Contracttijd Hindostanen in Suriname 1873-1920

prof. dr. Chan E.S. Choenni

Over de con­tract­ti­jd die gedu­urd heeft van 1873 tot en met 1920 is betrekke­lijk weinig bek­end. De laat­ste groep con­trac­tar­bei­ders kwam in mei 1916 in Suri­name aan en diende tot eind 1920 toen hun con­tract afliep. Na 1920 waren er nog steeds Hin­dosta­nen die als con­trac­tar­bei­ders werk­ten, omdat zij bijvoor­beeld een her­con­tract (tweede con­tract) waren aange­gaan, maar het betrof vrij kleine aan­tallen. Vanaf 1921 begint dus een andere fase in de Hin­dostaanse geschiede­nis waar­bij iden­titeit en gemeen­schapsvorm­ing cen­traal staan. Over deze peri­ode tot 1960 ver­wi­js ik naar Sar­na­mi Hin­dostani 1920–1960 van G.G. Choen­ni & C.E.S. Choen­ni gepub­liceerd in 2012.

Hoofd­tolk Sitalper­sad Doobay (rechts met col­bert en pochet) geflan­keerd door zijn echtgenote en dochter (links) en jon­gere broer rechts) op bezoek bij zijn pleeg­vad­er, de Agent-Gen­er­aal van Immi­gratie G. Bar­net Lyon (met tropen­helm) Let op de lange trompet en de grote tul­ban­den.

De meeste Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders wer­den opgevan­gen in het Immi­gratiede­pot (meer bek­end als het Koeliede­pot) in Para­mari­bo, waar tegen­wo­ordig het stand­beeld van Baba en Mai staat. Daar­na wer­den zij toegedeeld aan de plan­tages. De con­trac­tar­bei­ders wer­den opge­haald en tew­erkgesteld op de plan­tages van de eigenaren die immers ‘een bestelling had­den geplaatst en tevoren had­den betaald’ voor de werv­ing en overkomst naar Suri­name. Zoals eerder geschreven waren huisvest­ing en medis­che zorg gratis. Men werd gehuisvest in zoge­heten ‘koelielines’ die in het begin van de immi­gratie vaak beston­den uit opgekale­fa­ter­de slaven­hut­ten. Lat­er wer­den aaneengeschakelde ‘koeliewonin­gen’ gebouwd, meestal met een veran­da. Er waren geza­men­lijke keukens, maar lat­er had­den de wonin­gen een eigen kookraam. Men kreeg ook een kost­grond­je (van 20 x 50 meter; dus 100 vierkante meter) ter beschikking alsmede werk­tu­igen. De eerste drie maan­den kreeg men een voed­sel­rantsoen en de kosten wer­den afgetrokken van het ver­di­ende loon. De meeste con­trac­tar­bei­ders hebben hard gew­erkt ‑ook naar tevre­den­heid van de Suri­naamse over­heid en plan­tage-eigenaren. Zij ver­di­en­den een karig loon gebaseerd op de uit­gevo­erde werk­tak­en en toch spaar­den zij een deel van het ver­di­ende loon. Zij werk­ten ook nog op hun kost­grond­je en dat leverde ook wat cen­ten op door verkoop van land­bouw­pro­ducten, kip­pen en soms ook vee. Maar de arbei­d­som­standighe­den waren vooral op de suik­er­plan­tages zwaar, omdat men vri­jwel onon­der­bro­ken moest werken in de felle zon en in de regen, door­gaans van 7.00 uur tot 15.00 uur. Als men zijn dag­taak niet af had, werd er op zater­dagocht­end ook gew­erkt. Zater­dag­mid­dag was de uit­be­tal­ing van het week­loon.

Het stand­beeld van Janey Tetary werd in 2017 geplaatst waar vroeger het borst­beeld van Agent Gen­er­aal Bar­net Lyon heeft ges­taan, namelijk op de hoek van de Grote Com­bés­traat en Henck Arron straat te Para­mari­bo.

Plan­tage Zorg en Hoop 1884
Er was regel­matig onenigheid over (de uitvo­er­ing) van de werk­tak­en en de betal­ing. Vooral op de suik­er­plan­tages in het dis­trict Com­mewi­jne zijn veer­tig kleine en grote opstanden uit­ge­bro­ken over de arbei­d­som­standighe­den. Enkele grote opstanden zijn bloedig beëindigd. Bek­end is de opstand aangevo­erd door Ram­ja­nee op plan­tage Zorg en Hoop (1884) waar­bij Janey Tetary samen met een groep vrouwen weer­stand heeft gebo­den tegen de mil­i­tairen. Zij is in de rug doo­dgeschoten door een mil­i­tair. Er vie­len zeven doden.

