De schrijver Albert Helman: een dwarsliggende indiaan

Hans Ramsoedh

Albert Helman

De schrijver Albert Helman, pseudoniem van Lou Lichtveld  (Paramaribo 7 november 1903 –  Amsterdam 10 juli 1996), heeft een indrukwekkende oeuvre nagelaten. Hij is een van de belangrijkste Surinamers (eigenlijk Nederlandse-Surinamer) van de twintigste eeuw, een van Surinames grootste schrijvers en de nestor van de Surinaamse literatuur. Hij is ook de trots van veel Surinamers en de laatste decennia voorafgaand aan zijn dood gold hij als het geweten van Suriname.

Kortgeleden las ik de slavernijroman De smeekbede (Amsterdam 2020: uitgeverij Orlando) geschreven door Lianne Damen. Deze roman handelt over het leven van de tot slaafgemaakte Dédé en haar meester Engelbert Kelderman op plantage Portorico aan de Surinamerivier. Ik moest terugdenken aan de roman De stille plantage van Helman uit 1931, de eerste Nederlandse roman met slavernij als thema. Deze roman handelt over een Hugenootse [protestantse] familie die aan het eind van de achttiende eeuw vanwege religieuze vervolging van Frankrijk naar Nederland vlucht en uiteindelijk in Suriname belandt. Hier wordt deze familie eigenaar van een plantage met slaven. De hoofdpersoon in deze roman wil in het Surinaamse oerwoud zijn dromen en geloof verwezenlijken: een rechtvaardige plantagesamenleving waar slaven humaan worden behandeld. Van deze idealen komt echter uiteindelijk weinig terecht. Gedesillusioneerd verlaat deze Hugenootse familie Suriname en het oerwoud neemt weer bezit van de plantage. De Stille plantage is geen aanklacht tegen slavernij maar handelt over het pijnlijke inzicht dat idealen niet altijd verwezenlijkt worden. Deze roman las ik circa vijfenveertig jaar geleden voor mijn leeslijst op de kweekschool. Na het lezen van De smeekbede besloot ik Helmans De Stille plantage te herlezen. Deze roman is inmiddels tig-keren herdrukt (de laatste herdruk was in 1997 als ik mij niet vergis) en ook in verschillende talen verschenen. Het gaat mij in deze bijdrage niet om een bespreking van beide boeken maar om de schrijver Albert Helman.

Het wapen van Suriname

Homo universalis
Albert Helman was een veelzij­dig persoon, een homo universalis en een renaissance-mens. Hij heeft zijn sporen verdiend als schrijver, musicus, bestuurder, his­toricus, linguïst, etno­loog en nog enkele andere profes­sies, in onze zich steeds meer specia­liserende wereld lid van een uit­ster­vende soort. Hij ontwierp ook het wapen van Suriname en was als adviseur betrokken bij de film Wan Pipel uit 1976 van Pim de La Parra. De Lichtvelds behoorden tot de stedelijke Surinaamse gekleurde elite met Europese, Creoolse en indiaanse roots. Toen hij twaalf jaar oud was, vertrok het gezin Lichtveld in 1914 vanwege vaders ‘koloni­ale verlof’ voor een jaar naar Nederland. Toen het gezin terugkeerde naar Suriname, bleef Helman achter in een seminarie te Roermond waar hij zou worden opgeleid tot priester. Hij bleek onvoldoende aanleg te hebben voor zijn aanvankelijke roeping en keerde na een half jaar terug naar Suriname. Hij behaalde in het thuisland zijn onderwijzersakte en na een kortstondige loopbaan in het lager onderwijs vertrok hij op 18-jarige leeftijd naar Nederland, een vertrek dat volgens zijn biograaf Van Kempen samenhing met een met de paplepel ingegeven interesse en fascinatie voor de Europese cultuur.

