Waarom HindOstaan en niet HindOEstaan?
De nazaten van de Brits-Indische contractarbeiders in Suriname worden Hindostanen genoemd (in het Engels en Hindi Hindostani). Niet Hindoestanen, en ook niet Indo-Surinamers (Indo-Surinamese) zoals men spreekt van Indo-Guyanezen of Indo-Trinidadianen. Het gebruik van de term Hindostanen is sociaal-historisch in Suriname gegroeid en wordt tot op de dag van vandaag als vaste benaming gehanteerd.
India was tot 1947 onder heerschappij van Groot-Brittanië en werd aangeduid als Brits-Indië en de inwoners als Brits-Indiërs. De contractarbeiders kwamen uit Brits-Indië naar Suriname met een vijfjarig contract. Zij werden Brits-Indische immigranten of Brits-Indiërs genoemd. Na afloop van hun contract konden zij terugkeren naar India, een nieuw contract aangaan of zich blijvend vestigen in Suriname. Naarmate steeds meer van hen in Suriname bleven en het land als hun nieuwe vaderland gingen beschouwen, wilden zij afstand nemen van de benaming Brits-Indische immigrant of Brits-Indiër. De in 1910 opgerichte Surinaamse Immigranten Vereniging (SIV) begon in 1920 daarom de benaming Hindostani te hanteren. Hiermee werd verwezen naar Hindostan, zoals zij hun moederland noemden. Dit sloot bovendien aan bij de gangbare Engelse benaming. Mogelijk was dit ook de oorspronkelijke weergave van het Hindiwoord, dat later taalkundig geëvolueerd is naar de schrijfwijze Hindustan.
Toen Brits-Indië in de onafhankelijkheidsstrijd tegen Groot-Brittannië werd verscheurd door het gewelddadige conflict tussen hindoes en moslims en er sprake was van de vorming van een hindoestaat en een moslimstaat, werd in Suriname bewust gekozen voor de term Hindostanen. In Suriname hadden de contractarbeiders immers altijd in solidariteit met elkaar samengeleefd, ongeacht hun religie. De benaming Hindoestanen zou ten onrechte de indruk wekken dat de groep uitsluitend uit hindoes bestond.
De aanduiding Indo-Surinamers voor deze bevolkingsgroep is niet passend, ook al wordt in Engelstalige teksten soms het woord Indo-Surinamese gebezigd. Het voorvoegsel Indo kan namelijk ook verwijzen naar de uit Indonesië afkomstige bevolkingsgroep, de Javanen. Bovendien is in het Nederlandse taalgebruik de term Indo van oudsher verbonden aan Indonesië (het voormalige Nederlands-Indië).
Kortom: Hindostanen is een unieke en gevestigde benaming voor de nakomelingen van de Brits-Indische contractarbeiders die zich in Suriname hebben gevestigd

- Published in BIBLIOTHEEK, Korte berichten, NIEUWS, Varia
Why HindOstani and not HindOEstani?
The descendants of the British Indian indentured laborers in Suriname are called Hindostanen (Hindostanis in both English and Hindi). Not Hindoestanen, and not Indo-Surinamese either, as one might say Indo-Guyanese or Indo-Trinidadians. The use of the term Hindostani developed socio-historically in Suriname and has been maintained as the established designation up to the present day.
Until 1947, India was under British rule and was referred to as British India, with its inhabitants called British Indians. The indentured laborers came from British India to Suriname under five-year contracts. They were referred to as British Indian immigrants or simply British Indians. After completing their contracts, they could return to India, sign a new contract, or settle permanently in Suriname. As more and more of them chose to remain in Suriname and began to regard the country as their new homeland, they wanted to distance themselves from the label “British Indian immigrant” or “British Indian.”
In 1920, the Surinamese Immigrant Association (SIV), founded in 1910, started using the designation Hindostani. This referred to Hindostan, as they called their motherland. It also corresponded with the common English designation. Possibly, this was also the original rendering of the Hindi word, which later linguistically evolved into the spelling Hindustan.
When British India, in its struggle for independence from Britain, was torn apart by violent conflict between Hindus and Muslims with talk of the creation of a Hindu state and a Muslim state, the conscious choice was made in Suriname to adopt the term Hindostanis. After all, in Suriname the indentured laborers had always lived in solidarity with each other, regardless of their religion. The term Hindoestanen would have wrongly suggested that the group consisted only of Hindus.
The designation Indo-Surinamese for this population group is not appropriate, even though the term sometimes appears in English-language texts. The prefix Indo could also refer to the Javanese, the community originating from Indonesia. Moreover, in Dutch usage, the term Indo has traditionally been associated with Indonesians (from the former Dutch East Indies).
In short: Hindostanen (Hindostanis) is a unique and established designation for the descendants of the British Indian indentured laborers who settled in Suriname.

- Published in BIBLIOTHEEK, Korte berichten, NIEUWS, Varia
Zoetermeerse organisatie herdenkt afschaffing slavernij in Suriname en Nederlandse Antillen en viert rode beschaving – Radjin Thakoerdin

In diverse steden in Nederland zijn er activiteiten in verband met de 159ste viering en herdenking van de afschaffing van de slavernij door Nederland op 1 juli in 1863. Zo ook in Zoetermeer. De Stichting Herdenking Slavernijverleden Zoetermeer (SHSZ) meent dat zo een herdenking niet mag ontbreken in de stad waar zo een 20.000 personen van Surinaamse en Antilliaanse komaf wonen. Op 4 juli organiseerde zij een bijeenkomst ter herdenking en viering van de afschaffing van de koloniale slavernij.

SHSZ-voorzitter Diane Vlet en burgemeester Michel Bezuijen
Herdenking van de rode slaven
Het opvallende aan deze activiteit was dat er naast het slavernijverleden van personen van Afrikaanse komaf, ook nadrukkelijk aandacht was voor de rode slaven, voorouders van de Inheemsen – voorheen Indianen – in Suriname. SHSZ-voorzitter Diane Vlet meent dat de afschaffing van de slavernij ten onrechte als een exclusieve zwarte aangelegenheid wordt gezien. De rode slaven vormen een vergeten hoofdstuk in de geschiedenis. Vele Inheemse tot slaafgemaakten bezweken onder het juk van de zware arbeid waartoe zij gedwongen werden. De SHSZ herinnert de gemeenschap eraan dat de Inheemsen in verzet kwamen en dat er toen in 1686 een vredesverdrag tot stand kwam met de toenmalige gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck. Daarbij werd afgesproken dat de Inheemsen geen slavenarbeid meer hoefden te verrichten. Een ander feit dat de SHSZ memoreert is dat het de Inheemsen waren die de gevluchte Afrikaanse slaven, Marrons, hebben leren overleven in het bos. Op het wapen van Suriname staan twee Inheemsen afgebeeld, maar toch hebben deze oorspronkelijke bewoners altijd een gemarginaliseerde positie gehad. In de zeventiende eeuw leefden er naar schatting 120.000 inheemsen in Suriname. Thans vormen zij een gemeenschap van ongeveer 20.000, verdeeld over negen stammen.

SHSZ-secretaris Muriël Kasimin en Wonny Stüger (kunstenares, inspirator van de plaquette)
“Laat het verleden niet doorleven in het heden.”
Behalve afschaffing van de slavernij, karakteriseerde SHSZ-secretaris Muriël Kasimin de bijeenkomst ook als een viering van de beschaving van de rode slaven. De bijeenkomst vond plaats bij het Castellum Palensteyn in Zoetermeer waar kransen werden gelegd bij de plaquette ‘De Drie Wijzen’, waarop drie vrouwen zijn te zien die hun ketenen verbreken met op de achtergrond slavenhuizen en de tekst “Laat het verleden niet doorleven in het heden” als een verwijzing naar moderne slavernij. Burgemeester Michel Bezuijen en wethouder Ingeborg ter Laak van Zoetermeer waren aanwezig en ze legden ook een krans. Daarna konden de aanwezigen genieten van poëzie, zang, dans, muziek, een Inheems ritueel en kleurrijke klederdrachten.

