Chinese Surinamers:
een succesvolle bevolkingsgroep

Prof. Chan Choenni

Inleiding
20 oktober is de datum van de jaarlijkse herdenking en viering van de Chinese immigratie naar Suriname. Op 20 oktober 2020 is het 167 jaar geleden dat de eerste lichting Chinese contractarbeiders, namelijk in 1853 arriveerde in Suriname. Dat was dus tien jaar vóór de afschaffing van de slavernij in 1863 in Suriname. Daarna arriveerden meerdere lichtingen Chinezen. Een groot deel van hen heeft zich voorgoed gevestigd in Suriname. Naast deze Chinezen heeft vooral in deze eeuw, dus na het jaar 2000, zich een groot aantal ‘nieuwe’ Chinezen gevestigd in Suriname. Wij richten ons in dit artikel primair op de ‘oude Chinezen’ en staan kort stil bij de ‘nieuwe Chinezen’. Aan het eind van dit artikel besteden wij kort aandacht aan Chinese Surinamers in Nederland. Er bestaan relatief weinig onderzoeken en studies over Chinezen in Suriname en over hun integratie. De ‘oude Chinezen’ betrof overigens een in aantal betrekkelijk kleine groep personen, namelijk 1 tot 2% van de Surinaamse bevolking. De laatste jaren is het aantal van de zogeheten ‘nieuwe Chinezen’ fors toegenomen, maar helaas zijn er nog steeds geen betrouwbare cijfers over de omvang beschikbaar. Er bestaat één uitgebreide studie, getiteld: ‘De Chinezen in Suriname. een ge­schiedenis van immigratie en aanpassing 1853 – 2000 van G.C Zijlmans en H.A. Enser die in 2002 is ge­pu­bliceerd. Voorts heeft William Man A Hing -zelf van Surinaams-Chinese afkomst- verschillende artikelen gepubliceerd. Verder verscheen een proefschrift in 2009 van de sinoloog Paul Tjon Sie Fat over de zogeheten nieuwe Chinezen in Suriname.

‘Hakka’ Chinezen
In 1808 was de slavenhandel wettelijk afgeschaft in Suriname. Het zou echter liefst 55 jaar duren alvorens de slavernij in Suriname werd afgeschaft, namelijk op 1 juli 1863. Suriname viel toen onder het Bestuur van England en de periode 1804-1816 staat bekend als het zogeheten Engels Tussenbestuur. Na 1816 werd Suriname weer een kolonie van Nederland, maar de gebieden Berbice, Demerara en Essequibo bleven daarna in bezit van England. Zij werden samen de kolonie Brits-Guyana die in 1966 de onafhankelijke staat Guyana werd. De illegale slavenhandel ging echter na 1808 door, maar dat werd steeds effectiever aangepakt. De aanvoer van tot slaafgemaakten droog op en de plantage-eigenaren vreesden voor arbeidstekorten op hun plantages in Suriname vanwege de dalende aantallen van tot slaafgemaakten. Bovendien was de discussie over de afschaffing van de slavernij ook in Suriname los­ge­barsten, nadat in 1833 in de Engelse koloniën de slavernij was afgeschaft en de Franse koloniën volgden in 1848.

Het volkrijke land China had in 1850 de emigratie van Chinezen gelegaliseerd, na het sluiten van het zogenoemde Verdrag van Nanking (Nanjing) met de Engelse regering in 1842. China was daarna als het ware ‘opengebroken’ voor handel met de Westerse koloniale mogendheden. Van de mogelijkheid om het eigen land te ontvluchten via de opengestelde Chinese ha­ven­steden, zoals het Portugese Macau en het Britse Hongkong, werd vooral gebruik gemaakt door de ‘Hakka’ Chinezen. Deze minderheid was in de dertiende eeuw door de Mongolen vanuit het Noorden naar Zuid-China verdreven. Daar leefden deze Hakka’s in conflict met de autochtone bevolking. Veel van de Chinese con­tract­arbeiders in Suriname waren uit de Hakka groep afkomstig.

Plantage Catharina Sophia
Al in 1853 vroegen de plantage-eigenaren het Suri­naamse Gouvernement -te vergelijken met de Koloniale Regering- steun bij het werven van ar­beids­krachten uit het buitenland. De ervaringen van de Engelse en Franse afschaffing van slavernij boezemde de nodige angst in over de toekomst van plantage-arbeid in Suriname. In de naburige kolonie Brits-Guyana had immers circa 66% van de tot slaafgemaakten de plantages gaandeweg verlaten. Er waren sinds 1838 Indiase contractarbeiders overgebracht om het werk op de Guyanese plantages te verrichten. Overigens: vanwege de positieve ervaringen in Brits-Guyana met de Indiase contractarbeiders, lukte het de Nederlandse regering pas vanaf 1873 om Hindostaanse con­tractarbeiders uit India in Suriname tewerk te stellen. De grote sterfte en de vlucht onder de tot slaafgemaakten in Suriname zorgde voor krapte aan ar­beids­krachten op bepaalde plantages, zoals op de suikerplantage Catharina Sophia gelegen in het district Saramacca.

