Clemens Ramkisoen Biswamitre: een cross-over persoonlijkheid en eerste Hindostaanse advocaat

Prof. Chan E.S. Choenni

Prof. Chan E.S. Choenni
(emiritus hoogleraar)

Er zijn weinig politici die in het politieke krachtenveld van Suriname van vóór de onafhankelijkheid in 1975 in staat waren een cross-overpositie in te nemen, door over de grenzen van de etnisch geprofileerde politieke cultuur heen politiek te bedrijven en het nationale belang boven de belangen van de eigen (etnische) groep te stellen. Clemens Ramkisoen Biswamitre (1897-1980) verwierf deze reputatie. Vriend en vijand zagen hem als een politicus die consequent de integratie van de verschillende bevolkingsgroepen hoog in het vaandel voerde. Biswamitre had niet alleen een ‘cross-overpersoonlijkheid’, maar was tevens zeer gezaghebbend, integer en intellectueel. Ondanks deze kwaliteiten en reputatie is hij niet uitgegroeid tot een onder het gewone volk populaire politicus of leider van een politieke partij of stroming. Hij bekleedde evenmin een belangrijke politiek-bestuurlijke functie. Wel was hij in 1969 voor een korte periode voorzitter van de Staten van Suriname.
In dit artikel staan de volgende vragen centraal: hoe ontwikkelde Biswamitre zich tot een politicus met een cross-overpersoonlijkheid en waarom verwierf hij desalniettemin niet de positie van leider van een partij of politieke stroming? De opbouw van deze bijdrage is als volgt. Allereerst bespreek ik Biswamitres jeugd en opleiding, die bepalend zijn geweest voor zijn persoonlijkheid. Daarna komen een karakterschets en zijn politieke loopbaan aan de orde. Vervolgens worden zijn opvattingen beschouwd. Ook Biswamitres verdiensten voor de Surinaamse samenleving worden gememoreerd. Ten slotte wordt gepoogd een verklaring te geven voor het feit dat hij geen leider van een politieke partij of stroming is geworden.

Jeugd
Clemens Ramkisoen Biswamitre werd geboren op 25 december 1897 in het district Nickerie. Zijn ouders waren contractarbeiders uit Brits-Indië met een hindoeachtergrond. Hij was het vierde kind. Om goed onderwijs te kunnen volgen, werd Biswamitre op tienjarige leeftijd rooms-katholiek. Bij de missie in Nickerie was hij opgevallen door zijn intelligentie en ijver. De priesters stuurden hem voor verdere scholing naar Paramaribo. Zijn overgang van het hindoeïsme naar het christendom is binnen de familie niet zonder discussie verlopen. Maar met name zijn moeder vond dat haar zoon gezien zijn ontluikende intelligentie liever christen kon worden om een betere toekomst te verwerven. Aan het begin van de twintigste eeuw was het belijden van het christendom in Suriname welhaast de enige kans op goed onderwijs. Ramkisoen Biswamitre kreeg de christelijke naam Clemens. Toen aan het begin van die eeuw familienamen in Suriname officieel werden ingevoerd voor contractarbeiders en hun nakomelingen koos hij Biswamitre als zijn officiële familienaam.
Zijn toetreding tot het christendom impliceerde voor Biswamitre overigens geen breuk met zijn hindoeïstische achtergrond. In zijn ouderlijk huis werden hindoediensten gehouden en zong men mantra’s en liederen. Biswamitre kon de teksten gemakkelijk onthouden. Zo raakte hij goed ingevoerd in het hindoeïsme. Zijn hindoeleermeester, pandit Ramharak, bracht hem interesse bij voor de hindoelevenswijze, die idealiter is gestoeld op soberheid en dienstbaarheid. Pandit Ramharak was onder meer begeleider van de contractarbeiders op de naar India terugkerende schepen (Mitrasing 1978: 4). Hij heeft de leergierige jongeman Biswamitre ook kennis over het Hindi bijgebracht. Hij had graag gewild dat Biswamitre pandit zou zijn geworden.

Cross-overpersoonlijkheid
De dubbele religieuze oriëntatie van Biswamitre en zijn volwassenwording in Paramaribo in het begin van de twintigste eeuw zijn van grote invloed geweest op zijn ontwikkeling tot een persoon met een cross-overpersoonlijkheid in de multi-etnische Surinaamse samenleving. Ook zijn huwelijk is in dit verband van groot belang. In 1925 trouwde Biswamitre met de uit een voorname, lichtgekleurde Creoolse familie afkomstige Josephine Caprino. Het huwelijk van een zoon uit een Hindostaans contractarbeidersgezin met iemand die behoorde tot de gegoede Creoolse kring was in die tijd uitzonderlijk.
Biswamitre groeide op in een periode waarin veel Hindostanen nog contractarbeiders waren. Vanwege hun werk op de plantages werden zij door de rest van de samenleving vaak als minderwaardig beschouwd en niet gerekend tot de eigenlijke bevolking van Suriname. Biswamitre richtte zich van meet af aan niet alleen op de verheffing van de Hindostanen, hun acceptatie als Surinaams staatsburger en hun integratie in de brede Surinaamse samenleving, maar ook op de integratie van de verschillende bevolkingsgroepen. Hij pleitte voor harmonie tussen en gelijkwaardigheid van de verschillende groepen en wilde de burgers van Suriname smeden tot één volk. In die zin was hij voorstander van de assimilatie van Hindostanen in de Surinaamse samenleving. Assimilatie hield toentertijd in dat van bestuurswege al het mogelijke werd gedaan om het gehele Surinaamse volk samen te smelten tot één ongedeelde taal- en cultuurgemeenschap, met één rechtsbedeling, tot in zaken van het huwelijks- en erfrecht toe.