Namens uitgeverij Sampreshan werden twee exemplaren van het prentenboek Hanna vertelt over slavernij en Hindostaanse contractarbeid aangeboden onder vermelding dat bij een tweede druk de Inheemsen uitdrukkelijk zullen worden genoemd als de oorspronkelijke bewoners van Suriname die ook tot slaaf waren gemaakt.
Hieronder ziet u een impressie van de bijeenkomst.
Foto’s: Radjin Thakoerdin (Sampreshan/Hindorama)
Bekijk de fotogalerie door te klikken op een foto.
- Published in BIBLIOTHEEK, Korte berichten, Migratiegeschiedenis, Nederland, NIEUWS
Recensie De wilde vaart; op zoek naar de veerkracht van Suriname ~ Tessa Leuwsha – Chan Choenni

De coronapandemie die de afgelopen twee jaar woedde, heeft grote negatieve gevolgen voor de economie van verschillende landen gehad. Ook Suriname is dit lot niet gespaard gebleven. Vooral de toerismesector die in de lift zat en voor buitenlandse inkomsten -in Suriname valuta genoemd- zorgde, werd zwaar getroffen. Nu de pandemie grotendeels voorbij is, kan de staat van deze negatieve gevolgen worden opgemaakt. In haar onlangs uitgekomen boek getiteld De wilde vaart geeft schrijfster Tessa Leuwsha inzicht in hoe het de toerismesector in Suriname is vergaan. Zij doet dat aan de hand van haar persoonlijk verhaal. Samen met haar levenspartner, de beeldend kunstenaar Sirano Zalman, en enkele anderen was zij in 2017 mede-eigenaar geworden van het toeristenoord Frederiksdorp. Deze plantage gelegen aan de rechteroever van de Commewijnerivier was opgeknapt en de grotere plantagewoningen -onder meer van de directeur- waren in ere hersteld door de vorige en eerste eigenaar. De plantage werd omgetoverd in een toeristenoord waar men kon logeren en verpozen in de omgeving. Het verblijf was weliswaar prijzig maar men kreeg er kwaliteit voor terug. Frederiksdorp was dan ook een van de beste locaties in Suriname om de sfeer van het oude plantageleven te proeven. Vooral rijkere toeristen uit Nederland logeerden daar. Vanaf de uitbraak in 2020 van corona kwamen echter nauwelijks buitenlandse toeristen meer naar Frederiksdorp. Er waren daardoor weinig inkomsten, terwijl de voorzieningen onderhouden moesten worden. Frederiksdorp ging failliet en op de koop toe ging de boot ‘Bosrokoman’ van Leuwsha en Zalman, waarmee zij samen met toeristen boottochten maakten, ten onder. De nieuwe bootsman had de boot niet goed vastgebonden aan de steiger en de boot was gekiept, zo vertelt Leuwsha in haar boek.

Plantage en toeristenoord Frederiksdorp aan de Commewijnerivier voor uitbraak Coronapandemie. (foto vliegvakantiesuriname.nl)
Leuwsha en Zalman gingen echter niet bij de pakken neerzitten en maakten van de nood een deugd. Met een zogeheten overdekte garnalenboot van 10 meter lang en 1,5 meter breed besloten zij in 2020 een boottocht langs de Commewijne- en de Surinamerivier te maken. Zij deden daarbij bepaalde voormalige bezienswaardige plantages aan om de sfeer te proeven. Het verslag van deze vaartocht gelardeerd met relevante wetenswaardigheden over Suriname is het onderwerp geworden van het boek De wilde vaart. De term wilde is afgeleid van de wilde kust, zoals het Surinaamse kustgebied vroeger werd aangeduid. Tijdens deze vaart gaat Leuwsha op zoek naar de veerkracht van Suriname. Zij beschrijft het land met ‘de overweldigende natuur’ en ‘een levenslustig volk van hosselaars, scharrelaars en marskramers’. Net als veel andere Surinamers heeft Leuwsha gelukkig ook een andere reguliere baan, waardoor zij een basisinkomen heeft en deze tocht kan financieren. Zij is tevens cultureel attaché op de Nederlandse Ambassade in Paramaribo en kon net als veel Surinamers daardoor net de eindjes aan elkaar knopen. Vermeldenswaard is dat Tessa Leuwsha in Amsterdam is geboren. Zij is van gemengde afkomst: haar vader is van Surinaamse en haar moeder van witte Nederlandse afkomst. Leuwsha bezocht Suriname in 1996, omdat zij een opdracht kreeg een reisgids over Suriname samen te stellen. In 1997 verscheen de eerste editie van haar Reishandboek Suriname. Deze uitgave is herzien en onder diverse titels verschenen. Leuwsha raakte echter zo gefascineerd door het land Suriname dat ze zich er vestigde als freelancejournalist. Vervolgens richtte zij met haar levenspartner een toeristisch bedrijf op. Zij vermeldt tevens in dit boek dat de Chinees aandoende familienaam Leuwsha een zogeheten vergissing is. Haar paternale grootvader was geboren op het Caribische eiland St. Lucia en emigreerde naar Suriname. Bij de inschrijving van zijn familienaam begin twintigste eeuw noemde haar grootvader St. Lucia als geboorteland. De betreffende ambtenaar verstond het niet goed. Door een misverstand schreef hij als familienaam Leuwsha op. Sommige ambtenaren wilden destijds niet te veel tijd besteden aan het goed luisteren en het precies opschrijven van ‘vreemde’ familienamen. Zo zijn veel namen, ook Hindostaanse en Javaanse namen toentertijd verkeerd geschreven.
Beladen geschiedenis
Leuwsha en haar levenspartner die overigens een volleerde bootsman is, besloten deze wilde vaart te maken door slechts een deel van Suriname: namelijk het stroomgebied van de Commewijne- en de Surinamerivier. Daar ontstonden de eerste plantages en ter oriëntatie gebruikten zij de kaarten van de cartograaf Cateau van Rosevelt -afgebeeld op pagina’s 53 en 104. Cateau van Rosevelt was tevens de eerste Agent-generaal van de Immigratie. Vanwege zijn humane inborst werd hij vrij populair onder de Hindostaanse contractarbeiders en werd ‘Koeliepapa’ genoemd. Een voorbeeld van een wetenswaardigheid in dit boek is dat Cateau van Rosevelt was getrouwd met zijn voormalige ‘slavin’ aan wie in 1849 op zeventienjarige leeftijd manumissie was verleend. Met deze vrijgekochte vrouw Josephina Leentje Haver kreeg hij zes kinderen.