Chinees immigratiemonument

In 1853 werden 18 Chinezen vanuit het eiland Java (behorend tot het huidige Indonesië) naar Su­ri­name gezonden met een schip dat pas na drie maanden in Suri­name is aangekomen met 14 personen van de oorspronkelijke groep. Vier van hen werden onderweg ernstig ziek en kwamen te overlijden. Deze contractarbeiders waren niet van te voren gekeurd. Deze aan­ge­komen groep werd op de gouvernementsplantage Catharina Sophia te­werk­ge­steld. Niet alle personen voldeden aan de eisen voor het werk op deze suikerplantage. Sommigen waren oud, anderen waren ziek of helemaal niet geschikt voor het werk. Niettemin wordt de komst van deze Chinese contractarbeiders in het jaar 1853 beschouwd als het jaar van eerste aankomst. Met andere woorden: het jaar van het begin van de Chinese immigratie – in de Engelsprekende landen gebruikt men de term Arrival Day.

Vanwege de hoge wervingskosten werd besloten de tweede groep niet vanuit Java, maar in China zelf te werven. In 1858 werden 500 Chinese contractarbeiders geworven door bemiddeling van de Nederlandse consul in de stad Macau op kosten van de Koloniale Regering in Suriname. Ze kwamen in april 1858 aan in Suriname. Het bleek lastig hen aan het werk te zetten, omdat bleek dat de planters hen als het ware moesten ‘huren’ tegen een vergoeding, waardoor ze duurder uit waren dan met de tot slaafgemaakten (hun arbeid was namelijk gratis na eenmaal te zijn gekocht).

Hoewel de contractvoorwaarden niet gunstig waren voor de Chinese contractarbeiders, wordt verondersteld dat ze willens en wetens wilden vertrekken vanwege problemen in eigen land en daarom een contract hadden gesloten. De meesten wisten echter niet wat in het contract stond, want ze konden niet lezen. Na de komst van de tweede groep Chinese contractarbeiders in 1858 werd de werving aan het zogeheten particulier initiatief overgelaten. Een deel van de werving werd vervolgens geregeld door de ‘Immigratie Maatschappij’, die in 1865 in Amsterdam werd opgericht. Deze maatschappij met een kantoor in Hongkong wierf voor rekening van derden tegen commissie de con­tract­arbeiders in China.

Het Leidsch Dagblad van 5 oktober 1868 maakt melding van aankomst 239 Chinezen uit Hong Kong.

In 1869 -vier jaar later- volgde de laatste zending door deze maatschappij, omdat Hongkong werd gesloten voor werving ten behoeve van andere kolonies, behalve voor de eigen Britse kolonies.

2.630 Chinese contractarbeiders
Op deze wijze zijn er tussen 1853 en 1869 ruim 2.600 Chinezen naar Suriname gekomen. Van de 2.630 personen is niet iedereen in Suriname gebleven, want na afloop van hun contractperiode van vijf jaar mochten ze kiezen of ze terug wilden naar China of wilden blijven in Suriname. En als ze bleven, kregen ze bijvoorbeeld een kostgrondje. In de onderstaande tabel geven wij een overzicht van de jaartallen, schepen en de aantallen Chinezen die tussen 1853 en 1874 naar Suriname zijn geëmigreerd. Tussen 1858 en 1869 zijn 7 schepen met relatief grote aantallen Chinezen in Suriname gear­ri­veerd.

De schepen waren Nederlandse schepen. Het schip Pahud vertrok in 1858 uit Macao en kwam met 487 Chinezen aan in Suriname. Pas 7 jaar later zijn weer Chinezen aangekomen in Suriname. Tussen 1865 en 1869 kwamen 5 schepen uit Hongkong aan met Chinese immigranten in Suriname. Verder zijn kleine aantallen Chinezen in de jaren 1853, 1873 en 1874 met andere schepen in Suriname terecht gekomen.

Sterfte tijdens zeereis
Er zijn onderweg tijdens de zeereizen 153 Chinese immigranten overleden; dat is in totaal dus 5,5% van de 2.780 Chinezen die zijn vertrokken naar Suriname. Er zijn in totaal 2.630 Chinezen aangekomen in Suriname. Het percentage sterfte van ruim 5% was veel hoger dan het gemiddelde op de schepen van Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders, maar aanzienlijk lager dan het gemiddelde op de slavenschepen. Het sterf­te­percentage op de slavenschepen lag gemiddeld tussen 15-20%. Wij tekenen hierbij aan dat het relatief groot aantal Chinese sterfgevallen vooral te wijten is aan het transport van één schip. In augustus 1869 kwam het schip Ferdinand Brumm uit Java aan met 206 overlevenden. Dit schip vertrok met 299 Chinese emigranten en telde liefst 93 doden onderweg; dat is bijna een derde en een uitzonderlijk hoog aantal sterfgevallen. Wat de reden is van deze uitzonderlijk hoge sterfte is, hebben wij niet kunnen achterhalen. Op het tweede schip de Pahud vertrokken uit Macao, waren er 13 doden onder de 500 Chinese emigranten die waren vertrokken richting Suriname.

