in de kraag gegrepen en met gebruik van dwang naar Suriname en andere koloniën gezonden.

Schorsing

De Hindostaanse immigranten zijn over het algemeen zwaar geselecteerd. Velen kwamen niet in aanmerking voor het zware werk op de plantages. Wij hebben al geconstateerd dat na de werving een derde alsnog is uitgevallen en niet ingescheept voor Suriname. Tegen het einde van het Staatstoezicht in Suriname (1 juli 1873) was de vraag naar arbeidskrachten heel hoog. Daarom hebben binnen één jaar – tussen juni 1873 en mei 1874 – liefst acht schepen bijna 4.000 Hindostaanse contractarbeiders naar Suriname overgebracht. Zij werden tewerkgesteld op verschillende plantages. Een aanzienlijk deel bezweek echter; in het begin waren er bijna 20% sterfgevallen. Dit was te wijten aan allerlei (tropische) ziekten, slechte huisvesting en ontoereikende gezondheidsvoorzieningen. Maar ook de haastige selectie in India was hier debet aan. De Britse consul adviseerde daarom eind 1874 om de emigratie naar Suriname te schorsen. Deze schorsing werd na een paar jaar opgeheven nadat betere huisvesting (de zogeheten koeliewoningen) en gezondheidsvoorzieningen waren gerealiseerd. Onder meer werd de geneeskundige school opgericht die ervoor heeft gezorgd dat er geneesheren werden opgeleid in Suriname; dit heeft bijgedragen tot een relatief goede gezondheidszorg.

Grote variatie

Na de schorsing werd de selectie in India beter. Niettemin zijn er niet uitsluitend land(bouw)arbeiders naar Suriname geëmigreerd. Vooral in het begin van de emigratie lukte het niet gemakkelijk uitsluitend land(bouw)arbeiders te rekruteren, maar door de tijd heen lukte dat steeds beter. Vooral in de twintigste eeuw waren de werving en selectie sterk verbeterd. Door verandering van kleding en een valse naam of kaste op te geven, wisten velen die niet afkomstig waren uit de landbouw, alsnog te bewerkstelligen dat zij werden geselecteerd voor contractarbeid. In principe werden Brahmanen (leden van de priesterkaste) niet geselecteerd. Niettemin was ongeveer 5% van de Hindostaanse emigranten van Brahmaanse afkomst; zij waren vaak verarmd in India. Er zijn ook Brahmaanse weduwen geëmigreerd en een heel kleine groep Brahmanen is als priesters geworven en sommigen als sardár (voorman). Velen hebben Thákur (behorend tot de Chattri kaste, de tweede kaste) opgegeven en hebben later in Suriname hun kaste weer gewijzigd. Het is denkbaar dat anderen zich ten onrechte als Brahmaan (de zogeheten ‘Bootbrahmanen’) hebben laten inschrijven in Suriname. Anderen hebben singh achter hun naam geplaatst en zijn daardoor in de kastenhiërarchie gestegen. Er zijn zowel personen van lage kasten en kastelozen als middelkasten geëmigreerd. Globaal behoorde twee vijfde tot de middelkasten – veelal landbouwers – en bijna twee vijfde tot de lage kasten en kastelozen. Ongeveer een vijfde behoorde tot de hogere kasten.

Munshi Rahman Khan was een van de weinige Hindostaanse ooggetuigen die heeft geschreven over de werving in India. Hij arriveerde in 1898 en was zowel een kenner van de Islam als van het Hindoeïsme.

Hindoe-moslimrelaties

Door de kleine aantallen zijn er relaties ontstaan tussen verschillende kasten, waaronder huwelijken. Ook zijn er kinderen geadopteerd die de kaste hebben gekregen van hun geadopteerde ouders. Het kastenstelsel heeft gaandeweg veel van zijn betekenis verloren. In India werd gesteld dat degene die de zee (kálá páni) had doorkruist zijn kaste had verloren, dus een kasteloze was geworden.