De wilde vaart is een reisverslag waarbij de beladen geschiedenis van slavernij en contractarbeid, opgesierd met verhalen van lokale bewoners en mythen aan bod komen. Zo vertelt Leuwsha hoe ze zelf op een nacht wakker schrok uit een droom over haar Surinaamse grootmoeder Fansi. Zij zegt daarna tegen haar levenspartner Zalman: ‘We moeten een wasi doen, nú meteen.’ Een wasi (uitgesproken als: wassie) is een Afro-Surinaams ritueel om voorouders te eren en (natuur)goden tevreden te stellen. Er bestaan geen strakke voorschriften. Leuwsha voert dit ritueel samen met Zalman denkend aan haar grootmoeder Fansi uit door water in kalebassen te plengen en flarden van liedjes in het Sranan te zingen. Bijzonder is dat Leuwsha goed oog heeft voor de culturele diversiteit onder Surinamers. Anders dan bij veel schrijvers over Suriname komen de van oorsprong Aziatische bevolkingsgroepen -zoals Hindostanen en Javanen- bij haar wel aan bod. Naast namen als Roy Koorndijk en Arnold Sabajo komen wij Hindostaanse personen als Soenil en Akash en de Javaanse vrouw Miramin tegen in haar boek. Vanaf de Surinaamse kust zakken Leuwsha en Zalman op hun vaartocht eerst de Commewijnerivier af en vervolgens varen zij de Surinamerivier op. Leuwsha observeert een vorm van eigenzinnigheid bij de oeverbewoners –veelal nazaten van mensen die eerder in slavernij of contractarbeid op de voormalige plantages leefden. Zij leven van moestuintjes, visvangst en jacht in een soort parallelle samenleving buiten Paramaribo. Na de plantages Reynsdorp (in het Sranan bekend als Bakkie), Alliance, Frederiksdorp en Nieuw Amsterdam gelegen aan de Commewijnerivier te hebben bezocht, volgen bezoeken aan bepaalde plantages gelegen aan de Surinamerivier. Langs de Surinamerivier stappen zij uit op de plaats Domburg om proviand in te slaan. Veel Surinamers komen in het weekend daar verpozen; er waait een frisse wind en er zijn eettentjes. Domburg ligt namelijk aan de windzijde van Surinamerivier. Daarna bezoeken zij aan de lijzijde de aan de overkant gelegen voormalige plantage Laarwijk. Op Laarwijk is het windstil in de namiddag en kan het er erg heet worden. Leuwsha beschrijft de landerige sfeer daar en de mannen die in de schaduw zitten. Zij wijdt een paragraaf in haar boek aan Rambo, de energieke en tenger gebouwde Hindostaanse sluiswachter. Leuwsha betrekt de actualiteit en beschrijft hoe Rambo verantwoordelijk is voor distributie van de te ontvangen voedselpakketten voor de niet meer dan honderd inwoners van dit gehucht. Dat was vroeger wel anders op deze nostalgische plantage in de vorige eeuw toen daar honderden landbouwers op Laarwijk en de aangrenzende overwoekerde plantages Vreeland en Maagdenburg woonden. Mijn paternale grootvader Mahashay Soekdew Choenni (1893-1972) was daar Lambardár (dorpshoofd). Ik bracht mijn schoolvakanties door op Laarwijk en kan mij de landerige sfeer vanwege de hitte goed herinneren.
De vaartocht aan de rechteroever van de Surinamerivier gaat door naar de Surnaukreek, want bij de bovenloop lag een groot zwampgebied bekend als Kaimangrasi zwamp. Nog voorafgaand aan de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 hadden opstandelingen tegen het koloniale regime onder leiding van de zwarte kapitein Broos, gebruikmakend van de weerbarstige natuur, verzet geboden tegenover de overheersers. Leuwsha vertelt het een en ander over de slavernij en het verzet en daarna over het voormalige leprozengesticht Groot Chatillion dat ook aan de rechteroever van Surinamerivier lag. De aan de linkeroever gelegen voormalige bauxietstad Paranam getuigt van vergane glorie. De vaartocht gaat door naar de voormalige plantage Overbridge dat een vakantieoord is geworden. De wilde vaart van Leuwsha en Zalman eindigt bij de verlaten vestiging Jodensavanne gelegen aan rechteroever van de Surinamerivier. Dit was een van de eerste vestgingen van Joden in Suriname. Om bij de actualiteit te blijven noemt zij ook het nabijgelegen ‘Bouterseland’, een eiland die de voormalige president D. Bouterse zich heeft toegeëigend. ‘Is dit land niet van de staat, hoe komt Bouterse eraan?’ vraagt Leuwsha aan Frank die het eiland ‘beheert’. Zijn antwoord luidt: ‘Als je de baas bent…’

Al met al wordt de lezer meegenomen in een spannende wilde vaart waarbij zowel de geschiedenis als de actualiteit aan bod komt. Dit boek is niet alleen voor Surinamers een aanwinst omdat het nieuwe inzichten verschaft, maar is vooral ook interessant voor witte Nederlanders die meer over Suriname en de geschiedenis willen weten. En vooral degenen die het land willen bezoeken, kunnen er hun voordeel mee doen. In dit verband is het aan te bevelen ook Leuwsha’s reisgids Wereldwijzer Suriname, uitgegeven bij Elmar, te lezen. De Wilde vaart is een vlot geschreven en handzaam boek van 224 pagina’s. Leuwsha heeft een vaardige pen en schrijft in een onderhoudende stijl, waardoor het boek zeer toegankelijk is. Nu de coronapandemie achter de rug is en er hopelijk geen grote uitbraak meer plaatsvindt, kan het toerisme in Suriname hopelijk weer opbloeien. Duurzaam toerisme kan een van de trekpaarden worden van de Surinaamse economie, maar meer dan voorheen moet er aandacht zijn voor kwaliteit in relatie tot de prijs.
Tessa Leuwsha, De wilde vaart; op zoek naar de veerkracht van Suriname, Amsterdam/Antwerpen: uitgeverij Augustus/Atlas contact, 2022, 224 pagina’s. Prijs: 22,99 euro
- Published in BIBLIOTHEEK, CULTUUR, Korte berichten, Nederland, NIEUWS, Suriname, Taal & Literatuur
Drukbezochte Duo Lezing Over Suriname – Forum Bibliotheek Zoetermeer
Op zondag 26 juni gaven professor Chan Choenni en historicus Eric Kastelein lezingen over respectievelijk de geschiedenis van Hindostanen 1873-2015 en het herinneringserfgoed in Paramaribo. De oproep in diverse Zoetermeerse kranten heeft gewerkt, want de opkomst met meer dan 65 belangstellenden (waaronder jongeren) was zeer groot. Aanwezig was ook Rehana Lalmahomed, auteur van het dubbel prentenboek Hanna vertelt over de slavernij en over de Hindostaanse immigratie. Uitgever Radjin Thakoerdin sloot de middag af waarna kon worden nagepraat in café Max in de bibliotheek. Een foto impressie.
Foto’s: Safoera Sheik-Zahoeri en Radjin Thakoerdin
Bekijk de fotogalerie door te klikken op een foto.
- Published in BIBLIOTHEEK, Korte berichten, Migratiegeschiedenis, Nederland, NIEUWS
Terugblik première film Aaj Tera Kal Mera Zamaana – Bina Makhan

Ik heb in deze film een bijrol als Gaitrie en heb de film net als de andere spelers niet eerder gezien.

Widjai Jiawan (2e van links), Chan Choenni ~ Meester Dukhraj, Bina Makhan ~ Gaitrie en Ryan Haripersad
Ik heb geen ervaring in de filmwereld en vind het heel spannend hoe ik op de grote doek overkom. Manu Sharma en Widjai Jiawan hebben mij vaak voor hun televisieprogramma’s van Sarnami TV gevraagd om mijn mening over verschillende onderwerpen in discussie- of interviewverband te geven. Toen zij mij en mijn echtgenoot drie jaar geleden vroegen om een rol te spelen in de film die zij graag wilden maken, hebben wij geen moment getwijfeld aan de goede bedoelingen van dit creatieve echtpaar. Het hoofdthema van de film zou zijn de erfenis van de senior Dukhraj (de rol die mijn echtgenoot kreeg) en alle perikelen eromheen.
Op vrijdag 17 juni zag ik het resultaat in Kinepolis Leidschendam. Ik moet bekennen dat ik de hele film spannend vond en was benieuwd naar hoe de ontwikkelingen zich ontvouwden. Alle acteurs zijn amateurs maar hebben in alle redelijkheid iets moois neergezet. Gaitrie was een beetje nerveus bij het eerste gesprek met Dukhraj. Dat was goed te zien. Maar de scenes daarna gaven een meer ontspannen sfeer weer en overtuigen dat Dukhraj zijn eigen weg in had geslagen met zijn vriendin.

Sarina Gajadharsing ~ Virginia

Ismael Assissi ~ Youssef (‘Loverboy’)
De drie hoofdrollen van Dukhraj, Nanda en Shirley kwamen goed uit de verf. En alle bijrollen werden mooi vertolkt. En passant werd het thema van de vooroordelen jegens Marokkaanse Nederlanders meegenomen.
Op een aangename manier zijn de problemen van de senioren binnen de Hindostaanse gemeenschap aangekaart die worstelen met eenzaamheid, hebzucht van de erfgenamen, vooroordelen jegens andere bevolkingsgroepen en het overdragen van culturele waarden en normen.
Deze film is de moeite waard om gezien te worden en leent zich ook als programmaonderdeel voor themadagen. Ga dit zien en wees getuige van een nieuwe generatie Hindostanen die het durven om via dit medium een boodschap over te brengen.
Productie en regie: Widjai Jiawan
Casting Directeur: Manu Sharma
Scriptschrijver: Rabin Gangadin
Cast:
Shalini Rai – Nanda | Chan Choenni – Meester Dukhraj | Preetanji Rai – Shirley | Ismael Assissi – Youssef | Berry Damrie – Soeres | Sarina Gajadharsing – Virginia | Aniel Paragh – Sjamie | Rajni Ghiraw – Carla | Melvin Rostamkhan – Naushad | Binarai Makhan – Gaitrie | Radjesh Jagernath – Sukhdew | Anju Biseswar – Nora | Chan Ramlal – Wethouder S.J.Ganpatlal | Lalita Jagoe – Josefien | Raoul Mahboeb –Hans | Ashaniya Rai – Francis | Neal Mohabir – Neal | Nikhil Mohabir – Nikhil | Annemiek Toet – Secretaresse | Angelique Jiawan – Klant in de boetiek | Rajveer Thakoersing – zanger