Afrekening met Nederland
In Nederland studeerde hij muziek maar zijn interesse bewoog zich ook tot theater, film, literatuur, geschiedenis en taalkunde van Suriname en de omringende regio. Hij raakte betrokken bij schrijvers van een progressief katholiek tijdschrift. Aangezet door deze vrienden schreef hij op 22-jarige leeftijd in 1925-’26 in een nostalgische bui het boek Zuid-Zuid-West. Dit boek werd behalve een lofzang op de schoonheid van zijn geboorteland en zijn bewoners een met ‘Multatuliaanse’ passie geschreven aanklacht tegen Neder­land dat in zijn optiek Suriname liefdeloos verwaarloosde. Bij het schrijven van dit boek kwam bij hem de woede naar boven  over het kolonialisme, het ontdekken door wat voor inferieure mensen Suriname geregeerd werd, wie daar de baas speelden en de wijze waarop de gekleurde bevolking achteruit gezet werd. De Nederlandse regering nam Helmans aanklacht niet in dank af. Zij bestempelde hem als een gevaarlijke antikolonialist en hij werd sindsdien als zodanig bij de inlichtingendienst geregistreerd. Zijn epiloog in Zuid-Zuid-West werd de duurste bladzijde uit zijn literaire oeuvre. Het kostte hem namelijk een hoogleraarschap in Leiden toen men eind jaren twintig een leerstoel in de Creo­lentalen wilde instellen gefinancierd door het ministerie van Koloniën. Hij kreeg te horen dat zijn benoeming vanwege zijn antikoloniale epiloog op bezwaren van Koloniën stuitte.

Deze afwijzing betekende een grote deceptie voor Helman. Teleurgesteld vertrok hij in 1932 naar Spanje waar hij voor Nederlandse kranten de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) versloeg. In dit land raakte hij, Helman had zich inmiddels ontwikkeld van orthodoxe katholiek tot radicaal-linkse socialist, betrokken bij de burgeroorlog. Hij streed aan de zijde van de anarchisten tegen de fascisten onder leiding van generaal Franco. Als gevolg van de opmars van Franco’s troepen vluchtte hij naar Mexico om tenslotte in 1939 weer in Neder­land te belan­den. Tijdens de oorlogsjaren was Helman actief in het kunstenaarsverzet.

Hoewel zijn meest bekende romans (zoals Zuid-Zuid-West, De stille plantage, De laaiende stilte, Mijn aap lacht) handelen over Suriname, is Helman met zijn literaire productie (meer dan honderd boeken) deel gaan uitmaken van de Neder­landse cultuur. Zijn werken werden vooral gelezen door een Nederlands publiek. Helmans literaire loopbaan heeft echter nooit tot grote erkenning geleid. Alleen De Laaiende stilte (1952), de herschreven versie van De stille plantage vanuit een ander gezichtspunt, werd in 1953 bekroond met de Vijverbergprijs. In 1962 ontving hij het eredoctoraat in de letteren van de Universiteit van Amsterdam voor zijn pionierswerk op etno-linguïstisch terrein.

Ministerschap
Na een kwart eeuw in vrijwillige ballingschap keerde Helman in 1946 voor een kortstondig bezoek terug naar Suriname. In 1949 was hij weer in Suriname en werd hij vervolgens minister van Onderwijs en Volksgezondheid. Zijn werklust en voortvarendheid als minister van twee departementen waren opvallend. Op onderwijster­rein richtte hij in 1950 de eerste middelbare school (AMS) en de eerste kweek­school op. Hij breidde ook het lager onderwijs in de dis­tricten sterk uit. Ook op het terrein van de volksgezondheid ging Helman voortvarend te werk. Tot aan het begin van de jaren vijftig werd Paramaribo geteisterd door malaria. Hij stelde een brigade ‘gezondheidsarbeiders’ in (in de volksmond muskie­ten­politie genoemd) die alle erven en huizen in de stad aflie­pen om mogelijke broedplaatsen voor muskieten te bestrijden. Door zijn beleid werd Paramari­bo binnen enkele jaren malaria-vrij gemaakt. Na een politiek conflict in 1951 met de directeur van Volksgezondheid (die tevens Statenlid was) trad hij af en stortte hij zich in Surina­me in de culturele vorming. Hij be­kleedde 17 functies tegelijk, maar de voornaamste was die van voorzitter van de Rekenkamer tussen 1954 en 1961. Die aanstelling kreeg hij niet omdat hij verstand had van financiën maar omdat hij een idee had van eerlijkheid. Hierna trad hij tot aan zijn pensionering in 1967 toe tot de Nederlandse diplomatieke dienst.