Vier van de vijf schepen die tussen 1866 en 1869 uit Hongkong zijn vertrokken, hadden ook sterfgevallen aan boord. Met het schip de Golden Horn vertrokken 416 Chinezen in 1866, onderweg zijn 16 personen overleden. Het schip de Whirlwind was vertrokken in 1866 met 409 Chinese contractarbeiders en had onderweg slechts 5 doden. Op het schip de Veritas dat in januari 1868 in Suriname aankwam waren 18 personen bezweken tijdens de zeereis en er kwamen 518 Chinese emigranten aan. Tijdens de tweede zeereis van de Veritas naar Suriname in 1869 waren er slechts 4 doden onder de 203 Chinese emigranten die waren vertrokken uit Hongkong. Tenslotte had één schip -het derde schip- geheten de Twee Gezusters/Tricolor geen doden en kwam met 286 Chinese contractarbeiders in april 1865 in Suriname aan.

Er waren zelden geboorten op deze schepen, omdat er weinig Chinese vrouwen mee kwamen naar Suriname. In de database Gahetna van het Nationaal archief in Nederland over de gegevens van Chinese immigranten komen echter 1800 mannen en 214 vrouwen voor.

Stopzetting
Na 1874 werden er geen Chinese contractarbeiders meer geworven voor Suriname. Dit is deels te verklaren door het officiële verbod van contractmigratie door China en door de sluiting van de havens als Macao en Hongkong. Deels is deze wervingsstop ook te verklaren door andere factoren, waarvan de belangrijkste de hoge wervingskosten betrof. Ook speelde mee dat de meesten geen hercontract aangingen, zoals dat wel bij veel Hindostanen en later ook Javanen gebeurde. Na 5 jaar werd het contract door Chinezen meestal niet verlengd en keerden velen terug naar China. De reden voor terugkeer vormde vaak de afwezigheid van Chinese vrouwen. De meeste vrouwen hadden van de clanhoofden geen toestemming gekregen met een echtgenoot te emigreren. Met deze maatregel hoopten de clanhoofden de man te dwingen geld te sturen en terug te keren na afloop van hun contract. Ongeveer een derde deel van de arbeidscontractanten heeft ge­bruik­gemaakt van het recht om terug te keren naar huis. Een van de schepen waarmee een groep van 252 Chinezen is teruggekeerd naar Hongkong was de Marie Thérese, zoals uit onderstaand bericht blijkt.

Uit de krant De West-Indiër van 2 augustus 1868.

De Affaire Lijkwan
Veel Chinese contractarbeiders vonden dat zij als slaven werden behandeld. Toen zij hiertegen in verzet kwamen, werden zij zonder vorm van proces, in strijd met de reglementen, door de politie met rietslagen gestraft; een handeling die telkens weer herhaald werd. Een illustratief voorbeeld is de affaire Lijkwan. Mr. W.L. Man a Hing heeft in 1983 geschreven over De affaire Lijkwan, een opzienbare terechtstelling (Amstelveen/Paramaribo: Orchid Press). Wij citeren hem:
Een bizarre geschiedenis rondom de veroordeling van een Chinese immigrant in Suriname, vond plaats in 1872. Lijkwan (Lai-Koon of Laij-Koon) was geboren in Poenje (Panyu), een stadje in de provincie Kwangtung (Guangdong). Hij tekende, net als vele van zijn landgenoten, een contract om voor vijf jaar in Suriname te werken. In 1868 werd hij per schip…. naar Suriname vervoerd. Daar werd hij onder nummer 1660 als rietkapper te werk gesteld op de suikerplantage Resolutie, gelegen aan de Beneden-Cottica. Lijkwan vond zijn werk niet aantrekkelijk. Hij begon ’s avonds met zijn landgenoten te gokken. De voorman van de plantage was ook een Chinees, genaamd Tjoeng Kiau. Deze was bereid Lijkwan tegen woekerrente leningen te verschaffen. Maar Lijkwans financiële positie werd van kwaad tot erger. Uiteindelijk smeedde Lijkwan samen met twee collega’s, die ook schulden hadden bij Tjoeng Kiau, een plan om de voorman uit de weg te ruimen. Op de avond van 8 augustus 1871, vermoorden zij hem met kapmessen. Zij werden vrij eenvoudig opgespoord en door het Hooggerechtshof op 6 januari 1872 ter dood veroordeeld. In hoger beroep werd de straf van de twee handlangers omgezet in twintig jaar zware arbeid aan de ketting. Lijkwan werd als de hoofddader gezien en werd veroordeeld tot de strop. Op 18 januari 1872 vond de bizarre executie van Lijkwan plaats. Toen hij werd opgehangen en de luiken onder hem openklapten, brak het touw. Ook toen hij voor de twee keer werd opgehangen brak het touw en was Lijkwan nog springlevend.