- Published in BIBLIOTHEEK, Korte berichten, Nederland, NIEUWS
Hindostaans-Surinaamse speelfilm Aaj Tera Kal mera Zamaana – Een dag voor jou, een dag voor mij
Première 17 juni 2022 18.00 uur
Kinepolis Mall of the Netherlands Leidschendam

De drie in Nederland geboren Hindostaanse schoondochters van de gepensioneerde leraar Dukhraj uit Suriname azen op het bezit van hun schoonvader. Dukhraj heeft in Nederland een vermogen opgebouwd en de drie dames laten geen kans liggen om zijn eigendommen in handen te krijgen. Zij werken elkaar echter tegen. Ondertussen blijkt lievelingskleindochter Shirley stiekem een relatie te hebben met de Marokkaan Youssef. Accepteert de hindoefamilie een moslim in hun familie? Doorstaat hun liefde de culturele en religieuze verschillen ? Lukt het schoondochters om hun schoonvader financieel uit te kleden? Dan blijkt Dukhraj zijn dementerende echtgenote te hebben verruild voor de jongere onderneemster Gaitrie. Hoe vergaat het de familie nu deze nieuwe liefde in beeld komt? De film is spannend en snijdt eigentijdse problemen aan in de migrantengemeenschap in Nederland. Meer informatie over de film:
https://www.facebook.com/ATKMZdefilm
De Surinaams-Hindostaanse gemeenschap in Nederland telt circa 175.000 personen. Dat is ongeveer 1% van de Nederlandse bevolking. Hindostanen zijn echter minder bekend en minder zichtbaar. Zij worden beschouwd als goed geïntegreerd in Nederland. De film ‘Aaj Tera Kal Mera Zamaana’ – Een dag voor jou Een dag voor mij is een Nederlandstalige productie van Nederlandse bodem met Surinaams-Hindostaanse acteurs en heeft als thema: relatie ouder-kinderen en tradities versus modernisering.
Productie en regie: Widjai Jiawan
Cast:
Shalini Rai – Nanda | Chan Choenni – Meester Dukhraj | Preetanji Rai – Shirley | Ismael Assissi – Youssef | Berry Damrie – Soeres | Sarina Gajadharsing – Virginia | Aniel Paragh – Sjamie | Rajni Ghiraw – Carla | Melvin Rostamkhan – Naushad | Binarai Makhan – Gaitrie | Radjesh Jagernath – Sukhdew | Anju Biseswar – Nora | Chan Ramlal – Wethouder S.J.Ganpatlal | Lalita Jagoe – Josefien | Raoul mahboeb –Hans | Ashaniya Rai – Francis | Neal Mohabir – Neal | Nikhil Mohabir – Nikhil | Annemiek Toet – Secretaresse | Angelique Jiawan – Klant in the boetiek | Rajveer Thakoersing – zanger
Kaarten zijn online te bestellen bij Kinepolis Leidschendam, zaal 7 en op 17 juni te koop bij de bioscoop.
htpps://kinepolis.nl/films/aaj tera kal mere zamaana
Kinepolis Leidschendam, Kornoelje 118, winkelcentrum Westfield. Gratis Parkeren.
- Published in BIBLIOTHEEK, Korte berichten, Nederland, NIEUWS
Opgroeien in het etnisch gesegregeerde Mauritius – Walter Palm

Inleiding
Opgroeien op een eiland waar twee bevolkingsgroepen volstrekt gescheiden van elkaar leven dat is het onderwerp van de schitterende roman Silent Winds, Dry Seas (2021). Het is het glorieuze debuut van de op Mauritius geboren auteur Vinod Busjeet. De hoofdfiguur is de in 1949 geboren Hindostaanse jongen Vishnu Bhushan, die in de tweede helft van de twintigste eeuw opgroeit in de toenmalige Britse kolonie Mauritius. Er zijn daar twee bevolkingsgroepen Creolen en Hindostanen. De Creolen zijn afstammelingen van tot slaafgemaakten die werkten op de suikerplantages. De Hindostanen zijn nakomelingen van contractarbeiders uit India die in de landbouw de plaats innamen van de Creolen toen de slavernij werd afgeschaft. Het zijn twee parallelle werelden op één eiland.
De eerste Bhushan is in 1853 uit India op Mauritius aangekomen. Na voltooiing van zijn vijfjarige contractperiode vestigde hij zich in de door Creolen gedomineerde stad Mahébourg, aan de zuidoost kust van Mauritius.

Film Wan Pipel
Interetnische liefdesrelaties en alcoholmisbruik
Net als in de prachtige film Wan Pipel (1976) van de Surinaamse regisseur Pim de la Parra worden interetnische liefdesrelaties in Mauritius niet getolereerd. Vishnu begeleidt zijn aangetrouwde Tante Ranee naar het naburige gehucht Madame Lolo waar haar geadopteerde broer Oom Karan samenwoont met een zwarte vrouw. Tante Ranee probeert haar broer over te halen om zijn vrouw in de steek te laten maar de poging mislukt omdat Oom Karan inmiddels vader is geworden van zijn dochter Sapna. Als Sapna’s moeder overlijdt, wordt Sapna liefdevol opgevoed door dezelfde Tante Ranee, maar later pleegt Sapna zelfmoord. Het zou kunnen dat Sapna als product van een interetnische relatie in deze etnisch gesegregeerde samenleving, door geen van de twee bevolkingsgroepen wordt geaccepteerd, maar de schrijver gaat niet in op de redenen van haar zelfmoord. Een jaar na de dood van Sapna overlijdt oom Karan aan levercirrose als gevolg van overmatig alcoholgebruik.
Levercirrose veroorzaakt door alcoholmisbruik is ook de doodsoorzaak van een andere oom van Vishnu, namelijk Oom Ram. Deze oom had simultaan twee vrouwen. Een officiële Hindostaanse vrouw na een gearrangeerd huwelijk en een Creoolse vrouw waarmee hij niet kon trouwen want ‘she would make our blood impure’ volgens zijn familie. In 1945 raasde een alles verwoestende orkaan door zijn hart, toen zijn beide vrouwen overleden. De een aan malaria en de ander bij de bevalling van hun eerste kind. Deze innerlijke orkaan was een onheilspellende voorbode van orkanen die het eiland zouden treffen. Orkanen die als een zwaard van Damocles boven het eiland hangen. Orkanen die je kunt horen, ruiken en voelen als de wind je omverblaast. In februari 1960 waait Carol, een orkaan van de vierde categorie, het voorste gedeelte van het dak van Vishnu’s ouderlijk huis weg.