In natio­nalistische kringen in Suriname in de jaren vijftig en zestig was de kritiek op Helman dat hij geen Surinaamse schrijver zou zijn. Bij de nationalisten was namelijk sprake van een preoccupatie met de ervencul­tuur, het leven achter de grote herenhuizen waar de mensen in armoede leefden en in optrekjes die vroeger als slavenverblijf dienden. In de ogen van de nationalisten lag het perspectief in Helmans romans bij de blanken. De gedachtewereld van de ‘neger’ werd niet geëxplo­reerd; een schrijver dus die vanuit een Hollandse geest schreef. De kritiek van nationalistische zijde hing ook samen met Helmans opvattingen over het Sranan [lingua franca in Suriname], des­tijds het Neger-Engels genoemd. Helman verklaarde de nationa­listische voor­standers van invoering van het Sranan als offi­ciële taal voor gek. In zijn ogen zou deze keuze leiden tot een nog groter isolement van Suriname in de regio. Helman kwalificeerde de retoriek van de nationalisten als ‘intellectueel gewauwel’.

Afrekening met Suriname
Na zijn eerdere afrekening met Nederland in 1926 volgde in 1983 Helmans afrekening met Suriname als hij zijn magnum opus en politiek testament De Foltering van Eldorado (495 pp.) publiceert. Dit boek is een meeslepende en schitterende kroniek over de geschiedenis (ecologisch, geografisch, etnisch-antropologisch, economisch, staatkundig en politiek) van Groot Guyana, het gebied in het noordoostelijk deel van Zuid-Amerika dat begrensd wordt door de Orinoco in het westen, de Amazone in het zuiden en de Atlantische oceaan in het noorden en oosten. Het handelt over de foltering van het gebied van de oorspronkelijke bewoners, alsook van de avonturiers en andere bevolkingsgroepen die hiernaar toe werden overgebracht. Helmans sympathie gaat daarbij onverholen uit naar de Inheemsen.  Aan het tragische lot van de Inheemsen besteedt hij dan ook veel aandacht.
Vermeldenswaard is ook nog een aantal Suriname-boeken van Helman waaronder Cultureel mozaïek van Suriname (1977), Facetten van de Surinaamse samenleving (1977) en Avonturen aan de Wilde Kust (1982).

Helman heeft sterk gefulmineerd tegen de wijze waarop Suriname onafhankelijk werd. Hij sprak van een ‘historisch onrecht’. Volgens hem kreeg het de onafhankelijkheid gewoon van Nederland opgedrongen. Vanwege zijn verzet tegen de onafhankelijkheid is hij door de nationalisten voor de tweede keer verguisd. Hij werd beschouwd als een reactionaire koloniaal die Surinamers niet in staat achtte hun land te besturen. In tal van interviews liet hij niet na het militaire regime in Suriname dat tussen 1980 en 1990 het politieke toneel domineerde, te attaqueren. Hij is in 1993 een van de vijftien ondertekenaars van een Manifest voor de redding van Suriname waarin gepleit werd voor het houden van een referendum in Suriname over een eventuele gemenebestrelatie met Nederland. De bevolking moest alsnog de mogelijkheid krijgen om zich uit te spreken over de staatkundige verhouding met Nederland.