Ongeveer 17% was moslim. Veel moslimmannen namen -mede vanwege de kleine aantallen- hindoevrouwen als echtgenote, die vaak moslim werden. De relatie tussen de hindoes en moslims was tijdens emigratie en in de contractperiode vrij harmonieus. Er was een regeling dat er op 100 mannen 40 vrouwen (28,6%) moesten meegaan met elke scheepstransport. Bijna een derde van Hindostaanse contractarbeiders was vrouw. Een derde was getrouwd en tweederde was alleenstaand. De alleenstaande vrouwen waren vaak weduwen, vrouwen die vanwege familieproblemen waren weggelopen of verstoten. Maar er zijn ook danseressen en enkele prostituees gemigreerd naar Suriname.

Ongeveer 10% van de emigranten waren kinderen. Ruim tweederde was man en de meerderheid van de mannen was alleenstaand. De meerderheid had een leeftijd tussen de 18 en 35 jaar. Er zijn dus geen ouderen gemigreerd. Bovendien was men afkomstig uit vele dorpen en steden van India. Al met al was er sprake van een grote variatie in kenmerken. Ondanks deze diversiteit moest men met elkaar samenleven en samenwerken. Dat is door de tijd heen uitgemond in een sterke etnische identiteit en een Hindostaanse cultuur gebaseerd op de Indiase culturele heritage.

In het Suriname depot te Calcutta werden de emigranten opgevangen, voordat zij de maandenlange reis naar Suriname ondernamen.

Calan

In India werden al intensieve banden gesmeed. Nadat er voldoende gerekruteerden waren in een subdepot reisde men in een groep –een zogeheten calan – onder begeleiding van een caprási (een soort professionele boodschapper) of een durwan (bewaker) met de trein naar de havenstad Calcutta waar het Suriname-hoofddepot zich bevond. In het hoofddepot volgde opnieuw een medische keuring en werd nogmaals gevraagd door de beschermheer der emigranten of men uit vrije wil het arbeidscontract was aangegaan. In principe kon men zich ter plekke alsnog terugtrekken als men was misleid of spijt had gekregen van de eerdere beslissing. Ook werden regelmatig jongemannen die stiekem van huis waren vertrokken, geclaimd door hun familie. Sommigen hebben zich laten werven om een gratis reis naar Calcutta te kunnen maken. In Calcutta aangekomen deserteerden zij vervolgens. Het arbeidscontract werd definitief gemaakt, nadat men nogmaals akkoord (rázi he ) was gegaan. Daarna werd men voorbereid voor de maandenlange reis naar Suriname. Er was bijvoorbeeld dagelijks appèl in de ochtend, waarbij iedereen werd geïnspecteerd. Nogmaals: het was niet in het belang van de Nederlandse overheid om te investeren in mensen die onwillig waren of die zouden zijn gedwongen om te emigreren. Immers, zij zouden zich gaandeweg terugtrekken en dat leverde alleen maar verlies op. Bovendien waren er strenge Indiase wetten. Er zijn natuurlijk uitzonderingen en er zijn enkele juridische zaken geweest met betrekking tot kidnapping en misleiding. Maar op de bijna een half miljoen contractarbeiders die naar het Caraïbisch gebied zijn geëmigreerd zijn dat verwaarloosbare aantallen. Als er een voldoende aantal Hindostaanse emigranten was voor een scheepslichting werd men ingescheept voor de zeereis. In het subdepot in de verschillende steden hadden velen als lotgenoten al intensieve banden met elkaar gesmeed (dipu bhái en dipu bahin). Vóór de inscheping volgde een finale (medische) keuring. Men kreeg onder meer kleding, een tinnen bord, een aarden lota (drinkbeker) en een kleine watercontainer evenals een buidel (gathari) om deze en de eigen spullen in te bewaren.