De auteur Vinod Busjeet
Interetnische spanningen en onafhankelijkheid
Net als in Suriname speelt ook in Mauritius de vrees van overheersing van de ene bevolkingsgroep over de ander als in de jaren zestig op dat eiland de discussie over onafhankelijkheid losbarst. Waren in Suriname in de jaren zeventig de Hindostanen bevreesd voor dominantie door de Creolen na de onafhankelijkheid, op Mauritius zijn de Creolen bang dat als de Britten weg zijn, de Hindostanen de baas gaan spelen, want zij zijn numeriek in de meerderheid op Mauritius: ‘Hindus will force everyone to wear the dhoti’. Bij een werkbezoek van president Santokhi aan Nederland demonstreerden Creolen die van mening zijn dat Hindostanen de macht nu hebben overgenomen in Suriname. In mei 1965 moet de politie eraan te pas komen, en later zelfs het Britse leger, namelijk de legendarische Coldstream Guards, om de rassenrellen te beteugelen. Kort voor de onafhankelijkheid van Mauritius op 12 maart 1968, vinden er in januari 1968 nog ernstiger rellen plaats tussen Creolen en Hindostanen. Vielen in 1965 drie doden te betreuren, in 1968 was dat het tienvoudige.
Ook op politiek niveau is er segregatie. De door Hindostanen gedomineerde Labour Party is voorstander van onafhankelijkheid, de Parti Mauricien Social Démocrat (PMSD) van de Creolen is ertegen. De oprichter van de Labour Party was dr. Maurice Curé die gratis behulpzaam was geweest bij de geboorte van Vishnu.
De discussie over onafhankelijkheid leidt ook in de familiekring tot fricties. Onenigheid over onafhankelijkheid leidt tot een vechtpartij tussen de twee Creoolse broers Kalipa en Fringant. Kalipa is met zijn rode T-shirt van de Labour party en Fringant in zijn blauwe van de PMSMD. Nadat zij hun T-shirts hebben uitgetrokken gaan ze met ontbloot bovenlijf als gladiatoren in het Colosseum elkaar op straat te lijf met harpoenen. Omstanders vinden het Kaïn tegen Abel, of Mohammed Ali versus Sony Liston. Als een harpoen toevallig terecht komt bij de voet van hun vader die net kwam aanlopen, is het gauw gedaan met de ruzie.
Erfenissen en familiegeheimen
Niet alleen discussies over onafhankelijkheid maar ook verdeling van erfenissen en familiegeheimen leiden tot heftige familieruzies. Na het overlijden van Oom Ram betwist Shiv Bhushan, Vishnu’s vader, de verdeling van de erfenis. Hij vindt dat het pertinent niet kan dat de grond van zijn ouders naar tante Ranee, de weduwe van Oom Ram, gaat. Deze grond moet immers in de familie blijven. En bovendien Ram is geen broer, zoals iedereen dacht, maar slechts een neef. Dus heeft hij niet het recht om de erfenis van Shivs ouders, te verdelen.
Familie Bhushan spreekt er schande van dat Shiv dit familiegeheim prijsgeeft om zijn erfdeel op te eisen.
Familiegeheimen zijn er in overvloed. Zo bekent Vishnu’s moeder aan Vishnu dat zij eerder verloofd is geweest met Amar, een jongere broer van Shiv. Deze broer is in dienst getreden van het Britse koloniale leger en is in Palestina opgeblazen in het laatste jaar dat Palestina een Brits mandaatgebied was. Ansichtkaarten in zwart-wit uit Palestina, zoals Port Said, Haifa en Bethlehem, die Amar liefdevol had verstuurd naar Vishnu’s moeder, waaien nadat de orkaan Carol had huisgehouden, ontzield rond in de tuin. Voordat Amar naar Palestina vertrok, verkocht hij zijn aandeel in de familieplantage die hij geërfd had van Shivs ouders, aan Oom Ram. Het is deze transactie die na het overlijden van Oom Ram leidt tot het heftige dispuut over de erfenis.
De familiereünie over de erfkwestie leidt niet tot een oplossing want Shiv weigert in te gaan op het compromisvoorstel om het land van Ram in gelijke delen te verdelen tussen hem en Tante Ranee. Het loopt bijna uit op een vechtpartij tussen Vishnu’s vader en de forsgebouwde Oom Mohan die een veelbelovende carrière bij de koloniale politie was misgelopen omdat hij in een dronken bui een Britse politie-inspecteur had beledigd en uit eergevoel had geweigerd om openlijk zijn excuses aan te bieden waarna hij ontslagen werd.
Na de mislukte bespreking over de verdeling van de erfenis wordt Vishnu ziek. Gespeculeerd wordt dat hij slachtoffer is geworden van de voodoo die eigenlijk bedoeld was voor zijn vader. Er zou door Tante Ranee geofferd zijn bij Hanuman met een zwarte kip. Anderen verwezen als verklaring naar het leergierig karakter van Vishnu: ‘Too much reading has worn out his brains’. Tijdens zijn zenuwinzinking hallucineert Vishnu over een film die ook interetnische spanningen tot onderwerp heeft, namelijk West Side Story (1957) en fantaseert hij dat hij Natalie Wood, de steractrice in deze film, ontmoet.
Emigratie en cultuurschok
Films zijn een van de schaarse amusementen in het eentonige bestaan op dit doodsaaie agrarische eiland. De mannen ploeteren onder de meedogenloze zon op de suikerplantages of varen uit om te vissen waarbij zij zomaar verzwolgen konden worden in een storm, zoals een keer bevreesd werd voor Kalipa en Fringant. De vrouwen zijn thuis en doen het huishouden. De kinderen gaan naar school. Sommige kinderen moeten zowel voor als na de schooltijd meehelpen op de suikervelden, zoals Shankar, Vishnu’s neef. Om te ontsnappen aan de ‘sugarcane hell’ zoals Shankar dat zelf noemt, solliciteert hij na het behalen van zijn Cambridge School Certificate, naar een betaalde opleidingsplaats voor verpleegkundige bij een opleiding in het Verenigd Koninkrijk. Hij wordt aangenomen maar na heftig verzet van zijn vader, Oom Roshan, gaat hij toch niet. Zijn vader is bang dat niemand hem zo goed kan helpen als Shankar bij het verbouwen van suiker en tomaten. Shankar erft vrijwel niets van zijn vader. De bankrekeningen gaan naar zijn zussen en de beste landbouwgrond naar zijn broer.
Met de nodige bijlessen van zijn vader, slaagt de ambitieuze Vishnu er als eerste in, om als leerling van de lagere school van Mahébourg toegelaten te worden tot de Royal College Curepipe, de prestigieuze middelbare school op Mauritius die gemodelleerd is naar Buckingham Palace. Bij het eindexamen eindigt hij op de lijst van best geslaagde leerlingen op de vierde plaats, maar hij krijgt toch niet de felbegeerde Gemenebest-beurs om in het Verenigd Koninkrijk te studeren. De beurs gaat naar Sharmila, de nicht van een minister, die veel minder mooie punten had dan Vishnu. Ook een beurs van de Franse regering om in Parijs of Nice te studeren, loopt om onduidelijke redenen spaak. Shiv probeert op alle mogelijke manieren het besluit over de Gemenebest-beurs, wat een lokale verantwoordelijkheid is, terug te draaien, maar het lukt niet. ‘Those who thought Mauritius was granted independence prematurely by the British were right’ zei zijn vader. ‘Nepotism and corruption’ voegde hij eraan toe ter verduidelijking.
Het zit Shiv niet mee want in hoger beroep heeft hij na een paar succesvolle rechtszaken toch de rechtszaak over de erfenis van Oom Ram verloren, en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. Op verzoek van Vishnu’s moeder brengt Vishnu het bedrag naar de advocaat van de tegenpartij, want Shiv is daar te trots voor. Het betekent wel dat Shiv echt geen geld heeft om een studie in het buitenland voor Vishnu te bekostigen. Vishnu moet genoegen nemen met een studiebeurs voor de universiteit van Madagaskar.
Na met glans zijn studie aan de universiteit van Madagaskar voltooid te hebben krijgt Vishnu een studiebeurs van de Yale University en vertrekt hij in augustus 1971 naar Amerika. Daar wacht hem een cultuurschok. In het gastgezin waar hij verblijft voor de colleges beginnen, de familie Tucker, helpt de vader mee met koken. Dit is echt heel heftig voor Vishnu want net als zijn vader heeft hij nooit de tafel afgeruimd, borden gewassen, laat staan gekookt.
Toen hij opgroeide had hun buurvrouw mevrouw Kajal Desai, meer interesse voor literatuur dan voor koken. Als haar echtgenoot meneer Desai ontevreden was over de maaltijd die zij hem voorschotelde, wat frequent het geval was, dan sloeg hij haar in elkaar. Kajals moeder vertelde aan Vishnu’s moeder dat ze regelmatig haar man had gewaarschuwd dat ‘too much education is not good for girls; they lose respect for our traditions’. Met mevrouw Kajal liep het slecht af. Op een dag werd ze kronkelend van pijn en met schuim rond haar mond, door Vishnu aangetroffen. Zij werd met spoed naar het ziekenhuis gebracht maar het mocht niet meer baten. De dokter verklaarde dat ze azijnzuur had gedronken. De rechter stelde later vast dat ze zelfmoord gepleegd had.
Vishnu kan zijn oren niet geloven dat bij Yale University studenten hun professor bij de voornaam noemen en met verbazing ziet hij dat in Amerika witte mensen banen verrichten die in Mauritius worden gedaan door gekleurde personen. Met opperste verbazing ziet hij hoe in de keuken van de campus een zwarte manager opdrachten geeft aan witte medewerkers. Dat zou ondenkbaar zijn in Mauritius waar de huidskleur de maatschappelijke positie bepaalt. Toen Vishnu’s moeder een keer aan de jongere zussen van haar man vroeg om haar te helpen met het vegen van bladeren in de tuin, kreeg ze later de wind van voren van haar schoonbroers; “How will they find suitable husbands if they turn dark laboring in the sun?” zei één van hen verontwaardigd.