Opleiding
Hoewel aanvankelijk opgeleid tot kleermaker, sprak het beroep van onderwijzer meer tot de verbeelding. In 1916 behaalde Biswamitre als eerste Hindostaan de vierde rang van de onderwijzersakte (hulponderwijzer) en in 1922 de hoofdakte (eerste rang onderwijzersakte). Tot 1927 was hij, net als alle Hindostaanse contractarbeiders en hun nakomelingen, geen Nederlands onderdaan. Pas in 1927 werd hij tot Nederlander genaturaliseerd (Marshall 2003: 56).
In 1929 vertrok Biswamitre voor studie naar Nederland, waar hij in 1930 het diploma MO-Staatsinrichting behaalde. Hij studeerde ook op eigen houtje om praktizijn te worden. Hoewel de examinator A.C.J.M. Alberga hem in eerste instantie had afgeraden aan deze studie te beginnen – er zouden al genoeg praktizijns in Suriname zijn – gaf hij niet op. In 1933 slaagde hij glansrijk voor zijn praktizijnsexamen. Biswamitre werd niet alleen de eerste Hindostaanse intellectueel, maar ook de eerste Hindostaanse politicus die al in de jaren dertig van de twintigste eeuw een cross-overpositie zou innemen in de Surinaamse politieke arena.

Palace Hotel in Paramaribo

Karakterschets en reputatie
Biswamitre was in tegenstelling tot veel Surinaamse voormannen geen flamboyante verschijning. Hij was een ernstig persoon, erudiet, ijverig, afstandelijk, bescheiden en ietwat gesloten. Door zijn wetenschappelijke en filosofische instelling was hij nogal introvert en hij had weinig vrienden. Hij was een statig man die meer schreed dan liep. In de jaren dertig was Biswamitre een voorbeeldfiguur voor jongemannen. Hij had zijn kantoor als praktizijn naast het toenmalige Palacehotel, vlakbij het Hof van Justitie in het centrum van Paramaribo. Hoewel hij te boek stond als ijverig en productief, zat hij regelmatig, vooral tijdens de hete uren van de dag, gedompeld in halfslaap achter zijn bureau. Hij verdedigde dat met de stelling dat een mens ook goed moet rusten na gedane arbeid.
Biswamitre was populairder bij de hoger opgeleiden dan bij het gewone volk. Hij werd alom gerespecteerd om zijn onafhankelijke opstelling en oprechtheid. Volgens de voormalige voorzitter van de Staten van Suriname, Emile Wijntuin, bezat Biswamitre een bijzondere uitstraling. Als hij ergens kwam, had het aanwezige publiek het gevoel ‘het gezag komt binnen’. Biswamitre combineerde een gematigde opstelling met een groot gevoel voor recht en rechtvaardigheid. In zaken van schending van individuele rechten of, breder gesteld, mensenrechten, nam hij een zeer principieel standpunt in. In verschillende artikelen, publicaties en interviews komen deze kenmerken terug. Zo had Biswamitre al op jonge leeftijd in het dagblad De West onder pseudoniem een schrijven gericht tegen het barbaarse optreden van districtscommissaris J. Boonacker van het district Saramacca, die zijn ondergeschikten zelfs fysiek zou aftuigen. Ook tegen de toenmalige geduchte examinatoren in het vak rekenen, zoals J.H.J. Polanen en A.M.F. Oostburg, bij wie meer leerlingen zakten dan slaagden voor hun examens, kwam hij in het geweer. In het blad De Vrije Stem van 7 juli 1962 werd Biswamitre gekarakteriseerd als ‘eerlijk, rustig en altijd rationeel pogend langs de weg van een beargumenteerde redenering te komen tot de verdediging van zijn standpunten en de oplossing van problemen’.
Op grond van zijn handel en wandel meent de voormalige Surinaamse premier Jules Sedney dat Biswamitre weliswaar van landaard Hindostaan was, maar in sociocultureel opzicht Creool (Sedney 1997: 17). Hoewel hij destijds in Suriname als Hindostaan niet op belangrijke posities terechtkwam, zoals op basis van zijn achtergrond wel verwacht had mogen worden, blijft het opvallend dat hij in zijn stukken nooit heeft gerept over achterstelling. Waarschijnlijk hangt dit samen met zijn gematigde houding. De Hindostaanse vereniging Bharat Oeday klaagde immers in 1939 dat ‘voor Hindostanen onze rasgenoten als Biswamitre, Sukul, Hajari, Sovan en Hirasing betere posities kunnen zijn weggelegd in verband met hun intellect’ (geciteerd in Gobardhan-Rambocus 2001: 353).