Op 28 juni 1902 staak­te, onder lei­d­ing van Jumpa Ray­ga­roo, een grote groep Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders op de suik­er­plan­tage Alliance. De vol­gende dag zou de onrust opnieuw wor­den aange­wakkerd door inter­ven­tie van mil­i­tairen. Maar door kundig optre­den van de dis­trictscom­mis­saris R. van Breen die het vertrouwen genoot van de con­trac­tar­bei­ders is verdere esca­latie voorkomen. Ook de pop­u­laire Agent-Gen­er­aal Cateau van Rosevelt genoot het vertrouwen van de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders. Hij heeft in 1884 op plan­tage Zorg en Hoop de rust helpen bewaren. Agent-Gen­er­aal Cateau van Rosevelt heeft grote ver­di­en­sten gehad met betrekking tot de bescherming van de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders; hij werd ‘Koeliepa­pa’ genoemd. Zondags togen vele immi­granten naar zijn won­ing in Para­mari­bo voor advies en het indi­enen van klacht­en jegens de opzichters. Bij aankomst in Suri­name wer­den zij op het schip ver­welkomd door Cateau van Roo­sevelt en hij was zo pop­u­lair dat het immi­gratiekan­toor door de con­trac­tar­bei­ders Roos­feil werd genoemd. Nog voor hij met pen­sioen zou gaan over­leed hij, enigszins plot­sel­ing, op 20 okto­ber 1891. De Hin­dostaanse immi­granten woon­den mas­saal zijn begrafe­nis bij en Para­mari­bo zag ‘zwart van de mensen’, blijkens een foto van de begrafenis­cer­e­monie. De schri­jver en con­trac­tar­bei­der Rah­man Khan en ook anderen noem­den de nieuwe Agent-Gen­er­aal zelfs Roosphail.

Er waren dus zoge­heten blanke kolo­niale ambtenaren die niet tot de onder­drukkers kun­nen wor­den gerek­end.

Over­li­j­den­sad­ver­ten­tie in Het nieuws van den dag: kleine courant d.d. 24-10-1891 van Johannes François Adri­aan Cateau van Rosevelt (1824–1891).

Anderz­i­jds waren er bepaalde sardárs (Hin­dostaanse hoofd­man­nen) die Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders hebben onder­drukt en die soms heulden met de blanke bazen. Het beeld is dus niet zwart-wit: niet alle blanken waren onder­drukkers en onder de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders waren er ook onder­drukkers en crim­inele per­so­n­en die moor­den hebben gepleegd. Soms zijn opzichters ‘doo­dgekapt’ of ver­wond door ontevre­den con­trac­tar­bei­ders.

Mar­iën­burg 1902
De bloedig­ste opstand was op plan­tage Mar­iën­burg in juli 1902. Er ontstond onenigheid over de uitvo­er­ing van de werk­tak­en en de bijbe­horende betal­ing. Enkele con­trac­tar­bei­ders hebben na een woor­den­wis­sel­ing met de plan­tagedi­recteur James Mavor – meer bek­end als Mas­sa Mewa – hem achter­vol­gd tot zijn directeur­swon­ing. Mavor is daar­na op de bloedi­ge wijze ver­mo­ord (met houw­ers doo­dgekapt). Mavor zou ook Hin­dostaanse vrouwen hebben mis­bruikt. De opgetrom­melde mil­i­tairen kre­gen te mak­en met veel weer­stand van de ontevre­den Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders. Er zijn toen na her­haaldelijke waarschuwin­gen op 2 juli 1902 vele schoten gelost. Uitein­delijk zijn 24 Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders bezweken. Een groot deel van hen is in een mas­sagraf gedumpt en met onge­bluste kalk over­goten. De been­deren zijn ver­gaan waar­door de locatie van het mas­sagraf nog steeds niet is gevon­den. Dit is een zwarte bladz­i­jde in de Hin­dostaanse geschiede­nis. Na deze trau­ma­tis­che ervarin­gen zijn echter nauwelijks opstanden meer geweest in Suri­name.

Moslims en Hin­does vier­den samen Muhar­ram, namelijk de her­denk­ing van de geweld­dadi­ge dood Hoes­sein, klein­zoon van de pro­feet Mohamed). Tij­dens de optocht­en werd een meter­shoge tajiyá – een sym­bol­is­che praal­graf- ver­vo­erd die ver­vol­gens aan de oev­er van een riv­i­er te ruste werd gelegd (met dank aan Bina Choen­ni-Makhan).

Het zij opge­merkt dat de meerder­heid van de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders, meestal wonend in de andere dis­tricten, niet betrokken is geweest bij opstanden. Zij hebben zich aangepast aan de omstandighe­den (accom­mo­datie) en geprobeerd het beste te mak­en van hun lev­en. Na 1902 is er van bei­de kan­ten meer wed­erz­i­jds begrip ontstaan, maar begon ook de neer­gang van de plan­tage­land­bouw. De meeste uitge­di­ende Hin­dosta­nen wer­den klein­land­bouw­ers, dat is derde fase in de geschiede­nis van de con­tract­ti­jd. Het zij gezegd dat er onder­ling en vooral in de groepsvorm­ings­fase (de tweede fase van 1890–1902) sol­i­dariteit ontstond, maar dat er ook rivaliteit bestond tussen plan­tages. Dat mondde uit in botsin­gen vooral tij­dens de religieuze feestda­gen. Bek­end is de Muhar­ram (Tajiyá) bots­ing in 1891 in het dis­trict Com­mewi­jne. Na de rellen heeft het Ned­er­lands gezag en in het bij­zon­der het ontac­tisch optre­den van de pro­cureur-gen­er­aal bew­erk­stel­ligd dat de rust en vrede moest wor­den her­steld ten koste van vijf doden.