“Het regt nam toen zijnen loop, maar zie…. het koord, hetwelk om den hals van den ongelukkige was geslingerd, brak, en hij viel neder. Ten tweeden male opgehangen, brak het touw wederom, en de deer­nis­waardige smeekte pardon.” (Gouvernements Adver­ten­tie­blad dd. 20 januari 1872, no. 9)

Door deze, voor hem gelukkige, loop van het lot kreeg Lijkwan gratie en werd de straf omgezet in 20 jaar zware arbeid aan de ketting. Na twee kortingen op zijn straf, wegens goed gedrag, werd Lijkwan in 1881 vrijgelaten. Hij trad in 1892 in het huwelijk met veldwachter Jacoba Georgina (vermoedelijk de ‘christenmulattin’ Jacobo). Zij overleed in 1901 te Paramaribo. In 1907 trouwde hij met Elisabeth Helena Petronella Lith. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren. Lijkwan overleed op 26 november 1922 te Albina, ruim vijftig jaar na zijn merkwaardige terechtstelling.

Het Surinaams Almanak (1891: 59) vermeldt over de situatie omstreeks oktober 1875 het volgende:
Merendeels der chineesche immigranten vestigen zich vast in de kolonie. Zij sluiten huwelijken met inlandsche vrouwen en zijn rustig van gedrag, arbeidszaam en vooruitgaande in den handel, voeden hunnen kinderen goed op en leiden een der burgerij niet storend leven, terwijl zijn in den opbrengst der belastingen een niet onaanzienlijk gedeelte bijdragen, waardoor velen hunner reeds het kies- en stemrecht bezitten.… als kundige en nette landbouwers dragen zij onder de planters een goede naam.

Kleine Chinese gemeenschap
In de periode 1853 – 1873 waren dus 2.630 Chinese contractarbeiders in Suriname gearriveerd. In 1905 waren er in Suriname echter slechts 1.160 Chinezen woonachtig. Deze afname was het gevolg van een relatief hoog sterftecijfer, dat in de meeste jaren tussen 1870 en 1880 boven de 3 % lag. Omvangrijke remigratie en sterke vermenging met de Creoolse bevolking droegen eveneens bij tot dit lage cijfer. De nakomelingen van de vermenging werden immers niet meer tot Chinezen gerekend, maar tot Kleurlingen (Gemengden) en later vaak tot Creolen. Veel Chinese mannen zijn namelijk getrouwd of woonden samen met niet-Chinese vrouwen, vooral Afro-Surinaamse vrouwen. Hun kinderen werden –zoals gezegd- gerekend tot de Kleurlingen (Gemengden) en telden dus niet mee als Chinezen. Degenen die wel met Chinese vrouwen trouwden, trouwden meestal met een zogenaamde ‘importbruid’ uit Azië.

Chinese man en zijn Creoolse vrouw, circa 1900. Foto: Eugen Klein, zie: Carl Haarnack/www.buku.

In 1915 waren er 961 Chinezen in Suriname en in 1920 waren dat er slechts 784. Maar in 1924 was een stijging tot 1.454. Deze toename was te verklaren door het feit dat er in het kielzog van de contractarbeiders ook vrije migranten naar Suriname vanuit China kwamen, evenals familie en kennissen die hadden gehoord dat je in Suriname geld kon verdienen. Wie zich aanmeldde voor werk kreeg bovendien een premie. In 1936 woonden er 2.144 Chinezen in Suriname en na de Tweede Wereldoorlog, namelijk in 1945 bedroeg dit aantal inmiddels 2.312. In 1950 waren er 2.850 Chinezen in Suriname en in 1964 was het aantal Chinezen gestegen 5.544 personen. Tenslotte werd in 1980 het aantal Chinezen geschat op 5.484 personen.

De geringe toename heeft ook te maken met het tekort aan Chinese vrouwen (zie verder: Zijlmans en Enser 2012: 37,38). In 1921 was slechts 15% van de Chinese mannen gehuwd of samenwonend met een Chinese vrouw, 20% met een Javaanse vrouw en 64% met een Creoolse vrouw. In 1926 was minder dan een kwart van Chinezen vrouw (23,2%); in 1935 was het 23,5%. In 1963 was het aandeel Chinese vrouwen 33%. De grote concentratie Chinezen was in Paramaribo, namelijk 74% in 1921 en 77% in 1950. In 1964 woonde 79,3% (4.236) van de Chinezen in Paramaribo en de concentratie in Paramaribo is gebleven. Bij de volkstelling van 1971 werden er 6.400 Chinezen geteld en in 2012 bedroeg het aantal Chinezen 7.885; dus niet meer dan 8.000 op een totale bevolking van 541.638 personen.

Maar de Chinese deskundige Man A Hing stelt terecht in zijn Caraïbische blog (Caraïbisch Uitzicht) dat wij deze cijfers voorzichtig moeten interpreteren:
Want je weet niet wie precies onder een Chinees wordt verstaan. Zijn het bijvoorbeeld alleen degenen die in China zijn geboren en in Suriname wonen of behoren ook hun kinderen hiertoe die in Suriname zijn geboren en zo ja, worden ook kinderen van gemengde afkomst hiertoe gerekend, dus kinderen van een Chinese ouder en een ouder van een ander ras?”