Politieke loopbaan
In 1930 werd Biswamitre gekandideerd en gekozen tot lid van de Koloniale Staten van Suriname. Dat hij als Hindostaan werd gekozen op basis van het censuskiesrecht door een overwegend Creools kiezerskorps illustreert dat hij bekwaam werd geacht en gezien werd als een politicus die boven de etnische belangen stond, dus een cross-overpositie innam (Mitrasing 1998: 23). Hij ontpopte zich als een kundig Statenlid. Zijn collega J. Kraan noemde hem de ‘ster’ in de Koloniale Staten. Biswamitre had zitting in vele ambtelijke commissies en raden. In 1936 werd hij herkozen. Zijn tweede termijn in de Koloniale Staten diende hij tot 1942. Omdat hij zich nogal nauwkeurig uitdrukte in woord en geschrift vonden sommigen hem langdradig. Districtscommissaris Hagens had zelfs de term ‘steriel gebiswamitre’ verzonnen voor lange vertogen tijdens zittingen van de Koloniale Staten. Niettemin werd Biswamitre vaak geciteerd, zowel in de Staten als in kranten en artikelen. Na zijn aftreden als Statenlid werd hij lid van de Raad van Advies, een adviescollege van de Surinaamse overheid. Tussen 1937 en 1947 was hij chef de bureau op het ministerie van Landbouw en Economische Zaken. In 1947 werd hij directeur van het door hemzelf opgerichte Bureau voor de Statistiek.
Net als vele vooraanstaande Surinamers kon zelfs de aimabele Biswamitre niet goed overweg met de autoritaire gouverneur J.C. Kielstra (1933-1944), die vanwege zijn bijzondere betrokkenheid bij de Aziatische bevolkingsgroepen in conflict kwam met de neokoloniale Creoolse stedelijke elite in de Koloniale Staten. Kielstra’s opvolger, gouverneur J.C. Brons, had echter veel waardering voor de kwaliteiten van Biswamitre. Brons bood hem in 1948 de mogelijkheid zich verder te bekwamen in het staatsrecht, waarop Biswamitre naar Nederland vertrok. Van 1948 tot 1951 werkte hij daar voor de Radio Nederland Wereldomroep. Hij verzorgde programma’s voor en over India.
Na zijn terugkeer in Suriname, in 1951, werd Biswamitre advocaat en actief in de Surinaamse politiek. Als katholiek sloot hij zich aan bij de in 1946 opgerichte katholieke politieke partij de PSV. In 1955 vormde de PSV samen met onder meer de sociaaldemocratische partij SDP onder leiding van dagbladuitgever David Findlay het zogeheten Eenheidsfront. Deze politieke combinatie was de tegenpool van de Creoolse volkspartij de NPS, die gaandeweg onder leiding kwam van de populaire politicus Jopie Pengel. Het Eenheidsfront, dat grotendeels de Surinaamse middenklasse vertegenwoordigde, won in 1955 in Paramaribo nipt de verkiezingen van de NPS volgens het principe the winner takes it all. Het Eenheidsfront vormde een kabinet en Biswamitre werd tijdens deze regeerperiode van 1955 tot 1958 fractievoorzitter. In die tijd leidde hij ook een parlementaire delegatie naar Nederland (Sedney 1977: 26). Met de nodige tact gaf hij leiding aan de partij, die te lijden had aan onderlinge ruzies en daaruit voortkomende splitsingen. Bovendien was de oppositie van de zijde van de Creoolse NPS en de Hindostaanse VHP nogal fel (Dew 1978: 114-115).
In 1958 verloor het Eenheidsfront de verkiezingen van de NPS en de VHP, die een verbond aangingen. Biswamitre kwam niet terug in de Staten. Typerend voor zijn rationele en bestuurlijke opstelling was dat hij het niet zozeer jammer vond dat zijn partij de verkiezingen had verloren, maar dat het inhoudelijke programma en de door het Eenheidsfront opgestelde richtlijnen voor de ontwikkeling van Suriname niet werden gecontinueerd door de nieuwe regering (Dew 1978: 121-122).
Vanaf 1958 tot 1967 domineerden de NPS en de VHP de Surinaamse politiek. Cliëntelisme en politieke patronage bepaalden sindsdien de politieke cultuur. Biswamitre keurde de benoeming van vaak incompetente lieden in het uitdijende overheidsapparaat sterk af. Hij verdween van het politieke toneel omdat zijn partij weinig zetels behaalde tijdens de verkiezingen van 1958 en 1963. In deze periode bleef hij wel invloedrijk als politiek commentator van het dagblad De West.
Als democraat ontpopte hij zich vooral als tegenstander van de autoritaire regeerstijl van NPS-leider Pengel, die in 1963 minister-president werd en tevens minister van Financiën en van Algemene Zaken. Biswamitre verzette zich tegen holle retoriek en pleitte voor een inhoudelijke politiek. Zo merkte hij in 1965, bij de oprichting van de overheidsradiozender SRS, fijntjes op:

Premier Pengel vond dat de stem van Suriname buiten de grenzen van Suriname moest worden gehoord, maar de bedoeling is dat de stem van Suriname niet alleen tot over de watervallen wordt gehoord, maar ook in het Caribisch gebied en Zuid Amerika, zelfs in West Europa, inzonderheid in Nederland. Wat die stem aan de wereld te vertellen heeft, werd niet vermeld (geciteerd in Breeveld 2000: 246).