In de pio­niers­fase (de eerste fase 1873–1889) was er sterke onder­linge sol­i­dariteit, maar ook een­za­amheid en vervreemd­ing alsook prob­le­men met aan­pass­ing in het nieuwe land Suri­name. Men was bijvoor­beeld in India gewend aan warme en koude seizoe­nen (zomer, lente, herf­st en win­ter), ter­wi­jl Suri­name een tro­pisch kli­maat heeft. De Hin­dostaanse gemeen­schap was toen­ter­ti­jd ook niet zo groot. Deze pio­niers hebben een belan­grijke rol gespeeld in de opvang van de con­trac­tar­bei­ders die na hen kwa­men in Suri­name.

Zeer zuinig
De meeste Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders hebben zeer zuinig geleefd (pett-kát)). Zij hebben hun geld ges­paard en kon­den na hun con­tract­pe­ri­ode terugk­eren of zich ves­ti­gen in Suri­name. De meerder­heid heeft zich geves­tigd als klein­land­bouw­ers. Vooral nadat in 1895 zij 1,5 tot 2 hectare domein­land kon­den kri­j­gen vrij van huur de eerste 6 jaar en 100 gulden, namelijk de waarde van de retour­pas­sage. De meeste Hin­dosta­nen hebben één con­tract­pe­ri­ode gew­erkt (vijf jaar). De con­trac­tar­bei­ders ontvin­gen een pre­mie van 100 gulden als zij een her­con­tract voor vijf jaar sloten. Een aanzien­lijk deel heeft dat gedaan (bij­na een derde, namelijk (9.725 van de ruim 30.874 vol­wasse­nen) en som­mi­gen hebben zelfs een derde her­con­tract ges­loten. Zij hebben met dit ges­paarde geld als uitge­di­en­den aan­vanke­lijk een karig bestaan opge­bouwd. Een klein deel heeft geld ges­tu­urd naar fam­i­liele­den in India. Ook heeft een deel van de con­trac­tar­bei­ders gecor­re­spon­deerd met achterge­bleven fam­i­liele­den. Vooral door de ver­min­der­ing c.q. stopzetting van het scheepsver­keer tij­dens de Eerste Werel­door­log is het con­tact ver­wa­terd of ver­bro­ken.

Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders op bal­a­ta-plan­tage Slootwijk in het dis­trict Com­mewi­jne. Let op de aaneengeschakelde koeliewonin­gen.

Kalkatiyá’s of Kantráki’s
Er waren aller­lei ver­schillen naar regionale afkomst, maar vrij snel hebben de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders zich een gemeen­schap­pelijke iden­titeit aangeme­ten als Kalkatiyá’s (afgeleid van Cal­cut­ta) en kantráki’s (afgeleid van con­tract) en omstreeks als Hin­dosta­nen. De Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders had­den, om de plan­tages tij­dens de werkda­gen te mogen ver­lat­en een verlof­pas nodig. Bijvoor­beeld wan­neer men klacht­en wilde indi­enen over de manjhá’s (opzichters) bij de dis­trictscom­mis­saris, de Agent-Gen­er­aal of de Britse con­sul in Para­mari­bo. Op zondag en zater­dag en feestda­gen, mocht men dus wel de plan­tage ver­lat­en. En velen ver­li­eten de plan­tages op vri­je dagen en op de vele feestda­gen; men bezocht de jaháji bhái’s of bahins en/of (aangenomen) fam­i­lie. Maar de lange afs­tanden en het slechte ver­vo­er vor­m­den wel een prob­leem. Als wij uit­gaan van vijf werkda­gen per week dan komen wij per jaar op ongeveer 260 (5 dagen x 52 weken). Van deze 260 dagen moeten de religieuze feestda­gen en naar schat­ting 8 offi­ciële dagen wor­den afgetrokken. We komen dus uit op 220 werkda­gen. Uit ver­schil­lende ver­sla­gen en uit de Kolo­niale Ver­sla­gen blijkt echter dat de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders gemid­deld jaar­lijks min­der dan 220 dagen hebben gew­erkt.