Ontmoeting met Albert Helman
Ik leerde Helman persoonlijk kennen tussen 1993 en 1995. Ons eerste contact hing samen met het plan van IBS (Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek en uitgever van OSO) om in 1994 een Albert Helman-colloquium te organiseren ter gelegenheid van zijn negenstigste verjaardag. We wisten alleen niet hoe hij op ons voorstel zou reageren, want hoewel hij bekend stond als een innemend, geestig en beminnelijk persoon kon hij chagrijnig en nurks zijn. Hij reageerde niettemin positief op ons voorstel en nodigde mij vervolgens uit thuis bij hem in Amsterdam-Buitenveldert. Het IBS-colloquium in 1994 kreeg voor Helman ook nog een bijzondere betekenis. Door de jaren heen had hij heel wat poëzie in het Sranan geschreven maar niet uitgegeven. Op initiatief van Michiel van Kempen werd door IBS besloten tot een uitgave van Helmans Srananpoëziebundel, Adyosi/Afscheid (1994) die op het colloquium aan Helman zou worden aangeboden. Hiermee ging ook Helmans grootste wens in vervulling. Over het Helman-colloquium zei hij dat hij niet aanwezig wilde zijn om sprekers met zijn aanwezigheid niet te hinderen. Desalniettemin wisten we hem over te halen om op het colloquium in de pauze acte de présence te geven. Schoorvoetend stemde hij hiermee in. Voordat de middagpauze begon kwam Albert Helman onder staande ovatie de zaal binnen. Hij was duidelijk ontroerd door het warme welkom door zijn landgenoten.

Albert Helman signeert zijn dichtbundel op het IBS-colloquium in 1994

Enkele maanden na het Helman-colloquium belde hij mij op met de vraag of ik de actualisering van zijn magnum opus en politiek testament (De foltering van Eldorado uit 1983) ter hand wilde nemen. De boekenweek van 1995 stond in het teken van Latijns-Amerika en zijn uitgever wilde een geactualiseerde herdruk uitbrengen. Helman was inmiddels 91-jaar en achtte zich fysiek niet meer in  staat deze taak op zich te nemen. Ik was uiteraard zeer vereerd met Helmans verzoek, maar tegelijkertijd rezen bij mij twijfels of ik wel aan zijn verwachtingen zou kunnen voldoen. Wie De foltering van Eldorado heeft gelezen weet dat Helman niets en niemand ontziet, geen blad voor de mond neemt, voortdurend oordeelt, en dat alles met een grote passie en vanuit een woede over het onrecht dat de Inheemsen is aangedaan. Achteraf bezien vielen de besprekingen over de conceptversie met Helman heel erg mee. Hij was content met het uiteindelijke product, maar het kan ook zijn dat de scherpslijperij, woede en passie bij hem inmiddels hadden plaatsgemaakt voor berusting en een houding van ‘ik vind het allemaal prima op deze leeftijd’. De ‘onblusbare behoefte aan contestatie’, zoals Van Kempen schreef, was bij de 92-jarige Helman duidelijk minder geworden. De geactualiseerde versie van De foltering van Eldorado verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer in een tweedelige pocketeditie getiteld Kroniek van Eldorado. Kort na verschijning van het tweede deel in 1995 ontmoette ik hem voor het laatst. Hij had mij als dank voor mijn inspanning uitgenodigd voor een borrel bij hem thuis. Het was ook onze laatste ontmoeting. Nog geen half jaar later overleed hij.

Voor altijd de balling
Helman was een kosmopoliet van geest. Zijn hart bleef een ruste­loos kompas. Waar hij ook kwam, hij was nergens echt op zijn plaats. Hij bleef voor altijd de balling waarvan de toonzetting in een aantal van zijn werken getuigt van het hybride karakter van de migrant en van een afrekening. Hij was een wereldburger die niet meer uitsluitend terecht kon bij zijn oude cultuur en evenmin die van de nieuwe cultuur volledig kon omarmen. Deze hybriditeit komt het duidelijkst tot uiting in Hoof­den van Oayapok (1985). Het is Helmans geestelijk testament waarin hij de balans opmaakt van een lang en veelbewogen leven. Het is een roman in redevoeringen met als spreker een indiaan die na een verblijf in het Westen terugkeert naar zijn stam maar daar uiteindelijk niet meer kan aarden. In de loop der jaren ontstond bij Helman een bewuste identifi­catie met zijn indiaanse afkomst; zijn beide grootmoe­ders waren volbloed indiaans. Vanwege deze identificatie werd hij dan ook getypeerd als de ‘dwarsliggende indiaan’. Aan het tragische lot van de Zuid-Ame­rikaan­se Inheemsen heeft hij veel aandacht besteed.