August Biswamitre (r), hij was minister van Arbeid en Sociale Zaken (zakenkabinet 1969)

In 1967 maakte Biswamitre een overstap naar de SDP. Wellicht hing dit samen met zijn relatie met Findlay, de politieke leider van die partij en tevens uitgever van De West. In 1967 werd Biswamitre voor de SDP gekozen tot Statenlid. In 1968 was hij lid van de delegatie van de Eerste Internationale Conferentie voor de Rechten van de Mens in Teheran. Hij heeft in die hoedanigheid onder meer ook India bezocht.
Biswamitres lidmaatschap van de SDP was echter van korte duur. In de politiek turbulente periode van 1969, toen massale stakingen van het lerarenkorps regen de toenmalige regering van Pengel uitbraken, liep Biswamitre als Statenlid van de regerende SDP over naar de oppositie. Hij veroorzaakte hierdoor mede de val van de regering. Behalve onvrede over het dictatoriale optreden van Pengel zou volgens Sedney (1997: 74-75) zijn overstap naar de oppositie zijn geschied op aandrang van zijn zoon (August), destijds voorzitter van een vakbond voor hogere ambtenaren en grote tegenspeler van Pengel.
Na de val van het kabinet-Pengel trad een zakenkabinet aan. In deze regeerperiode fungeerde Biswamitre van 1 augustus tot 11 november 1969 als voorzitter van de Staten van Suriname.