Voor de con­trac­tar­bei­ders die zich per­ma­nent had­den geves­tigd in Suri­name was Suri­name ‘thuis’ (home) gewor­den. In tegen­stelling tot wat Bhag­wan­bali in zijn boek De nieuwe awatar van slav­ernij (2010) heeft beweerd, heeft niet de helft maar een veel grotere groep zich in Suri­name geves­tigd. Bhag­wan­bali trekt ten onrechte de ongeveer 16% (5.500) die gedurende de lange con­tract­ti­jd is overleden af van het aan­tal (22.000) dat zich per­ma­nent heeft geves­tigd. Maar bij dit aan­tal behoren ook con­trac­tar­bei­ders die lange tijd in Suri­name had­den gewoond en zich had­den geves­tigd. Bijvoor­beeld ook dege­nen die tegen het eind van de con­tract­pe­ri­ode zijn overleden van­wege oud­er­dom. Velen zijn bezweken door uit­putting of (infectie)ziekten, maar anderen door de ver­drink­ings­dood, zelf­mo­ord of onder­ling geweld met dodelijke afloop.

De onder­zoek­er Bhag­wan­bali heeft ver­di­en­stelijk werk ver­richt, maar hij focust zich te veel op uit­buit­ing en onder­drukking. Daar­door bli­jven andere aspecten van de Hin­dostaanse geschiede­nis bij hem buiten beeld. Hij is af en toe slordig geweest. Twee voor­beelden ter illus­tratie: een eis was een ver­houd­ing van 40 vrouwen op 100 man­nen bij vertrek uit India. Dat is 28,6% vrouwen (140:40) en dus niet 40% vrouwen, zoals Bhag­wan­bali ten onrechte heeft beweerd en hij trekt ver­vol­gens onjuiste con­clusies. Ook heeft bij met betrekking tot de kaste een zeer hoog per­cent­age Brah­ma­nen berek­end, namelijk lief­st 15,4%. Andere auteurs en ik komen op ongeveer 5%. Bhag­wan­bali heeft ten onrechte ook Chattri’s (de tweede kaste) opgeteld bij de Brah­ma­nen. Ver­vol­gens schri­jft hij dat hij zijn hoge per­cent­age niet kan verk­laren (zie: R. Bhag­wan­bali, Con­tracten voor Suri­name, 1996: 103,158).

Cul­turele her­itage
India bleef voor de ex-con­trac­tar­bei­ders echter wel het land van oor­sprong en van hun cul­tu­ur of cul­turele her­itage. Velen had­den nieuwe ban­den ges­meed en andere Hin­dosta­nen tot fam­i­lie ‘gemaakt’ (pal­wár banáwe) in Suri­name, omdat zij als een­lin­gen waren gemi­greerd. Anderen had­den een gezin ges­ticht in Suri­name. In dit ver­band is de opstelling Rah­man Khan exem­plar­isch. Hij had vol­doende ken­nis van India en vol­gde ook de ontwik­kelin­gen in India op de voet. Toch koos hij voor Suri­name en ondanks het ver­zoek van zijn fam­i­lie ging hij niet terug. Ook niet voor een bezoek, ter­wi­jl hij zich dat finan­cieel wel kon per­mit­teren.

Het lev­en op de plan­tages bestond echter niet alleen uit werken. Het kan als zeer opmerke­lijk feit wor­den beschouwd dat aan de hin­does per jaar maar lief­st 32 verlofda­gen – en aan de moslims 16 verlofda­gen – wer­den toeges­taan om hun religieuze feestda­gen te vieren. Daar­naast had men verlof op de nationale feestda­gen, zoals de geboortedag van koningin Wil­helmi­na (kong­faryári in augus­tus vanaf 1880) en de chris­telijke feestda­gen, zoals Hemel­vaarts­dag. Men leefde dan ook als het ware naar deze feestda­gen toe. Vaak bezocht men vrien­den en ‘gemaak­te’ fam­i­lie op andere plan­tages op deze dagen en op de (vri­je) zonda­gen. De feestda­gen fungeer­den ook als uit­laatk­lep voor de inspan­nin­gen van de week. Wij hebben al vast­gesteld dat men niet alleen werk­te voor de huur­ders, maar ook op het eigen kost­grond­je. Er was dus ook behoefte aan ontspan­ning en verti­er. Er werd dan ook veel gefeest. De gas­ten kre­gen gratis maalti­j­den en bleven vaak over­nacht­en, omdat het reizen over water veel tijd kostte. Men moest roeien en reken­ing houden met de geti­j­den. Rah­man Khan ver­meldt dat de pujá’s en maulud’s (moslim bid­bi­jeenkom­sten) door zow­el hin­does en moslims wer­den bijge­woond. Men kwam bij elka­ar op bezoek en at samen. Rah­man Khan las tij­dens de pujá’s als moslimgeleerde voor uit de heilige hin­doe­boeken. Maar ook andere feesten zoals Holi/Phagwa (hin­doe lente­feest) en Divali (hin­doe licht­feest) wer­den geza­men­lijk uit­bundig gevierd. Er wer­den birhá’s (herder­sliederen) en nos­tal­gis­che liederen gezon­gen die de toe­ho­orders vaak met heimwee aan India deden terug­denken. Vaak wer­den ook muziekin­stru­menten bespeeld. Ook muzikan­ten zijn gemi­greerd; soms met meden­e­m­ing van hun muziekin­stru­menten naar Suri­name. Dat werd toeges­taan, omdat zij tij­dens de lange zeereis zorgden voor ontspan­ning en plezi­er. Er waren echter ook enkele gespe­cialiseerde winkels van onder meer Lach­man Singh en Rad­hak­ishun & Co tij­dens de con­tract­ti­jd die ‘Hin­dostaanse spullen en pro­ducten’ verkocht­en. Veel­ge­bruik­te muziekin­stru­menten waren dholak (trom­mel), kha­jar(tam­boer­i­jn), nagárá (tweeledig sla­gin­stru­ment), dhap­lá (mem­brafoon), dandtál (ijz­eren staaf), saran­gi (snaarin­stru­ment) bul­bul tarang (snaarin­stru­ment, ban­jo) en in enkele gevallen har­mo­ni­um. Ook vrouwen zon­gen in het open­baar. Het zin­gen van sohars (bij de geboorte van een kind en bij het huwelijk) was pop­u­lair. Ook het vertellen van bujhauni’s (raad­sels) en het oplossen ervan was pop­u­lair. Tevens wer­den toneel­stukken (nautanki ver­bas­terd tot tak) opgevo­erd. Daar­naast waren er spel­let­jes zoals kabaddi (tikkert­je), guli dandá (een soort crick­et) en makkhan cor (men klimt op elka­ars schoud­er om de bot­er die wordt opge­hangen aan een hoge stok te pakken.