Slot
Silent Winds, Dry Seas schetst een indringend beeld van het opgroeien in het etnisch gesegregeerde Mauritius. Een samenleving waar alcoholmisbruik vaak voorkomt. Zelfmoord, zoals beschreven in Azijn in mijn aderen (2012) van Orchida Bachnoe, is ook geen onbekend verschijnsel. Het is ook een samenleving van waaruit Hindostaanse jongeren vurig willen emigreren zodat ze een beter toekomstperspectief hebben en zij kunnen ontsnappen aan het knellend keurslijf van gearrangeerde huwelijken en het benauwend kastestelsel. Tegelijkertijd gaat de roman niet voorbij aan de cultuurschok die Vishnu onderging in Amerika.

- Published in BIBLIOTHEEK, CULTUUR, Korte berichten, Migratiegeschiedenis, Nederland, NIEUWS, Taal & Literatuur
Growing up in ethnically segregated Mauritius – Walter Palm

Introduction
Growing up on an island where two ethnic groups live completely separated from each other is the subject of the brilliant novel Silent winds, dry seas (2021). It is the glorious debut of Mauritian-born author Vinod Busjeet. The main character is the Hindu boy Vishnu Bhushan, born in 1949, who grows up in the second half of the 20th century in the then British colony of Mauritius. There are two population groups there, Creoles and Hindostanis. The Creoles are descendants of enslaved people who worked on the sugar plantations. The Hindostanis are descendants of Indian indentured labourers who replaced the Creoles in agriculture when slavery was abolished. They are two parallel worlds on one island.
The first Bhushan arrived in Mauritius from India in 1853. After completing his five-year contract, he settled in the Creole-dominated town of Mahébourg, on the south-east coast of Mauritius.

Film Wan Pipel
Interethnic love affairs and alcohol abuse
Just as in the beautiful film Wan Pipel (1976) by the Surinamese director Pim de la Parra, interethnic love relationships are not tolerated in Mauritius. Vishnu accompanies his in-law Aunt Ranee to the neighbouring hamlet of Madame Lolo where her adopted brother Uncle Karan is living with a black woman. Aunt Ranee tries to persuade her brother to abandon his wife but the attempt fails because Uncle Karan has become the father of his daughter Sapna. When Sapna’s mother dies, Sapna is lovingly raised by the same Aunt Ranee, but later Sapna commits suicide. It could be that Sapna, as the product of an inter-ethnic relationship in this ethnically segregated society, is not accepted by either ethnic group, but the author does not elaborate on the reasons for her suicide. A year after Sapna’s death, Uncle Karan dies of cirrhosis of the liver caused by excessive alcohol consumption.
Liver cirrhosis caused by alcohol abuse is also the cause of death of another uncle of Vishnu, namely Uncle Ram. This uncle had two wives simultaneously. An official Hindu woman after an arranged marriage and a Creole woman whom he could not marry because ‘she would make our blood impure’ according to his family. In 1945, a devastating hurricane raced through his heart when both his wives died. One of them died of malaria and the other while giving birth to their first child. This inner hurricane was an ominous harbinger of hurricanes that would hit the island. Hurricanes that hung over the island like a sword of Damocles. Hurricanes that you can hear, smell and feel when the wind blows you over. In February 1960, Carol, a fourth category hurricane, blew away the front part of the roof of Vishnu’s childhood home.

Author Vinod Busjeet
Inter-ethnic tension and independence
In Mauritius, as in Suriname the fear of domination by one population group over another plays a role when, in the 1960s, the debate on independence erupts on the island. Whereas in Suriname, in the 1970s, Hindostanis feared domination by the Creoles after independence, on Mauritius the Creoles are afraid that, once the British have left, the Hindostanis will take control, for they are in the numerical majority on Mauritius: ‘Hindus will force everyone to wear the dhoti’. On an official visit of the current president of Suriname, Mr. Santokhi, to the Netherlands Creole demonstrators claimed that Hindostanis took control of Suriname. In May 1965 the police, and later even the British army, the legendary Coldstream Guards, had to be called in to quell the race riots on Mauritius. Shortly before the country’s independence on 12 March 1968, even more serious riots took place between Creoles and Hindostanis. While three people were killed in 1965, the figure was tenfold in 1968.
Segregation also occurred at the political level. The Hindostani-dominated Labour Party is in favour of independence, the Creole Parti Mauricien Social Démocrat (PMSD) is against. The founder of the Labour Party was Dr Maurice Curé, who had assisted at Vishnu’s birth free of charge.
The discussion on independence also leads to friction in the family circle. Disagreement over independence leads to a brawl between the two Creole brothers Kalipa and Fringant. Kalipa in his red T-shirt is from the Labour party and Fringant in his blue one from the PMSMD. After taking off their T-shirts, they go bare-chested and harpoon each other in the street like gladiators in the Colosseum. Bystanders think it is Cain versus Abel, or Muhammad Ali versus Sony Liston. When a harpoon accidentally ends up on the foot of their father who had just turned the corner, the fight is soon over.
Inheritances and family secrets
Not only discussions about independence, but also division of inheritances and family secrets lead to fierce family quarrels. After the death of Uncle Ram, Shiv Bhushan, Vishnu’s father, disputes the division of the inheritance. He feels that it is out of the question that his parents’ land should go to Aunt Ranee, Uncle Ram’s widow. After all, this land should remain in the family. And besides, Ram is not a brother, as everyone thought, but only a cousin. So he has no right to divide the inheritance of Shiv’s parents.
The Bhushan family is outraged that Shiv is giving away this family secret to claim his inheritance. Family secrets are abundant. For instance, Vishnu’s mother confesses to Vishnu that she was previously engaged to Amar, a younger brother of Shiv. This brother enlisted in the British colonial army and was blown up in Palestine in the last year that Palestine was a British Mandate. Postcards in black and white from Palestine, such as Port Said, Haifa and Bethlehem, which Amar had lovingly sent to Vishnu’s mother, were blowing around in the garden after Hurricane Carol had hit the island. Before Amar left for Palestine, he sold his share in the family plantation inherited from Shiv’s parents to Uncle Ram. It is this transaction that leads to the heated dispute over the inheritance after Uncle Ram’s death.
The family reunion over the inheritance issue does not lead to a solution as Shiv refuses to accept the compromise proposal of dividing Ram’s land in equal parts between him and Aunt Ranee. It almost ends in a scuffle between Vishnu’s father and the fatuous Uncle Mohan, who had missed out on a promising career in the colonial police because he had drunkenly insulted a British police inspector and had refused to apologise openly out of honour, after which he was sacked.

After the failed discussion on the division of the inheritance, Vishnu falls ill. It is speculated that he has fallen victim to the voodoo that was actually meant for his father. A black chicken was said to have been offered to Hanuman by Aunt Ranee. Others referred to Vishnu’s studious nature as an explanation: ‘Too much reading has worn out his brains’. During his nervous breakdown, Vishnu hallucinated about a film that also dealt with inter-ethnic tensions, namely West Side Story (1957) and fantasised about meeting Natalie Wood, the star actress in this film.
Emigration and culture shock
Films are one of the rare amusements in the monotonous existence on this dull agricultural island. The men toil under the relentless sun on the sugar plantations or sail out to fish, where they could be swallowed up in a storm, as once feared by Kalipa and Fringant. The women are at home, doing the housework. The children go to school. Some children have to help in the sugar fields both before and after school, like Shankar, Vishnu’s nephew. To escape the ‘sugarcane hell’, as Shankar calls it, he applies for a paid position as a nurse at a training college in the UK after graduating from Cambridge School Certificate. He is accepted but after strong resistance from his father, Uncle Roshan, he does not go. His father is afraid that no one can help him as much as Shankar in cultivating sugar and tomatoes. Shankar inherits almost nothing from his father. The bank accounts go to his sisters and the best agricultural land to his brother.
With the necessary tutoring from his father, the ambitious Vishnu is the first student from the primary school of Mahébourg to be admitted to the Royal College Curepipe, the prestigious secondary school in Mauritius modelled on Buckingham Palace. At the final examination, he finished in fourth place on the list of best-successful pupils, but he was not awarded the coveted Commonwealth Scholarship to study in the UK. The scholarship goes to Sharmila, the niece of a minister, who had much lower marks than Vishnu. A scholarship from the French government to study in Paris or Nice also fails for reasons that are unclear. Shiv tries in every way possible to reverse the decision on the Commonwealth scholarship, which is a local responsibility, but to no avail. Those who thought Mauritius was granted independence prematurely by the British were right,’ said his father. ‘Nepotism and corruption’, he added by way of explanation.
Things are not going well for Shiv who, after a few successful appeals, has lost the case on Uncle Ram’s inheritance and is ordered to pay the legal costs. At the request of Vishnu’s mother, Vishnu takes the money to the other party’s lawyer, as Shiv is too proud to do so. It does mean that Shiv really has no money to pay for a study abroad for Vishnu. Vishnu has to settle for a scholarship to the University of Madagascar.
After successfully completing his studies at the University of Madagascar, Vishnu gets a scholarship from Yale University and leaves for America in August 1971. A culture shock awaits him there. In the host family where he stays before the start of his lectures, the Tucker family, the father helps with the cooking. This is really intense for Vishnu because like his father, he has never cleared the table, washed plates, let alone cooked.
When he was growing up, their neighbour, Mrs. Kajal Desai, was more interested in literature than cooking. If her husband, Mr Desai, was dissatisfied with the meal she served him, which was often the case, he would beat her up. Kajal’s mother told Vishnu’s mother that she had regularly warned her husband that ’too much education is not good for girls; they lose respect for our traditions’. Mrs Kajal fared badly. One day, she was found by Vishnu writhing in pain and foaming at the mouth. She was rushed to hospital but to no avail. The doctor stated that she had drunk acetic acid. The judge later established that she had committed suicide.
Vishnu could not believe his ears that at Yale University students called their professors by their first names and with amazement he saw that in America white people did jobs that in Mauritius were done by coloured people. It is with utter amazement that he sees a black manager giving orders to white employees in the kitchen of the campus. This would be unthinkable in Mauritius where skin colour determines social position. Once, when Vishnu’s mother asked her husband’s younger sisters to help her sweep leaves in the garden, she was given a hard time by her brothers-in-law. “How will they find suitable husbands if they turn dark labouring in the sun?” said one of them indignantly.