Opvattingen
Over de opvattingen en het functioneren van Biswamitre in de politieke arena van Suriname bestaat geen duidelijk beeld. Dit heeft ook te maken met zijn genuanceerde en gematigde opstelling en zijn publicaties, die de consensus in de samenleving verwoordden (Marshall 2003: 55-57). Biswamitre was een democraat, voorstander van evenredige vertegenwoordiging bij verkiezingen en vooral sterk gekant tegen oligarchieën. Met name in de jaren dertig en veertig heeft Biswamitre een invloedrijke rol gespeeld, niet alleen als lid van de Koloniale Staten, maar ook als pleitbezorger van de werklozen. Zo was hij in oktober 1931 tijdens een grote massameeting tegen werkloosheid samen met de linkse volkshelden Louis Doedel en Anton de Kom een van de voormannen van de protestbeweging tegen het Koloniaal Bestuur. Het protest mondde uit in ongeregeldheden, waarbij één dode en twee gewonden vielen. De toenmalige gouverneur A.A.L. Rutgers meende dat er sprake was van communistische infiltratie in Suriname (Ramsoedh 1990: 32). Opmerkelijk is dat de toenmalige procureur-generaal Biswamitre bestempelde als ‘een demagoog van hetzelfde kaliber als Theo de Sanders, Wolff, Doedel’ (Scholtens 1986: 154). Biswamitre toonde echter begrip voor de in nood verkerende bevolking en haar streven om door middel van organisatie en protest iets te doen aan de grote werkloosheid en armoede die heerste in Suriname. Hij wilde ook bewerkstelligen dat Hindostanen en Javanen zich voelden en werden beschouwd als echte Surinamers.
Ook in kwesties over Hindostanen en hun religieuze beleving stelde Biswamitre zich gematigd en onpartijdig op. Hij fungeerde als adviseur van het Koloniaal Bestuur en de Nederlandse regering. In de jaren dertig leidde bijvoorbeeld het slachten van runderen door moslims en varkens door hindoes tot ongeregeldheden en polarisatie. Op instigatie van Biswamitre voerde de overheid de regeling in dat voor het slachten van een rund of een varken in gebieden waar hindoes én moslims woonachtig waren een vergunning van de districtscommissaris vereist was.
Biswamitre was een criticus van het Koloniaal Bestuur met betrekking tot de koloniale politiek in de jaren dertig. Hij hekelde de bevoordeling en benoeming van Nederlandse ambtenaren met Indische bestuurservaring in het Surinaamse bestuursapparaat: de door gouverneur Kielstra gepropageerde politiek van ‘verindisching’ in Suriname, die een breuk betekende met de tot dan toe gevoerde assimilatiepolitiek. Kielstra’s beleid omschreef hij als een ‘vivisectie op de Surinaamse gemeenschap’ (Ramsoedh 1990: 122).
Een belangrijke controverse waarbij Biswamitre niet de meerderheid van de Hindostanen en Javanen achter zich kreeg, en evenmin het Koloniaal Bestuur, betrof de wetrelijke erkenning van gesloten hindoe- en moslimhuwelijken volgens de eigen adat, de zogeheten Aziatische huwelijkswetgeving. Biswamitre was samen met de Creools-stedelijke elite van oordeel dat voor de handhaving van het concordantiebeginsel in het recht geen bijzondere rechtsregels voor groepen nodig waren. Hij was dan ook tegenstander van de wettelijke erkenning van het religieus huwelijk van hindoes en moslims, zoals voorgesteld door Kielstra. Zijn mening was dat er zo ‘apartstelling’ zou plaatsvinden van hindoes en moslims, terwijl zij juist burgers van Suriname moesten worden. Volgens Biswamitre zou het resultaat daarvan zijn dat zij min of meer als vreemdelingen, en niet als Surinamers, zouden worden beschouwd en dat men dit als legitimatie zou gebruiken om hen van het politieke en sociale leven uit te sluiten. Volgens gouverneur Kielstra kwam het achterwege blijven van een wettelijke erkenning echter neer op discriminatie van Aziaten die volgens hun traditie trouwden. De meerderheid van hindoes en moslims vond de gelijkstelling, in casu erkenning van hun huwelijk, een gelijkberechtiging. In een publicatie uit 1935 getiteld Hoeveel rechtsstelsels? schreef Biswamitre: ‘[In] Suriname met een bevolking van verschillend ras moet het beginsel van unificatie van het recht worden gehuldigd.’ Op polemische wijze stelde hij: ‘Hoeveel rechtsstelsels? Het antwoord: Slechts één! In het belang der Surinaamsche gemeenschap en in dat der Hindostani’s en Indonesiërs alsook ter vermijding van enorme energieverspilling, dient de heerschende rechtseenheid gehandhaafd te blijven’ (Biswamitre 1935: 16).
Kielstra, die tegen de tot dan toe gevoerde Nederlandse assimilatiepolitiek was, voerde ondanks de tegenstand van de Surinaamse politieke elite gedurende de oorlogsjaren de wettelijke erkenning van het Aziatische huwelijk in (zie Ramsoedh 1990: 122-133). Biswamitre betoogde – waarschijnlijk ten onrechte – dat de Aziatische huwelijkswetgeving weinig steun had van de meerderheid van de Hindostanen, maar alleen van voormannen die subsidies wilden voor hun religieuze organisaties (Dew 1978: 46).
Deze kwestie rond de Aziatische huwelijkswetgeving is een van de weinige onderwerpen waarbij Biswamitres standpunt afweek van dat van de meerderheid van de Hindostanen. Desalniettemin is hij vanwege zijn gezag en verdiensten binnen de Hindostaanse gemeenschap een gerespecteerd persoon gebleven. Ook op het punt van lijkverbranding had hij een eigen mening. In tegenstelling tot veel (christelijke) Creoolse politici in de jaren vijftig en zestig was hij voorstander van een wettelijke regeling voor lijkverbranding. Dit werd echter pas in 1968, door de regering van Pengel, toegestaan. Tot dan konden hindoes hun doden alleen maar begraven.
Biswamitres politieke betrokkenheid bij de staatkundige positie van Suriname verdient speciale aandacht. In 1946 dreigden de Hindostaanse en de Javaanse groep – samen bijna de helft van de Surinaamse bevolking – buitenspel gezet te worden tijdens besprekingen in Nederland over de staatkundige toekomst van Suriname. Biswamitre kwam in het geweer tegen het negeren van de Aziatische groepen bij de besluitvorming. In mei 1946 richtte hij de Hindostaans-Javaanse Centrale Raad (HJCR) op, waarvan hijzelf voorzitter werd en Jagernath Lachmon secretaris.
Laatstgenoemde werd daarna binnen enkele jaren de dominerende leider van de Hindostaanse bevolkingsgroep. Onder druk van de HJCR werd Biswamitre alsnog opgenomen in de delegatie naar de Ronde Tafel Conferentie (RTC) in Nederland.
Biswamitre stelde zich altijd kritisch op tegenover degenen die naar macht streefden en een snelle onafhankelijkheid van Suriname wilden bewerkstelligen. Hij toonde zich een voorstander van een geleidelijke verandering van de staatsrechtelijke verhoudingen. De bevolking moest eerst worden opgevoed tot zelfwerkzaamheid en zelfstandigheid. Hij was dan ook tegen het autonomiestreven van de verwesterde stedelijke elite, die geen rekening hield met de Aziatische bevolkingsgroepen (Ramsoedh 1990: 186).
Bij de aanloop naar de eerste algemene verkiezingen in Suriname, in 1949, nam Biswamitre volop deel aan de discussie over de staatsrechtelijke toekomst van het land. Hij kritiseerde sommige woordvoerders, die wel voor autonomie waren maar tegen algemeen kiesrecht. Hij stelde onder meer:

De politieke strijd is ontbrand! Gij voelt uwe burgerrechten bedreigd […] sommigen schreeuwen om baas in eigen huis te worden. Wij willen ook baas in eigen huis zijn. Maar wij vragen hier toch. Wat wilt gij eigenlijk? Een paleis voor u zelf en een gevangenis voor de bevolking. Autonomie zonder behoorlijke volksinvloed op het landsbestuur kan ontaarden in oligarchie. In een tyrannie dat tot knechting van het volk leidt. Het huis waarin wij baas willen zijn, zal door alle burgers samen worden gebouwd en gestoffeerd. Gezamenlijk zullen zij daarin de baas zijn.