Door het vrouwen­teko­rt was er veel sek­suele stress. Een deel van de man­nen heeft geen vrouw ‘gehad’ en wer­den bek­end als muglisiyá (vri­jgezellen). Zij had­den geen kinderen en speelden vaak de rol van oom voor kinderen. Er werd streng op toe gezien dat jonge vrouwen niet wer­den lastig gevallen. Velen waren al voor hun puberteit ‘getrouwd’; zij wer­den ganwnáen wan­neer zij ges­lachtri­jp waren trokken zij bij hun schoonfam­i­lie in. Man­nen die de geldende ijjat regels over­traden wer­den ver­stoten (kuját) uit de gemeen­schap en pas lat­er na berouw weer toege­lat­en.

Plan­tage Gey­ersvli­jt. Er werd zoge­heten koeliewonin­gen gebouwd op de plan­tages. In de ze wonin­gen wer­den de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders gehuisvest.

Beter bestaan
Vanaf 1895 heeft bij­na elke Hin­dostaan een stuk land gekre­gen waar­voor na 6 jaar jaar­lijks een beschei­den grond­hu­ur moest wor­den betaald. Met de 100 gulden pre­mie en met ges­paard geld hebben velen ook land in eigen­dom gekocht of gratis verkre­gen wan­neer zij bereid waren het zelf te ont­gin­nen. Er werd ook geld ges­paard bij Chi­nese winke­liers en bij notaris­sen. Som­mige notaris­sen hebben de Hin­dostaanse spaarders opgelicht. Het bek­end­ste voor­beeld is notaris Theodoor de Miran­da. Er wordt beweerd dat hij, maar ook zijn assis­tent – een Hin­dostaanse moslimk­lerk – spaargeld zou hebben ver­duis­terd. Na het over­li­j­den van De Miran­da liet zijn zoon in 1949 weten dat ‘vad­er Miran­da’ fail­li­et was. Ook de com­mies van het Immi­gratiede­parte­ment H. F. Wesen­hagen, die optrad als ver­vanger van de Agent-Gen­er­aal in finan­ciële zak­en bleek spaargeld van Hin­dosta­nen te hebben ver­duis­terd. Na zijn plot­selinge over­li­j­den op 12 sep­tem­ber 1922 bleek dat hij gelden van het Immi­gratie­fonds en van Hin­dosta­nen ‘had ver­duis­terd tot aanzien­lijke bedra­gen, voor zover is kun­nen wor­den nage­gaan tot een totaal bedrag van f 137. 179’ (Kolo­ni­aal Ver­slag 1923). Er zou ook gefraudeerd zijn op het Immi­gratiede­part­ment. Zo heeft de Hin­dostaanse chris­ten (EBG’er) Sri­maans­ingh in 1910 een actie geleid tegen afpers­ing en mis­han­del­ing van arme Hin­dosta­nen en ern­stige cor­rup­tie op het Immi­gratiede­parte­ment