Closing
Silent winds, dry seas paints a penetrating picture of growing up in ethnically segregated Mauritius. A society where alcohol abuse is common. Suicide, as described in Vinegar in My Veins (2012) by Orchida Bachnoe, is also not an unknown phenomenon. It is also a society from which Hindostani youngsters fervently want to emigrate so that they will have better prospects for the future and escape the straitjacket of arranged marriages and the oppressive caste system. At the same time, the novel does not ignore the culture shock that Vishnu underwent in America.

- Published in BIBLIOTHEEK, CULTUUR, Korte berichten, Migratiegeschiedenis, Nederland, NIEUWS, Taal & Literatuur
Surinaamse kiezers en het verlosserssyndroom – Hans Ramsoedh

Surinaamse politici hebben een zeer lange houdbaarheidsdatum. Zij verbinden ongeacht de verkiezingsuitslag geen consequenties aan hun politiek leiderschap. Van oud-premier Jopie Pengel (premier tussen 1963 en 1969) en politiek leider van de Creoolse Nationale Partij Suriname (NPS) is de veel bekritiseerde uitspraak ‘alleen ziekte en dood kunnen mij van deze zetel [premierschap] verwijderen’. Jagernath Lachmon bleef gedurende zijn gehele politieke loopbaan (1949-2001) politiek leider van de Hindostaanse Vooruitstrevende Hervormingspartij (VHP). Surinaamse politieke leiders beschouwen het voorzitterschap van de partij als hun persoonlijk bezit. Inmiddels kunnen we ook Desi Bouterse in het rijtje scharen van politici met een lange houdbaarheidsdatum. Hij is herhaalde malen afgeschreven, maar steeds weer slaagt hij erin uit de politieke dood te herrijzen. Wat deze politici met elkaar gemeen hebben is dat zij zich beschouwen als verlosser en verzorger van hun achterban. Cliëntelisme (kiezers ondersteunen in ruil voor hun stem) en patronage (gunsten verlenen) zijn daarbij instrumenten voor politieke leiders om de achterban aan zich te binden. Als gevolg van deze politieke cultuur is er bij de bevolking sprake van een verlosserssyndroom hetgeen inhoudt dat zij alle hoop heeft gevestigd op een politiek leider die haar problemen oplost.
In deze bijdrage ga ik in op de wijze waarop het verlosserssyndroom bij de Surinaamse kiezers mogelijk kan leiden tot de zoveelste politieke reanimatie van Desi Bouterse en zijn Nationale Democratische Partij (NDP), ook wel de paarse partij genoemd (naar paars als partijkleur).
Reanimatie van de rattenvanger
Bouterse en zijn partij leken na de verkiezingsnederlaag in mei 2020 afgeschreven. Zijn regering had in de periode 1980-1987, 1990-1991, 1996-2000 en 2010-2020 een gerampaneerd land achtergelaten, een moreel en economisch failliet Suriname, de erosie van instituten, de ondergraving van maatschappelijk vertrouwen, van de rechtsstaat en van de democratie, het leegroven van de Centrale Bank, de aanwending van de staatsmacht om zichzelf en zijn vertrouwelingen te verrijken en het land achterlatend met een staatsschuld van circa vier miljard USD in 2020. Na de verkiezingen in mei 2020 schreef het Surinaamse dagblad De Ware Tijd in een redactioneel commentaar over Bouterse en de NDP: ‘Grote leiders weten wanneer het tijd is om met gevoel van zelfrespect de aftocht in te zetten. Voor de NDP-kliek moet dan ook gelden: nooit meer aan de macht want daar zijn geen grote leiders!’ (redactioneel commentaar Verschroeide aarde, 25 juli 2020).
Het is echter te vroeg om Bouterse en zijn NDP af te schrijven. Deze partij leed een gevoelig verlies in 2020 maar is met zestien zetels de tweede grote partij in Suriname en is daarmee nog steeds een machtsfactor van betekenis. Bouterse is in 2019 tijdens zijn presidentschap door de Krijgsraad veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf echter zonder dat directe gevangenneming werd geëist. Tegen het vonnis van de Krijgsraad tekende Bouterse verzet aan. Ondanks zijn veroordeling waant Bouterse zich in een onaantastbare positie. ‘Kom me maar halen als je durft’ is zijn devies of zoals hij op een politieke bijeenkomst in januari 2020 in Coronie zei: ‘Mi taygi yu eerlijk. Den man no man sroto mi. Echte, echte, echte. Den no man. A no bigi mi du’ [Ik zeg het je eerlijk, ze gaan mij nooit kunnen opsluiten. Echt niet. Het gaat ze niet lukken. Dit is geen grootspraak].

Olieverfschilderij Tassen vol armoede (1982) van de kunstenaar Ramon Bunsee (1935-2005)
Wie gedacht had dat het na mei 2020 exit Bouterse was vergist zich. Daar was hij namelijk opeens rond 25 februari jl. Een dag eerder bracht hij, omringd door partijgenoten en een enorme publieke belangstelling, als de rattenvanger van Hamelen, een bezoek aan de binnenstad van Paramaribo. Op 25 februari volgde een kranslegging bij het Monument van de Revolutie waarbij hij zijn toehoorders voorhield dat Suriname door het beleid van de huidige regering afstevende op de hel. Het was de bekende strategie van hem en zijn partij: eerst zelf de hel veroorzaken en vervolgens anderen de schuld toeschuiven oftewel a no mi, na den trawan [het is niet onze schuld, maar de schuld van anderen] en neks no fout [er is niets aan de hand]. Een dag later volgde een grote politieke manifestatie in het NDP-partijcentrum OCER die werd bijgewoond door enkele duizenden paarse volgelingen. Op zich is deze grote opkomst niet verrassend aangezien mensen uit het gehele land gratis met bussen naar OCER werden vervoerd en voedsel en drank overvloedig en vrij beschikbaar waren. Desalniettemin zou deze massale paarse opkomst een signaal moeten zijn voor de regering-Santokhi. Voor de mofina wan [de allerarmsten] geldt nu eenmaal de uitspraak van de Duitse schrijver Bertolt Brecht Erst kommt das Fressen dann kommt die Moral.
We zagen echter op 26 februari jl. op het politieke podium een andere Bouterse dan we gewend waren. Als geen andere Surinaamse politicus beheerste de flamboyante Bouterse met zijn charisma en oratorische kwaliteiten in het verleden de kunst de massa te onderhouden. Als een popster betrad hij dansend en zingend het podium en entertainde hij de massa waarbij zijn politieke tegenstanders het moesten ontgelden. Waar Bouterse in het verleden binnenkwam ging iedereen rechtop zitten, want er ging iets gebeuren. De charmante revolutionair met uzi en baret van weleer die tussen 1980 en 1987 uitgroeide tot een machtsmachine die over lijken ging, is inmiddels een oud geworden pafferige oud-president (inmiddels 77-jaar!) die opvallend genoeg geen aanvallen deed op president Santokhi maar de regering slechts een nationale dialoog en vervroegde verkiezingen voorstelde.