Zijlmans en Enser (2002: 141) stellen dat indien wij de degenen met Chinese wortels (‘Chinees bloed’) mee­tellen het totaal naar schatting stijgt tot 60.000 personen. Overigens wordt binnen de Chinese ge­meen­schap de Chinezen die geboren in Suriname als ‘onechten of onzuiveren’ (de lai-abs) beschouwd, terwijl de in China geborenen als zijnde te traditioneel bestempeld door de in Suriname geboren Chinezen.

Chinese familie in Suriname periode 1885-1894. Foto: Julius Muller

Handel
De Chinese contractarbeiders kwamen terecht op plantages, zoals plantage de Resolutie in het district Commewijne, op plantage Vreeland in het toenmalige district Suriname/Boven Para, maar ook in het district Nickerie, namelijk op plantage Paradise. Helaas is er weinig bekend over de ervaringen van deze Chinezen en hoe het hen verder is vergaan. Wel is bekend dat een groot deel later naar Paramaribo is vertrokken. En een ander deel had winkels op de plantages die later zogeheten gouvernementsvestigingsplaatsen werden, waar vooral Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders werden gevestigd. De meeste Chinese contractarbeiders gingen dus na afloop van hun contract de handel in, meestal de kleinhandel in levensmiddelen. De pro­vi­sie­winkel van Omoe Snesi op de hoek van de straat of in het dorp of boiti was tot de jaren zeventig een bekend beeld. Daarna werden de meeste winkels ge­trans­for­meerd tot supermarkten. Overigens is de Chinese gemeenschap vrij gesloten en het is lastig onderzoek te doen naar deze vrij gesloten groep. Als teller bij de (vierde) Volkstelling van Suriname in 1971 heb ik ervaren hoe lastig het is onderzoek te doen onder deze groep. Ik was toen leerling/student op de AMS (Algemene Middelbare School) en dit was een bijbaantje. Ik moest heel veel moeite doen om medewerking te krijgen van twee Chinese winkeliers. Zij dachten dat ik van de ‘belastingdienst’ was en weigerden aanvankelijk om mee te werken aan deze volkstelling. Er zijn ook complicaties om historisch onderzoek te doen via de oral history (mondelinge geschiedenis) methode.

Naast de overwoekerde plantage Vreeland gelegen aan de rechteroever van de Surinamerivier tegenover de plaats Domburg ligt de plantage Laarwijk. Op deze gouvernementsplaats woonden bijvoorbeeld 717 per­sonen in 1950, onder wie Afro-Surinamers (9%), Hindostanen (58%) en Javanen (30%) gebroederlijk samen met elkaar (D.B. W.M. Van Dusseldorp, Het Centraplan voor Suriname, 1963: 74). Dat was voor eind jaren zestig toen bepaalde politieke leiders de etnische polarisatie nog niet hadden aangejaagd. Allen spraken Hindostaans (Sarnami), omdat de Hindostanen de grootste groep waren.

Hieronder een persoonlijke noot:
Op plantage Laarwijk woonde ook de Chinese winkelier Lam Wah. Toen ik klein was, spraken mijn paternale familieleden vaak over Lamwa alsof het een Hin­do­staanse man betrof die ook familie was. Zijn winkel op Laarwijk lag tegenover de landerij van mijn paternale grootvader, Mahase Soekdew Choenni die daar ook dorpshoofd was. Ik mocht in de winkel ‘spelen’ van Lam Wah tijdens de vakanties op Laarwijk; doorgaans wordt dit niet toegestaan door Chinese winkeliers. Lam Wah sprak ook vloeiend Sarnami. Er wordt beweerd dat deze winkel van mijn paternale overgrootvader Halkhorisaw (1646 R, geboren in India in 1865) was.

Kappa (indampketel voor suiker) op de verlaten landerij van Halkhorisaw Choenni op plantage Laarwijk.

Hij had al in 1904 een zogeheten tapper vergunning -om gedistilleerd (alcohol)- te verkopen. Hij zou echter de winkel zijn kwijtgeraakt tijdens “een weddenschap”’ (?) aan een Chinees. Of dit allemaal klopt heb ik niet precies kunnen achterhalen, maar ik weet dat mijn vader weddenschappen en kaartspelen (juwa in het Sarnami) haatte. Uit de geschiedenis is bekend dat er in het begin van de 20ste eeuw veel weddenschappen werden gesloten en de Chinese loterij (Chinees kansspel) de piauw of piao omstreeks 1912 werd geïntroduceerd. Het was eigenlijk een soort lotto en de bankiers zetelden in het bekende gebouw van Kong Ngie Ton San. Velen kochten met geleend geld de loterijbriefjes en vaak werden bezittingen verpand daarvoor. En men kon bij de pandjeshuizen spullen verpanden om loten te kopen. De kans om te winnen was heel gering. Vooral Chinezen, maar ook anderen waren verslaafd aan dit kansspel. Velen raakten berooid en dit werd dan ook een groot maatschappelijk probleem. In 1926 werd dit kansspel wettelijk verboden door de Surinaamse overheid, maar illegaal ging deze praktijk door (zie: Zijlmans en Enser 2002: 59). In deze periode was ‘dobbelen’ ook zeer populair. Er was veel geld in omloop, mede omdat velen goed geld verdienden in de goudsector en de bloeiende balata-industrie. Er werd geld verbrast en sommige rijk geworden mannen rookten zelfs tabak, waarbij papiergeld werd gebruikt als omhulsel van de sigaret.