Het is belan­grijk te ver­melden dat Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders hun sit­u­atie in Suri­name vergeleken met die in India. Al wer­den zij in Suri­name uit­ge­buit, zij had­den het door­gaans beter dan in India. Suri­name was en is een vrucht­baar en dun­bevolkt land met mogelijkhe­den vooral in de land­bouw. Het feit dat de meerder­heid van de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders zich in Suri­name heeft geves­tigd en afzag van de kosteloze teru­greis, toont aan dat het lev­en in Suri­name voor hen stukken beter was dan in India. Een deel van de terug­keerders heeft boven­di­en spi­jt gehad en vaak tev­ergeefs geprobeerd opnieuw een con­tract te kri­j­gen voor Suri­name. Enerz­i­jds hebben de Hin­dostaanse immi­granten de plan­tage-economie voor zover die nog bestaan­srecht had door hun ijver en uithoud­ingsver­mo­gen op de been gehouden. De con­cur­ren­tie van riet­suik­er door biet­suik­er en andere omstandighe­den hebben de plan­tages echter de das omgedaan. Anderz­i­jds hebben de Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders en hun nakomelin­gen het land Suri­name in cul­tu­ur gebracht en ver­schil­lende pro­ducten geïn­tro­duceerd alsook de groente- en vee­teelt verder ontwikkeld. Voorts hebben zij gezorgd voor een grote aan­was van de bevolk­ing en voor de tot­stand­kom­ing van voorzienin­gen, waaron­der de geneeskundi­ge school waar­door de gezond­hei­d­szorg is ver­be­terd. Hin­dostaanse con­trac­tar­beid bood dus een kans op een beter bestaan dan in India. En de meerder­heid heeft deze kans gegrepen. De immi­gratie van Hin­dosta­nen naar Suri­name kan dan ook wor­den beschouwd als een suc­cesver­haal.

Asser­tieve vrouwen
Het is van belang om oog te hebben voor de his­torische veran­derin­gen. Bepaalde groepen zoals de lage kas­ten en de meeste vrouwen zouden in India niet de posi­tie hebben kun­nen ver­w­er­ven die zij in Suri­name hebben bereikt. Niet alleen in economisch opzicht maar ook soci­aal. Veel con­trac­tar­bei­d­sters beho­or­den tot de groep ‘asser­tieve’ vrouwen. Het waren weduwen en naar vri­jheid strevende vrouwen die India zijn ontvlucht alsook vrouwen die waren ver­stoten of over­spel had­den gepleegd, soms ook danser­essen en pros­tituees. Door het teko­rt aan Hin­dostaanse vrouwen was hun posi­tie sterk­er in Suri­name en genoten zij een relatieve vri­jheid. Hin­doewe­duwen zijn opnieuw getrouwd; dat was in India ondenkbaar. Door­dat zij hun eigen inkomen ver­di­en­den was hun posi­tie sterk­er in Suri­name en zij genoten een relatieve vri­jheid. Zij waren zelf vaak onafhanke­lijk en vrij van aller­lei cul­turele beperkin­gen. Zij rook­ten en dansten vaak. Velen dronken alco­hol en gin­gen met andere man­nen om en som­mi­gen had­den meerdere part­ners. Door het vrouwen­telko­rt had­den zij een vrij sterke posi­tie ten opzichte van de Hin­dostaanse man­nen. Opmerke­lijk is echter dat zij ten opzichte van hun dochters en klein­dochters meestal een zeer strenge houd­ing ten toon hebben gespreid en de ijjat (eerbaarheid) voorop stelden. Pas in de jaren zes­tig en daar­na raak­ten Hin­dostaanse vrouwen weer geë­mancipeerd. Deze asser­tieve en sterke vrouwen hebben in Suri­name respect ver­wor­ven en bijge­dra­gen tot cul­turele homogenis­er­ing bin­nen de Hin­dostaanse gemeen­schap.

De mooie tem­pel (mandir) van de Arya Pratanid­hi Sab­ha aan de voor­ma­lige Graven­straat 9 Nu Henck Arronstraat) bestaat niet meer.

Mata Gau­ri en Mata Mahadei
In dit ver­band is Mata (Moed­er) Gau­ri illus­tratief. Zij was een zeer bij­zon­dere con­trac­tar­bei­d­ster. Gau­ri Sew­bal­ak 723 R arriveerde op 23 april 1889 met het zeilschip Ganges I in Suri­name. Zij was geboren in 1862 in West-Bihar en kwam met haar man Brah­ma Tewari naar Suri­name. Zij werd tew­erkgesteld op plan­tage Mon Souci waar ze haar eerste dochter kreeg, maar door slechte gezond­hei­d­szorg in het plan­tage­hos­pi­taal over­leed het kind. Na afloop van hun con­tract in 1894 ves­tigde zij zich op Alk­maar. In 1919 ves­tigde zij zich in Para­mari­bo waar zij aan de Kwat­taweg een groot erf­perceel voor f 4.500 van de boeren­fam­i­lie Tam­men­ga kocht. Zij was zeer onderne­mend en werd Mata Gau­ri genoemd. Haar echtgenoot over­leed in 1928, maar Mata Gau­ri beheerde haar perceel op voortr­e­f­fe­lijk wijze. Het was een bloeiend land­bouwbedri­jf met vrucht­bomen, cacao en koeien. Nog op 100-jarige leefti­jd werd Mata Gau­ri werk­end aangetrof­fen op haar perceel. Mata Gau­ri stierf op 104-jarige leefti­jd en schonk een deel van haar perceel voor sociale en cul­turele activiteit­en ten beho­eve van de Hin­dostaanse gemeen­schap. Op dit perceel werd het Mata Gau­ri Cen­trum geves­tigd.