Roep zonder ophouden van een dwarsliggende indiaan
Helman heeft zich fysiek kunnen verwijderen van zijn geboorteland, maar heeft zich er men­taal nooit van kunnen losmaken. Zijn laatste bezoek aan Suriname was begin jaren zeventig. Door zijn haat-liefde-verhouding tot zijn geboorteland werd Suriname zijn ‘levenslange ziekte’. Hij vergeleek Suriname met het malariavirus: zo af en toe krijg je koorts en dan gaat het weer weg, maar je krijgt het nooit helemaal uit je lijf. Geregeld gaf Helman in interviews blijk van zijn ergernis­sen over de heersende slavenmoraal bij een groot deel van de bevolking in Suriname (het aangename van het afhankelijk zijn, de nederigheid, de passiviteit en het indolente) en de afwezigheid van de herenmoraal bij de bestuurders (hun incom­petentie, bijelkaargraaiers-van-geld, hun volstrekte liefdeloosheid voor het land en de tegenpool van de moderne mens die zijn omgeving onderzoekt en verandert). Het betekent dat Helman niet alleen kritisch was over de ontwikkelingen in Suriname na de onafhankelijkheid in 1975 maar dat hij ook verlangde naar een Suriname dat ooit zal bestaan. Ook op medisch advies keerde hij zijn geboorteland de rug toe, omdat zo gauw Suriname ter sprake kwam Helman voor zijn ‘adrenali­ne huishouding’ vreesde.

Helman had de opdracht van Jesajas (profeet uit het Oude Testament) tot de zijne gemaakt: ‘Roep zonder ophouden’. Hij was een man die voortdurend vocht tegen domheid en onwetendheid. Dat is deze ‘dwarsliggende indiaan’ niet altijd in dank afgenomen. Zes jaar na zijn crematie in 1996 in Amsterdam werd zijn as door zijn kinderen verstrooid in de Surinamerivier. De balling was eindelijk voorgoed teruggekeerd, maar zowel letterlijk als figuurlijk alleen in stoffelijke zin.

Al vóór zijn dood had hij de estafettestok aan de publicist Theo Para (pseudoniem van Henri Does) overgegeven. Helman droeg zijn Suriname-bibliotheek aan hem over en na diens overlijden kreeg Para bericht dat Helmans typemachine voor hem was gereserveerd. Met een Helmaniaanse passie streed Theo Para sinds de jaren tachtig voor herstel van de democratie in Suriname en berechting van de hoofdverdachten bij de Decembermoorden. Voor mij was Albert Helman een dwarsfluitspeler in een orkest naar wie te luisteren een groot genoegen was.

Verder lezen:

  • Themanummer OSO Albert Helman 1995, nr.2. Digitaal te raadplegen: dbnl.nl > OSO
  • Michiel van Kempen schreef een diepgravende en lijvige biografie over Albert Helman: Rusteloos en overal. Het leven van Albert Helman. Haarlem 2016: In de Knipscheer, 863 pp.
  • Voor de reeks Tekst in Context hebben Henna Goudzand Nahar en Michiel van Kempen een editie vervaardigd van De stille plantage waarin zij dit werk in een historisch-sociologische context plaatsen met daarbij een link met het heden: Albert Helman – De stille plantage. Samengesteld door Henna Goudzand Nahar en Michiel van Kempen. Tekst in context 14. Amsterdam 2019: Amsterdam University Press. 94 pp.
  • Op Wikipedia > Albert Helman vindt de lezer een overzicht van Helmans oeuvre.

Uw REACTIE kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam, woonplaats en e-mailadres.

TOP