Lange zeereis

Het contractarbeidsysteem bestond al sinds 1834. Vergeleken met koloniën als Mauritius en Guyana hebben de Hindostaanse contractarbeiders het relatief beter gehad. Omdat zij aan het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw zijn geëmigreerd toen vooral de voorzieningen op de schepen steeds beter werden. Er zijn vooral (ijzeren) zeilschepen gebruikt voor de transporten en vanaf 1907 alleen maar stoomschepen. Sommige schepen hebben meerdere malen emigranten naar Suriname overgebracht en hebben terugkeerders meegenomen naar India. De zeereis ging om het continent Afrika heen en de woeste Kaap de Goede Hoop moest worden óverwonnen ‘. Vervolgens werd richting Suriname gekoerst; in de meeste gevallen werd een tussenstop gemaakt bij het eiland St. Helena om water en vers voedsel in te slaan. Er werd dus ook een koude streek doorkruist. De zeereis naar Suriname duurde in de beginperiode met de zeilschepen maar liefst drie maanden. Met de stoomschepen die veel comfortabeler waren, werd de reis verkort tot ongeveer een maand. Wat betreft voorzieningen op de schepen waren er allerlei regelingen getroffen, bijvoorbeeld over de minimale ruimte waarover iedere emigrant moest beschikken en de afscheiding van alleenstaande mannen van alleenstaande vrouwen. Er was een goed opgezet medisch regime en voedingssysteem. De kapitein, de scheepsarts en het scheepspersoneel kregen een extra premie als er zo weinig mogelijk ziekte en sterfgevallen waren. Er is gemiddeld genomen over de 64 transporten een relatief lage sterfte geweest van 2,1%; op de zeilschepen 2,6% en op de stoomschepen 1,2%. Er zijn ook kinderen geboren tijdens deze transporten; die moeten worden bijgeteld bij de emigranten. En er zijn ook een honderdtal vrije emigranten meegekomen naar Suriname. Het is overigens opmerkelijk dat er zich hoogst zelden een scheepsramp heeft voorgedaan tijdens de 64 transporten. Wel heeft in 1884 het stoomschip Peshwa schipbreuk geleden en moest men in Sri Lanka wachten; daarna is de lichting emigranten met het stoomschip Laleham naar Suriname overgebracht. 

De transportschepen meerden aan de Hooghly rivier te Calcutta.

Traumatische ervaring

De lange zeereis was zwaar; de meesten hadden nauwelijks een idee van de afstanden tussen continenten. Vaak werd gezegd dat men zeven zeeën doorkruiste (sát samunder pár). Hoewel er was gezorgd voor ontspanning, zoals muziek, zang en spelletjes, was de maandenlange reis voor velen een traumatische ervaring. Tijdens de zeereis werden de onderlinge banden intensiever en allerlei verschillen minder relevant. Hindostanen van een scheepstransport beschouwden elkaar als jaháji bhái en jahaji bahin (scheepsbroeder en scheepszuster). Deze jaháji band is in Suriname lange tijd intact gebleven; men zocht elkaar regelmatig op en hielp elkaar. Het was een soort familie geworden, omdat de meesten – als eenlingen – geen familie hadden in Suriname.

Zoals gezegd werd het transport steeds beter door de doorgevoerde verbeteringen en door veranderingen in de transporttechnologie, zoals het gebruik van stoom (ook voor de waterzuivering en het koken) en later van elektrische lampen. De Hindostaanse contractarbeiders die in de derde fase naar Suriname zijn gekomen, hebben een veel kortere reis gemaakt dan de pioniers. De pioniers zijn meestal bijna vier maanden onderweg geweest. Bij de drie maanden op het schip moet namelijk het verblijf in het subdepot en in het hoofddepot in Calcutta worden opgeteld. De pioniers hebben de volgers (behorend tot de tweede fase) en de nakomers (behorend tot de derde fase) opgevangen in Suriname.

Met dank aan Radjin Thakoerdin voor alle ondersteuning.

TOP