Het oude gebouw van de vereniging Kong Ngie Ton Sang.

Ik heb tevergeefs gepoogd meer duidelijkheid te krijgen. In 1917 was echter een Chinees eigenaar van de winkel op plantage Laarwijk. Toegeven: ik ben te laat aan dit onderzoek begonnen. Mijn vader en andere ouderen die het zouden kunnen weten waren al allemaal overleden. Maar een paternale tante (Phuwa– zus van mijn vader) die de leeftijd van 91 jaar bereikte kon het wel weten. Ik heb haar herhaaldelijk hierover bevraagd. Het enige wat zij kwijt wilde is dat zij op de schouders van haar paternale grootvader uit India (Halkhorisaw) werd gedragen en dat zij in tegenstelling tot haar zusters al op haar veertiende leeftijd werd uitgehuwelijkt. Voor de rest was zij mening dat ik niet over het verleden moest praten en ik moest het verleden laten rusten (tu pahle ke bat chor!). Deze houding hadden niet alleen oudere Hindostanen, maar ook oudere Afro-Surinamers. Naast het feit dat velen jaren geleden niet zijn geïnterviewd door deskundigen zijn hoogstwaarschijnlijk familiegeheimen, het verborgen willen houden van armoede en leed redenen om te zwijgen. Hoe dan ook: er was een zeer bijzondere band met de Chinese winkelier Lam Wah. Hij is zeer oud geworden; hoe oud is niet bekend. Lam Wah is overleden in de schoot van mijn paternale grootmoeder, Lali Gonesh. Helaas heb ik destijds -toen ik jong was- verder niets gevraagd over Lam Wah. Bijvoorbeeld of hij Chinese familie had, of hij geld stuurde naar China en hoe hij is begraven.

Verenigingsgebouw Kong Ngie Tong San in Paramaribo. De bovenverdieping brandde in 1995 af en er kwam een nieuwe verdieping. Foto: Eric Kastelein

Succesvol
De ‘oude Chinezen’ die destijds met een plunjezak naar Suriname kwamen, hebben goed gepresteerd. De meerderheid van de Chinese Surinamers woonde later voornamelijk in Paramaribo en het district Wanica. Relatief veel Chinese Surinamers waren actief in de detailhandel en later ook in het zakenwezen. Er was sprake van grote vooruitgang. In 1940 waren er 612 winkels van Chinezen en er waren 276 goud- en zilversmeden en 63 bakkers. Het succes geldt vooral ook voor hun nakomelingen Na een generatie hadden ze al een winkel of zaak opgebouwd. Soms waren hun kinderen (de derde generatie) al op de universiteit terecht gekomen. Na de Tweede Wereldoorlog was bijvoorbeeld 30% van de artsen in Suriname van Chinese afkomst. In 1964 waren al 22% van de Chinezen op minstens mulo-niveau en 7,3% zaten op de HBS en 1,8% genoot hoger onderwijs. In 1967 had ruim 14% van 826 Surinaamse studenten in Nederland een Chinese afkomst, terwijl Chinezen toen slechts 1-2% van de Surinaamse bevolking uitmaakten (Zijlmans en Enser 2002: 63).

De Chinezen namen in het midden- en kleinbedrijf lange tijd een vooraanstaande positie in en hun goed opgeleide nakomelingen, volbloed Chinees of van ‘’gemengd bloed’’ waren en zijn in allerlei maat­schappelijke sectoren te vinden. De Chinese Surinamers kunnen dan ook als een succesvolle bevolkingsgroep worden beschouwd.

Chinese Vriendschapsmonument 1853-2003. Foto: Eric Kastelein

Chinese namen
De Hakka hebben hun voornamen en familienamen meestal geromaniseerd van het Hakkanees naar Nederlandse fonetische spelling. Volgens Man A Hing was het vroeger gebruikelijk onder de Hakka dat men niet de volledige voornaam aan de overheidsinstanties of onbekenden gaf. De voornaam begon daarom vaak met “A” en dan volgde weer een deel van de voornaam. Zo stond dhr. Lie Foek-Sjoe (李福壽) bijvoorbeeld ingeschreven als Lie Asjoe of Lie A-Sjoe. Of als Lie Afoek of Lie A-Foek. Kinderen die een vader van Chinese afkomst en moeder van niet-Chinese afkomst hadden, namen vaak de volledige Familienaam en voornaam van de vader over, waardoor veel Surinamers tegenwoordig de Chinese familienaam en voornaam van hun overgrootvader dragen. Zo zijn er bijvoorbeeld mensen die Andrea Lie-A-SjoeAndrea Lie-Asjoe of Andrea Lieasjoe heten. Wij verwijzen verder naar de artikelen van Man A Hing in het tijdschrift Wi Rutu van de Surinaamse vereniging voor Genealogie.