Clemens Ramkisoen Biswamitre

Stond Biswamitre in cultureel opzicht dichter bij de Creoolse groep, in politiek opzicht verschilde hij op een aantal belangrijke punten van mening met het in de protestantse NPS verenigde Creoolse establishment. Reeds eind jaren veertig pleitte hij voor een evenredige vertegenwoordiging in plaats van het principe van the winner takes it all en het districtenstelsel, dat bepaalde bevolkingsgroepen (Hindostanen en Javanen) en gebieden (districten met een overwegend Hindostaanse en/of Javaanse bevolking) benadeelde. In 1949 werd een tweeslachtig stelsel van evenredigheid en een nieuw districtenstelsel ingevoerd. Al in de jaren dertig kwam Biswamitre op voor de gelijkberechtiging van vrouwen (Biswamitre 1935: 7) en in 1948 pleitte hij voor het algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen. Hoewel Biswamitre geen tegenstander was van onafhankelijkheid, was hij wel, zoals gezegd, tegen een snelle onafhankelijkheid van Suriname, een opvatting die per saldo niet verschilde van die van VHP-leider Lachmon. De RTC van 1961 noemde Biswamitre een ‘kostbare tragicomedie’ (geciteerd in Meel 1999: 37). Volgens hem diende ‘de politieke beschaving in Suriname op een hoger peil te worden gebracht, pas daarna zou naar uitbreiding van de autonomie van Suriname kunnen worden gestreefd’ (Meel 1999: 169-170). Een publicatie van Biswamitres hand uit 1969 droeg als ondertitel ‘Nationale onafhankelijkheid is een natuurlijk verlangen van elke gezonde menselijke samenleving’ (Vijay, november 1969). Hij waarschuwde dat de fundamentele rechten en vrijheden niet in gevaar mochten komen. De Universele verklaring van de rechten van de mens vormde voor hem een belangrijk uitgangspunt. Volgens Marshall (2003: 57) kan Biswamitre dan ook met recht de fakkeldrager van mensenrechten in Suriname worden genoemd.
Biswamitre voelde zich als cross-overpoliticus steeds minder thuis in het etnisch gepolariseerde politieke klimaat aan het einde van de jaren zestig. Na 1967, en vooral na 1969, werd de latente politieke polarisatie tussen Hindostanen en Creolen manifester en de tot dusverre gevoerde verbroederingspolitiek ineffectief (Meel 1994: 641, 656-658). Door deze verscherping van de etnische tegenstellingen, die uitmondde in een verkiezingsstrijd tussen de VHP en de NPS en de aan hen gelieerde partijen, werden de SDP en PSV electoraal weggevaagd. In dat klimaat zag Biswamitre geen politieke rol meer voor zichzelf weggelegd. Mede vanwege zijn hoge leeftijd vestigde hij zich in 1973 – hij was toen 76 jaar – in Nederland.

Invloedrijk maar geen partijleider
Dat Biswamitre geen partijleider is geworden, heeft te maken met een aantal factoren. Hij had geen duidelijke politieke achterban, ook omdat hij zich in het etnisch gesegmenteerde Suriname nimmer heeft laten verleiden tot het voeren van een etnische politiek. Tot 1946 was hij een informele intellectuele en politieke leider van de Hindostaanse groep, maar met de opkomst van Lachmon was het gedaan met zijn leiderschap.
De relatie met lachmon was niet hartelijk en volgens ingewijden zelfs enigszins gebrouilleerd. Biswamitre zou enige aarzeling hebben gehad over de juridische kwaliteiten van Lachmon toen deze bij hem langskwam om advies voor zijn opleiding tot praktizijn. Vermeldenswaard is een kwestie uit de jaren zestig over grondbezit, die in de pers breed werd uitgemeten. Biswamitre en Lachmon stonden als advocaten tegenover elkaar. Lachmon verdedigde de grootgrondbezitter Paragh, terwijl Biswamitre het opnam voor de landbouwers van het Pad van Wanica. Biswamitre won deze zaak. Dat leverde hem veel aanzien op, maar nauwelijks een politieke achterban, wars als hij was van populisme en electoraal gewin.
Biswamitre had daarentegen wel een grote aanhang onder hoogopgeleide Creolen, met name van rooms-katholieke huize. Deze groep beschouwde hem echter meer als een opinieleider en intellectueel dan als een politicus. Zijn persoonlijkheid bracht met zich mee dat hij zich niet als volksleider profileerde. In de Surinaamse samenleving, in het bijzonder in de politiek, zijn extraversie, flexibiliteit en het hebben van netwerken belangrijk om populair en geliefd te zijn bij het volk. Personen met het karakter van Biswamitre zijn niet in staat zich in een dergelijke samenleving sterk te profileren.
Hij is bovendien moeilijk te plaatsen bij een bepaalde politieke stroming (Marshall 2003: 55-57). Dat Biswamitre aan het einde van de jaren vijftig en in de jaren zestig in politiek opzicht geen rol van betekenis meer speelde, hing tevens samen met het feit dat hij vooral werd gezien als een man van het establishment, voor wie na 1958 – met de opkomst van de populisten Pengel en Lachmon – geen plaats meer was. Zijn overstap naar de SDP in 1967 zal zeer zeker ook een negatieve rol hebben gespeeld bij het ontwikkelen van een herkenbaar politiek profiel. Bovenvermelde factoren verklaren mijns inziens waarom Biswamitre weliswaar alom gerespecteerd werd vanwege zijn kennis, kunde en wijsheid, maar tegelijkertijd niet de populaire politicus werd van het Surinaamse volk. Mede daardoor had hij niet veel politieke tegenstanders. In het parlement, waar ruzies en soms handgemeen voorkwamen, heeft Biswamitre zich altijd respectvol gedragen.
Vanuit politiek-ideologisch oogpunt waren de VHP en de NPS zijn tegenstanders. Anders dan de VHP benadrukte Biswamitre de culturele assimilatie van Hindostanen in Suriname. Hij was geen aanhanger van de door Lachmon gepropageerde verbroederingspolitiek, omdat volgens hem Hindostanen, Creolen en Javanen hun eigen zuilen bleven vormen. Biswamitre hekelde de NPS, omdat deze partij in zijn optiek minder gekwalificeerde volkscreolen benoemde in het overheidsapparaat. Als gewezen topambtenaar die kwaliteit en competentie hoog in het vaandel had staan, was hij een groot tegenstander van cliëntelisme en patronage. Dat hij geen minister werd – voor zover hij dat geambieerd zou hebben – heeft waarschijnlijk ook te maken met zijn principiële stellingname. Biswamitre liet zich niet paaien en ging niet snel een samenwerking aan met politieke tegenstanders, zoals gebruikelijk is in de Surinaamse politiek. Zo ging de SDP in 1967, tot ongenoegen van Biswamitre, een samenwerking aan met Pengel. Hij weigerde dan ook om naast zijn politieke leider Findlay te zitten in de Staten van Suriname (Dew 1978: 152). Biswamitre bleef kritisch tegenover de regering-Pengel en veroorzaakte, zoals eerder gesteld, mede de val van het kabinet in 1969. Volgens H. van Amersfoort was Biswamitre in 1963 waarschijnlijk benoemd tot eerste gouverneur van Surinaamse afkomst, ware het niet dat hij op dat moment al de leeftijd van 65 jaar had bereikt.