Bouterse draagt het presidentschap over aan Santokhi in juli 2020 (foto Ra1 photography)
Geheim akkoord Leonsberg 2.0?
Opvallend was ook de reactie van de huidige president Chan Santokhi en zijn partij: die wezen slechts op de Augiasstal die zij overnamen na tien jaar wanbeleid van de regering-Bouterse. Het is een herhaling van het conservatieve concept van propagandavoering van de (Nieuw-)Front-coalitie onder leiding van oud-president Ronald Venetiaan. Het belangrijkste wapenfeit van zijn coalitie tijdens verkiezingscampagnes was het wijzen op het gevaar Bouterse, een mantra die na drie decennia bij een groot deel van de kiezers was uitgewerkt. Het waren vooral jongeren die behoefte hadden aan verandering, aan een new car smell en voor de partij van Bouterse kozen. Deze jongeren kenden de militaire repressie en de Decembermoorden slechts van horen zeggen aangezien in de geschiedenisboeken over deze zaken met geen woord werd en wordt gerept.
Door deze mantra opnieuw van stal te halen is het alsof de huidige coalitie geen lessen trekt uit het verleden. De huidige regering-Santokhi heeft door haar beleid in korte tijd veel goodwill bij de bevolking verspeeld: een beleid dat wordt gekenmerkt door een gebrek aan communicatie, ondoorzichtige besluitvormingsprocessen en onbegrijpelijke besluiten en een benoemingsbeleid waarbij gekozen wordt voor familie, vrienden en partij-loyalisten (nepotisme). In december 2020 kondigde president Santokhi begin 2021 financieel een doorbraak te verwachten met lichtpunten voor de bevolking. Maar Suriname verkeert nog steeds in een diepe crisis met op dit moment een inflatie van rond de vijfenzestig procent. Dit is een beleid dat bijdraagt aan de reanimatie van Desi Bouterse en zijn NDP.

Schilderij Kurt Nahar Soso Lollie 2015
De matiging van de kritiek van Bouterse op president Santokhi en het stilzwijgen van laatstgenoemde met betrekking tot een aantal zaken die Bouterse betreffen (zoals geen gevangenneming na de uitspraak van de Krijgsraad en diefstal van zware wapens uit de privéwoning van Bouterse) geven voeding aan speculaties over een mogelijk Geheim Akkoord van Leonsberg 2.0. Het Geheim Akkoord van Leonsberg 1.0 verwijst naar een vermeend geheim akkoord in 1987 tussen de legerleiding en de burgerpolitici waarbij in ruil voor herstel van de democratie Bouterse c.s. niet zouden worden vervolgd voor hun aandeel in de Decembermoorden in 1982. Het Geheim Akkoord van Leonsberg 2.0 zou naar verluidt inhouden dat Bouterse zich koest houdt en in ruil daarvoor niet hoeft te vrezen voor gevangenneming na een definitieve uitspraak in de Decembermoorden-strafzaak. Ook is er mogelijk een coalitie in de maak is tussen de VHP van Santokhi en de NDP van Bouterse in 2025 of eventueel eerder.
Slavenmoraal en verlosserssyndroom
Dat veel kiezers hun hoop wederom lijken te vestigen op Bouterse en zijn NDP stemt tot nadenken. De vraag is immers gerechtvaardigd of Surinaamse kiezers gek zijn geworden. Immers, de bevolking had zelf voor Bouterse en de NDP gekozen om vervolgens na tien jaar desastreus beleid met de gebakken peren te zitten. Met andere woorden, de verantwoordelijkheid voor de failliete staat waarin Bouterse en de NDP na tien jaar regeren het land achterlieten ligt niet alleen bij hem en zijn partij, maar ook bij de kiezer die immers op de hoogte was van hun track record.
Er zijn twee mogelijke verklaringen voor dit fenomeen. Door het huidige beleid van de regering-Santokhi krijgt Bouterse weer zuurstof toegediend krijgt, zoals de internetnieuwssite Starnieuws schreef (Coalitie geeft Bouterse zuurstof, 1 maart 2022). Een andere verklaring ligt in de slavenmoraal en in het verlengde hiervan het verlossingssyndroom bij Surinaamse kiezers. De schrijver Albert Helman introduceerde het begrip slavenmoraal met betrekking tot de Surinaamse cultuur waarbinnen in zijn optiek deze moraal nog steeds dominant is. Dit moraal filosofisch begrip (evenals het begrip herenmoraal) ontleende Helman aan de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. Onder invloed van het christendom ontstond volgens Nietzsche de slavenmoraal waarbij vooral nederigheid, medelijden en vergeving als nieuwe deugden werden gepropageerd, niet echt een moraal die de mens helpt emanciperen. Het is deze moraal die in de optiek van Nietzsche de mens langdurig en wijdverbreid in zijn greep heeft kunnen houden. Tegenover de slavenmoraal staat de herenmoraal. De herenmoraal bestond al in de klassieke oudheid onder de heersende klassen van de maatschappij die van mening waren dat iets pas goed is wanneer het assertief, nobel en nuttig is.
Met betrekking tot Suriname ziet Helman slavernij als bron voor de slavenmoraal: een geestesgesteldheid die leidt tot apathie, berusting en gelatenheid. Het betekent dat mensen zich onmachtig voelen, zich daarbij neerleggen en dat ontsnappingsmogelijkheden niet ontdekt worden. Met andere woorden, een houding die niet leidt tot het nemen van verantwoordelijkheid en de hand in eigen boezem steken (Albert Helman in Gevecht om de geschiedenis, Amsterdam 1994; p. 70-98). Deze slavenmoraal leidde tijdens en na de slavernijperiode op de plantages in Suriname vervolgens tot het verlossingssyndroom zoals de Surinaamse journalist en vakbondsman Rudie Kross schrijft in zijn essay Anders maakt het leven je dood. De dreigende verdwijning van de staat Suriname uit 1987. Het verlossingssyndroom is later door eeuwen van kerkelijk paternalisme versterkt en heeft zich nadien voortgezet in parlementair-achtige partijen in de postkoloniale en -dekolonisatieperiode in de uitvoering van leiderschap die men omschrijft als charismatisch of messiaans. Als gevolg van het verlossingssyndroom ontwikkelde Suriname zich volgens Kross tot een staat waar generaties lange onderdrukking, armoede en uitzichtloosheid een wijdverbreide cultuur van lethargie, het koesteren van slachtofferschap, afhankelijkheid, lijdelijkheid en het verafschuwen van verantwoordelijkheid heeft voortgebracht. De bevolking heeft hierdoor een buitensporige behoefte ontwikkeld aan een verlosserssyndroom, een verlosser, een verzorger en een gudu p’pa [een gulle gever, een sinterklaasachtige figuur]. Ook de Nederlandse schrijver en journalist Herman Vuijsje wijst in zijn boek (God zij met ons Suriname. Religie als vloek en zegen, 2019) op de paternalistische rol van kerken in Suriname in het verleden die geleid heeft tot een cultuur van ingesloten afhankelijkheid bij de volgelingen. Het is dit verlossingssyndroom dat in Suriname medeverantwoordelijk is voor de herhaalde reanimatie van een persoon als Bouterse ondanks zijn track record.
Slechts denkbare scenario
President Santokhi had na mei 2020 kunnen afrekenen met het verlosserssyndroom of het vestigen van de hoop op een gudu p’pa in Suriname en daarmee met de reanimatie van Bouterse en zijn NDP. Santokhi’s imago van crime fighter en de redder van het Surinaamse volk heeft inmiddels een behoorlijke deuk opgelopen. Het betekent dat Bouterse en zijn NDP opnieuw de zoveelste kans krijgen om zich op te werpen als de verlossers in nood voor Suriname. In dat geval moeten we daadwerkelijk vrezen voor Suriname als een failed state. Een toekomst van Suriname met opnieuw de NDP in het machtscentrum is het slechtst denkbare scenario voor het land. De verantwoordelijkheid voor dat scenario ligt bij president Santokhi c.s. Dit zou hem en zijn partij tot nadenken moeten stemmen.
- Published in BIBLIOTHEEK, Korte berichten, NIEUWS, Nieuws uit Suriname, Suriname