Grote Invloed
Veel Chinezen die in hun tienerjaren (15 -16 jaar) naar Suriname kwamen, hebben hun ouders in China naderhand niet meer (kunnen) zien. En ook al schreven ze brieven naar hun ouders, hun ouders konden deze toch niet lezen. Dat werd gedaan door zogenaamde brievenlezers. Later kwamen anderen als vrije arbeider, handelaar of winkelbediende naar Suriname, vooral in de jaren vijftig en zestig. De Chinezen die na de periode van contractarbeid en rond 1945 naar Suriname zijn gekomen hebben vrij veel invloed gehad op het culturele leven in Suriname en op de eigen Chinese gemeenschap. Ze konden in alle rust de voorzieningen treffen die nodig waren voor de eigen groep. Zo hebben ze met eigen middelen drie sociëteiten laten bouwen, evenals een sportfaciliteit annex zwembad (de witte Lotus), een school en de enige Chinese begraafplaats in Suriname die beheerd wordt door de drie grote Chinese verenigingen gezamenlijk.

Een deel van de ‘oude’ Chinezen werd gekerstend en vormde een eigen Christelijke gemeente. Een ander deel was Confucianist. De Hakka groep heeft door hard werken in Suriname veel invloed uitgeoefend. Vooral op het gebied van voedsel. Op het culinaire gebied zijn er diverse Chinese gerechten bekend, zoals Tjauw Min en Tjauw Fan. Allerlei worstjes (fasjong) en zuurgoed (amelang, kakastong, ham taw) en zoetwaren (aman­delkoek, gedroogde pruimen) en kruiden (ve tsin) zijn geliefd bij andere bevolkingsgroepen. Een bekende Chinese verkoper van deze waren is Soeng Ngie. Ook heeft de Surinaamse bevolking diverse gebruiken van Chinese herkomst overgenomen, zoals het afschieten van vuurwerk (pagara’s).

De Chinese groep in Suriname heeft twee hoogtijdagen waarmee ze tevreden zijn, namelijk het Chinees Nieuwjaar en het Chinese Allerheiligenfeest. Het Chinees Nieuwjaar is bijna heilig en wordt tussen 21 januari en 20 februari gevierd.

Omdat de groep relatief klein is, is de cultuur enigszins aan erosie onderhevig. Over de relaties met de andere bevolkingsgroepen kunnen wij kort zijn. Deze zijn vrij harmonieus. Harmonie is een belangrijke waarde in de Chinese cultuur. Vroeger werden Chinezen geplaagd, omdat zij de letter R moeilijk kunnen uitspreken. Maar doorgaans zijn Chinezen onverstoorbaar en ook bij allerlei ruwe opmerkingen en opdrachten om snel de verkoopartikelen te bezorgen of af te rekenen, bleef men meestal minzaam glimlachen en rust uitstralen. Wij tekenen ook aan dat door de grote vermenging een aanzienlijk deel van de Gemengden Chinese wortels heeft en ook in deze zin is er sprake van Chinese invloed.

Winkel Soeng Ngie en Co in Paramaribo

De ‘nieuwe Chinezen’
Vanaf de jaren negentig zijn grote aantallen zogenoemde nieuwe Chinezen naar Suriname gekomen vooral door toedoen van de Surinaamse regering. Als gevolg van de aanbesteding van projecten kreeg de Surinaamse regering vanuit China geld en goedkope ar­beids­krachten. De fabrieken en maatschappijen die hiervoor werden ingezet rekruteerden arbeiders vanuit alle delen en provincies van China om naar Suriname te gaan. Deze Chinezen vormen een bijzonder gemêleerde groep en spreken een andere taal dan de traditionele Chinezen (Hakka) in Suriname. De immigratie zet zich nog steeds voort. De sterk groeiende behoefte van China aan bijvoorbeeld hout en mineralen maakt Suriname zeer aantrekkelijk voor Chinese ondernemers. De nieuwe groep Chinese immigranten meestal afkomstig van noordelijk China, worden in Suriname ook wel “zoutwater-Chinezen” genoemd, blijkbaar omdat zij later zijn gearriveerd. Deze nieuwe Chinezen in Suriname zijn met winkels in vrijwel alle gebieden van Suriname te vinden. Het aanbod aan producten is uitgebreid en de winkels zijn vaak tot laat ‘s avonds en in het weekend open. De Hindostaanse winkeliers zijn vrijwel overal ‘weggeconcureerd’. Ook het landschap is veranderd door de opvallend grote winkels en supermarkten en Chinese (karakter) tekens. Er bestaat in Paramaribo Noord een voornamelijk Chinese buurt en bij de Gompertsstraat wordt ook de zogeheten Chinese markt gehouden. Soms zijn de winkels en vooral magazijnen disproportioneel groot en ontsieren de omgeving. Een voorbeeld is de grote Chinese supermarkt pal naast het mooie witte gebouw van de voormalige Residence hotel aan de Anton Dragtenweg. Niet alleen wordt het uitzicht belemmerd, maar deze grote winkelpanden detoneert in de omgeving. In dit verband is er blijkbaar nauwelijks ruimtelijke ordeningsbeleid in Suriname.