De dochter van de poli­tieagent Jatan, die al in India poli­tieagent was geweest en in 1910 betrokken zou zijn geweest bij een com­plot (het zoge­heten Killinger­com­plot) om de Suri­naamse regering omver te wer­pen is ook een lich­t­end voor­beeld. Zij heette Mahadei en werd een rijke zak­en­vrouw en stond bek­end als ‘Gow­tu mai’. De bek­ende en pro­gressieve Brah­maan Ram­per­sad Sukul trouwde met haar en bekeerde zich tot de Arya Samaj. Mata Mahadei beho­orde niet tot de zoge­heten hoge kaste. Zij waren kinder­loos en hebben een jon­gen gead­opteerd. Hij werd ook zak­en­man (Budram Ram­per­sad). Met het ver­mo­gen van Mata (moed­er) Mahadei werd aan de toen­ma­lige Graven­straat een tem­pel (van de Arya Prathanid­hi Sab­ha) en een inter­naat gebouwd. In dit inter­naat zijn vooral dis­trict­sjon­gens opgevan­gen die in Para­mari­bo onder­wi­js kon­den, zoals de politi­cus en min­is­ter Pan­nalal Parmes­sar en de bek­ende accoun­tant Ram Hiralal.

Inte­gratie Hin­dostani Sti­jl
Ook de lagere kas­ten hebben mobiliteit bereikt en wer­den menswaardi­ger beje­gend dan in India. Er ontstond meer gelijkheid en er waren zelfs hin­doe-moslim en interkaste huwelijken. Met de kracht van hun cul­tu­ur gebaseerd op de Indi­ase cul­turele her­itage hebben de meesten ondanks de zware omstandighe­den kun­nen over­leven. Hun ethos tot uit­drukking komend in hun ijver, vooruit­gangstreven en spaarza­amheid en de sterke etnis­che iden­titeit die gaan­deweg ontstond zijn groepsken­merken geweest die bij­droe­gen aan dit suc­ces. Anderz­i­jds hebben de omgev­ings­fac­toren, namelijk de kansen die er waren in Suri­name, waaron­der het vrucht­bare land en het over­hei­ds­beleid dat toeli­et dat men de eigen cul­tu­ur kon behouden en dat er land beschik­baar werd gesteld alsook een beschei­den bedrag, bijge­dra­gen tot dit suc­ces. De dis­crim­i­natie die men onder­vond ’als koelies’ droeg bij tot onder­linge sol­i­dariteit en ver­sterk­ing van de etnis­che iden­titeit. Er was dus sprake van een wis­sel­w­erk­ing tussen groeps­fac­toren en omgev­ings­fac­toren. De Hin­dosta­nen wer­den gaan­deweg onderdeel van Suri­naamse samen­lev­ing. Langza­mer­hand wer­den zij vooral suc­cesvol op soci­aale­conomisch ter­rein. Zij behield­en hun eigen cul­tu­ur en bleven relatief geï­soleerd van de brede samen­lev­ing op cul­tureel ter­rein. Op poli­tiek gebied waren zij echter zwak. Pas na 1909 ontston­den enkele nationale organ­isaties, zoals de SIV (Suri­naam­sche Immi­granten Verenig­ing, lat­er Bharat Oeday) en Kheti­yar aur Hak (Land­bouw­ers en Recht) die nauwelijks invloed verkre­gen en ook met elka­ar in de clinch lagen. De con­touren van een bepaalde inte­grati­esti­jl, die ik getype­erd hebben als Inte­gratie Hin­dostani Sti­jl wer­den toen al zicht­baar.

De Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders bleken dus niet louter willoze slachtof­fers te zijn van een uit­buit­ingssys­teem. De meesten had­den agency en hebben zelf hun toekomst vor­mgegeven. Natu­urlijk heeft een deel het niet gered. Deze kleine groep als uit­gangspunt nemen voor de Hin­dostaanse geschied­schri­jv­ing is echter onjuist. In dit ver­band is het van belang om te wijzen op de onjuiste stelling van de bek­ende ide­oloog Sandew Hira (Hira, in: Bhag­wan­bali 2010: 8–10) dat er geen causaal ver­band zou bestaan tussen het (lat­ere) suc­ces en de emi­gratie i.c. de con­trac­tar­beid. Het is immers onmisken­baar dat velen de honger en armoede in India zijn ontvlucht en dat zij de gebo­den kansen in Suri­name hebben gepakt. Ondanks onder­drukking en ‘mis­daden van het kolo­nial­isme’ hebben de meesten het gered. Dat heeft te mak­en met de wis­sel­w­erk­ing tussen de groeps­fac­toren en omgev­ings­fac­toren. Er is dus een duidelijk causaal ver­band tussen hun verleden in India en de his­torische con­tin­uïteit.