Verdiensten
Biswamitre heeft veel verdiensten gehad voor de Surinaamse samenleving. In deze bijdrage volsta ik met een kort resumé. In 1924 won hij de prijsvraag uitgeschreven door gouverneur A.J. Baron van Heemstra over de aanpassing van het onderwijs in Suriname aan de lokale omstandigheden. Hij ontving hiervoor zelfs felicitaties van de Nederlandse minister H. Colijn. Onder het pseudoniem Adja Inni (gesterkt door het vertrouwen) betoogde hij in het winnende artikel dat de volksopvoeding zodanig georganiseerd moest worden dat het grootste deel van de jongeren zijn bestaan in de landbouw zou kunnen vinden (Gobardhan-Rambocus 2001: 240).
Biswamitre bewoog zich ook op het vlak van culturele en politieke bewustwording. Naast zijn activiteiten in katholieke kring en voor het onderwijs was hij inspirator en voorzitter van twee belangrijke Hindostaanse organisaties. De organisatie Nau Yuga Ocday (De Nieuwe Eeuw), waarvan hij voorzitter was, werd in 1924 opgericht. Het was een progressieve culturele vereniging die vooral ijverde voor de acceptatie en integratie van de Hindostaanse groep (Ramsoedh 1990: 30). Biswamitre was ook voorzitter van de in 1943 opgerichte organisatie Djagaran (Ontwaakt), waarvan Lachmon de secretaris was. Djagaran streefde de verheffing en erkenning na van het culturele erfgoed van Hindostanen. De statuur van Biswamitre is ook af te leiden uit het feit dat hij in 1948 in Paramaribo de opening verrichtte van het warenhuis Kirpalani.
Biswamitre verwierf grote bekendheid via interviews op de radio en bij de schrijvende pers als opinieleider. In de jaren vijftig en zestig schreef hij regelmatig artikelen in De West. Hoewel hij geen academische opleiding had, publiceerde hij veel wetenschappelijke artikelen over met name juridische onderwerpen. Door zijn veelzijdigheid maakte hij echter geen school op een specifiek terrein. Hij was meer een jurist en publicist dan een politicus. Als onderwijzer maakte hij zich zeer geliefd bij zijn leerlingen. Velen consulteerden Biswamitre vaak pro deo vanwege zijn kennis en kunde. Hij heeft zich als raadgever en adviseur verdienstelijk gemaakt. Hij vervulde een ombudsmanfunctie in Suriname, met name wanneer het problemen met de overheid betrof. Bij zijn huis en kantoor was het een komen en gaan van personen uit alle lagen van de verschillende etnische groepen.
Op het terrein van het onderwijs heeft Biswamitre verschillende voorzieningen gerealiseerd. Zijn voorstel werd aangenomen om hulpleerkrachten – bekend als ongegradueerden/blotevoeters – aan te stellen en zo te voorzien in het tekort aan leerkrachten. Hij vond dat de districtskinderen niet slechts opgeleid moesten worden voor de landbouw. Die eenzijdige opleiding zou in zijn optiek hun achterstelling alleen maar vergroten.
Biswamitre steunde ook het voornemen van de verenigingen Arya Dewaker en Bharat Oeday om te komen tot de oprichting van eigen scholen. Hij meende dat het onbillijk was dat Hindostanen bij de uitvoering van hun plannen gedupeerd zouden worden ‘omdat de beschikbare middelen het niet gedogen aan die scholen subsidie te verlenen’ (geciteerd in Gobardhan-Rambocus 2001: 240).