Chinese markt in Paramaribo.

Maar de ‘nieuwe ‘Chinezen zijn gedisciplineerd, werken hard en zijn zeer ijverig. Al met al brengen zij wel ontwikkeling in Suriname. Veel van deze Chinezen lijken echter een groot deel van het verdiende geld te exporteren naar China in plaats van in Suriname te besteden. Deze klacht werd al ruim een eeuw geleden geuit. In 1910 werd al geklaagd over hun sobere levensstijl en hun spaarzin én dat zij het geld stuurden naar China of later terugkeerden naar China. Men vond dat zij op deze wijze geen bijdrage leverden aan Suriname. Ook werd de vraag gesteld of er niet te veel Chinese provisiewinkels waren en er werd geklaagd over onhygiënische toestanden (Zijlmans en Enser 2002: 48).

De Chinese kinderen gaan echter naar school en leren de Nederlandse taal en komen in aanraking met anderen via de school. Ze zullen de integratie van hun groep in de Surinaamse samenleving bevorderen. Het is lastig vast te stellen hoe groot deze groep Chinezen is. Paul Tjon Sie Fat heeft een proefschrift geschreven en beweert dat in het jaar 2007 er zelfs meer dan 70.000 Chinezen waren in Suriname (Zie: Chinese new migrants in Suriname: the inevitability of ethnic performing). Ik waag dat te betwijfelen, omdat het geen beredeneerde schatting is. Er zijn echter ook veel ‘illegale Chinezen.’ Bij de komende volkstelling zal op gedegen wijze het totaal aantal Chinezen in beeld moeten worden gebracht.

Chinees-Surinaamse restaurant / broodjes winkel

Chinese Surinamers in Nederland
Sinds de jaren zestig zijn een paar duizend Chinezen van Suriname naar Nederland geëmigreerd. De grootse groep emigreerde tussen 1974 en 1975. In 2008 bedroeg het aantal Surinaamse Chinezen volgens de berekening van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) in Nederland ongeveer 11.000. Dat was ongeveer 3% van de Surinaamse bevolking in Nederland. Maar in dit verband kan het ook Gemengden betreffen met Chinese (voor)ouders. Het aantal Surinaamse Chinezen werd namelijk vastgesteld op grond van achternamen door het CBS op het totaal bestand van 338.000 Surinamers van het jaar 2008. In 2011 was ik bij dit project betrokken en ondanks dat verschillende deskundigen onafhankelijk van elkaar tot vrijwel dezelfde rubricering naar etnische groep kwamen, blijft de kans groot dat een deel van de 11.000 Chinezen geen ’volbloed Chinees’ ís. Volgens de gegevens van de volkstelling in Suriname waren in 2012 waren slechts 7.885 Chinezen; dat was 1,5 % van de bevolking in Suriname. In Suriname vindt de vaststelling plaats door de zelfidentificatie bij de volkstelling. In Nederland is de achternaam bepalend geweest en bedroeg aldus het percentage 3% van de Surinamers in Nederland. Maar -zoals eerder gezegd- dragen veel Gemengden Chinese achternamen. Er kan dus sprake zijn van een overschatting van het aantal Surinaamse Chinezen in Nederland. Wij kunnen wel stellen dat naast Chinezen er in elk geval personen zijn bijgeteld met Chinese wortels (“Chinees bloed’). Met deze kanttekening kunnen wij stellen net als in Suriname de Surinaamse Chinezen hebben in Nederland grote vooruitgang geboekt. Zij kunnen als een succesvolle bevolkingsgroep worden gekenmerkt. In sociaaleconomisch opzicht presteren zij het beste van de Surinaamse bevolkingsgroepen, zoals uit onderstaande tabel blijkt.

Het moge duidelijk zijn dat Chinese Surinamers in Nederland een gemiddeld hoog opleidingsniveau hebben bereikt. Er zijn weinig Surinaamse Chinezen die uitsluitend een lagere opleiding hebben genoten. Twee van de vijf Chinezen tussen 25-35-jaar hadden een hoog opleidingsniveau (HBO + WO = 40,6%). Ter vergelijking: in de leeftijdsgroep van 25-35 jaar hadden 6,4% van de Hindostanen en 5,0 % van de Creolen het niveau van Wetenschappelijk onderwijs bereikt ten opzichte van 13,4% van de Chinezen. Uit deze CBS studie blijkt ook dat de gemiddelde inkomsten van Chinese mannen en vrouwen hoger zijn dan gemiddeld van alle Surinamers in Nederland. Slechts een klein deel werkt in de horeca, terwijl velen werken in zelfstandige beroepen of als artsen in dienst van ziekenhuizen. Al met al is zowel in Suriname als in Nederland de Chinees-Surinaamse bevolkingsgroep zeer succesvol.

Chan Choenni (Para­ma­ri­bo, 1953) is Emeritus hoogleraar en ver­richt momenteel een onder­zoek naar de ge­schie­de­nis van Afro-Surinamers 1863-1963.

Uw reactie kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam en het artikel waar u op reageert.

TOP