Mon­u­ment ter herin­ner­ing aan de opstand van Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders van 30 juli 1902 met de namen van de geval­lenen op plan­tage Mar­iën­burg (dis­trict Com­mewi­jne).

Bij­zon­dere omstandighe­den
De Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders in Suri­name had­den vergeleken met de Indi­ase con­trac­tar­bei­ders in andere koloniën het beter getrof­fen. Dat is te danken aan enkele bij­zon­dere omstandighe­den. Allereerst genoten de Hin­dosta­nen in Suri­name een dubbele (rechts)bescherming. Naast de Agent-Gen­er­aal was er de Britse con­sul. Op de laat­ste con­sul na hebben vooral de con­suls Cohen, Annes­ley en Wyn­d­ham zich goed van hun taak gek­weten. Ten tweede hebben vri­jwel alle Hin­dosta­nen die niet zijn terugge­keerd naar India een relatief groot stuk land gekre­gen tegen zeer gun­stige voor­waar­den en een pre­mie van 100 gulden. In de andere koloniën was dit niet of in min­dere mate het geval. Ten derde was en is Suri­name een zeer vrucht­baar en dun­bevolkt land en er waren dus goede mogelijkhe­den voor de land­bouw. Ten vierde was het beleid van de Ned­er­landse over­heid op cul­tureel gebied veel lib­eraler dan in andere koloniën. Som­mige kolo­niale ambtenaren had­den respect voor de Indi­ase cul­tu­ur en beschav­ing. De Hin­dosta­nen hebben in grote mate hun eigen cul­tu­ur weten te behouden. Ten vijfde kon men vanu­it Suri­name al na vijf jaar con­trac­tar­beid gratis terug naar India. In de andere koloniën kon dat meestal pas na tien jaar en moest men vaak ook een deel van de terug­keerkosten betal­en. Hin­dosta­nen kon­den dus gemakke­lijk­er besluiten om een tijd­je in Suri­name te bli­jven om hun geluk te beproeven en ver­vol­gens besluiten om terug te gaan of zich per­ma­nent te ves­ti­gen.

Het feit dat 3.000 uitge­di­ende con­trac­tar­bei­ders uit het Caribisch gebied in de con­tract­ti­jd 1873–1920 naar Suri­name zijn geëmi­greerd, indiceert dat de kansen daar veel beter waren. Vanu­it Suri­name zijn maar weinig Hin­dosta­nen in deze peri­ode gemi­greerd naar andere delen van het Caribisch gebied.

Ten slotte zij ver­meld dat wat betre­ft demografis­che groei de Hin­dostaanse bevolk­ings­groep hon­derd jaar na de aankomst van de laat­ste Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders (in 1916) vergeleken met de andere koloniën de hoog­ste groei laat zien. Dat bewi­jst dat de basis hier­voor al in de con­tract­ti­jd was gelegd. Ruim hon­derd jaar na de aankomst van de laat­ste licht­ing Hin­dostaanse con­trac­tar­bei­ders in mei 1916 vor­men zij eenge­meen­schap van meer dan 300.000 mensen. Ongeveer 175.000 Hin­dosta­nen wonen in Ned­er­land en bij­na 150.000 in Suri­name. Zow­el in Suri­name als Ned­er­land zijn hun nakomelin­gen een suc­cesvolle etnis­che groep. Hun vooroud­ers leg­den de fun­da­menten daar­van al in de con­tract­ti­jd. Maar in bei­de lan­den is sprake van een bij­zon­dere inte­grati­esti­jl, namelijk Inte­gratie Hin­dostani Sti­jl. Zij zijn suc­cesvol op soci­aale­conomisch ter­rein en relatief suc­cesvol in cul­tureel opzicht. Op poli­tiek ter­rein zijn zij echter als etnis­che groep min­der suc­cesvol gebleken. Tot slot een toepas­selijk citaat van dom­i­nee P. Leg­ene, die onder meer samen met zijn vrouw het kinderte­huis voor Hin­dostaanse kinderen te Alk­maar (in dis­trict Com­mewi­jne) hon­derd jaar gele­den (in 1917) in Suri­name heeft opgericht. Een groot aan­tal Hin­dostaanse kinderen is en wordt in dit tehuis opgevan­gen en ver­zorgd. Leg­ene stelde in 1950 het vol­gende:

‘Wat deze immi­granten als vri­je burg­ers voor Suri­name hebben gedaan, kan nooit genoeg gewaardeerd wor­den, en het valt te betreuren, dat de emi­gratie uit Brits-Indië ver­bo­den werd. Want al was de behan­del­ing op de plan­tages niet naar wens, lat­er kre­gen deze nij­vere mensen kans te over om vooruit te komen en zich een posi­tie te ver­w­er­ven, die ze in hun vader­land nooit zouden hebben bereikt’ (zie P. Legêne Suri­name, land mijn­er dromen, Den Haag: J.N. Voorho­eve. 1950: 72).

TOP