Conclusies
De politieke loopbaan van Biswamitre heeft ups en downs gekend. Was hij in de jaren twintig, dertig en veertig invloedrijk, eind jaren vijftig en vooral in de jaren zestig kwam hij door de emancipatie van Hindostanen en volkscreolen, en de daarmee gepaard gaande etnische polarisatie, langzamerhand op een zijspoor terecht. Aan het einde van de jaren vijftig en in de jaren zestig werd hij beschouwd als representant van de lichtgekleurde Creoolse elite. Hierdoor kon hij als politicus met een cross-overpersoonlijkheid geen rol van betekenis meer spelen.
Een politieke cultuur waarbij populisme en anti-intellectualisme dominant zijn, bevorderen bepaald niet de selectie van onbaatzuchtige, daadkrachtige en competente politici als Biswamitre. Een in de jaren zestig verschenen cartoon in De Ware Tijd, waarin hij in een spagaat verkeert tussen het hindoeïsme en het rooms-katholicisme en tussen Ramkisoen en Clemens, met het nationale belang in het vizier, geeft goed aan in welke positie deze politicus terechtkwam. De worsteling met natievorming in het plurale Suriname tegenover etnische profilering en etnische belangenbehartiging is een politieke spagaat waarin Suriname zich nog steeds bevindt. Biswamitre had zowel persoonlijk als in de politieke praktijk deze worsteling meegemaakt. Zijn bijdragen aan de Hindostaanse emancipatie, het onderwijs, en de juridische en staatkundige ontwikkeling van Suriname zijn evident. Hij heeft niet de waardering gekregen die hij verdient. Vanwege zijn vele publicaties op juridisch gebied stelde De Ware Tijd in 2001 de vraag waarom er bijvoorbeeld geen rechtsinstituut is vernoemd naar Clemens Biswamitre.
Zijn verdiensten bleven in Nederland niet onopgemerkt. Hij ontving in 1970 in Suriname een koninklijke onderscheiding (Ridder in de Orde van Oranje-Nassau) uit handen van de toenmalige gouverneur Johan Ferrier. Na vestiging in Nederland hield Biswamitre zich verder grotendeels afzijdig van commentaren op de situatie in Suriname. In 1980 overleed hij op de leeftijd van 82 jaar. Conform zijn katholieke achtergrond en zijn hindoewortels werd hij na een requiemmis gecremeerd, een passend afscheid van een groot Surinamer met een cross-overpersoonlijkheid.

Literatuur

Azimullah, E., 1986
Jagernath Lachmon; Een politieke biografie. Paramaribo: Vaco.
Biswamitre, C.R., [1935] Hoeveel rechtsstelsels? Paramaribo: s.n.
Biswamitre, C.R., 1942
Democratie in onze samenleving. Paramaribo: Ebenhaëzer.
Biswamitre, C.R., 1960
Waak voor de vrijheid. Paramaribo: Stenang.
Biswamitre, C.R., 1969
‘Proeve van een onafhankelijkheidsverklaring van Suriname.’ Vijay, november.
Biswamitre, C.R., 1977
‘Hindostaans leven.’ In: A. Helman (red.), Cultureel mozaïek van Suriname. Zutphen: De Walburg Pers, pp. 205-226.
Breeveld, H., 2000
Jopie Pengel, 1916-1970; Leven en werk van een Surinaamse politicus. Amsterdam: Conserve.
Bruijning, C.F.A. & J. Voorhoeve (red.), 1977
Encyclopedie van Suriname. Amsterdam: Elsevier.
Dew, E., 1978
The difficult flowering of Surinam; Ethnicity and politics in a plural society. Den Haag: Martinus Nijhoff.
Gobardhan-Rambocus, L., 2001
Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang; Een taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975. Zutphen: De Walburg Pers.
Marshall, E., 2003
Ontstaan en ontwikkeling van het Surinaams nationalisme; Natievorming als opgave. Delft: Eburon.
Meel, P., 1994
‘Verbroederingspolitiek en nationalisme; Het dekolonisatievraagstuk in de Surinaamse politiek.’ Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 109(4): 638-659.
Meel, P., 1999
Tussen autonomie en onafhankelijkheid; Nederlands-Surinaamse betrekkingen 1954-1961. Leiden: KITLV Uitgeverij.
Mitrasing, F.E.M., 1978
‘Clemens Ramkisoen Biswamitre.’ Aisa Samachar 4(3): 4-7.
Mitrasing, F.E.M., 1998
‘Politieke ontwikkeling.’ In: B. Mitrasing & M.S. Harpal (red.), Hindostanen; Van contractarbeiders tot Surinamers 1873-1998. Paramaribo: Stichting Hindostaanse Immigratie, pp. 1-15.
Ramsoedh, H., 1990
Suriname 1933-1944; Koloniale politiek en beleid onder gouverneur Kielstra. Delft: Eburon.
Scholtens, B., 1986
Opkomende arbeidersbeweging in Suriname; Doedel, Liesdek, De Sanders, De Kom en de werklozenonrust 1931-1933. Nijmegen: Masusa.
Sedney, J., 1977
De toekomst van ons verleden; Democratie, etniciteit en politieke machtsvorming in Suriname. Paramaribo: Vaco.

Eerder verschenen in OSO. Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis. Jaargang 26 (2007)

Uw reactie kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam, woonplaats en e-mailadres.

TOP