Brief van Mahatma Gandhi en het zoeken naar de roots

Chan Choenni

Na de afschaffing van de immigratie van Hindostanen naar Suriname vanuit India in 1917, werden er pogingen onder­nomen om de vrije vestiging van Hindostanen aan te moedigen. Er was vooral een nijpend tekort aan Hindostaanse vrouwen. Vermeldenswaard is dat vanwege de Eerste Wereldoorlog twee lichtingen van contract­ar­beiders Suriname niet hebben bereikt. Zij waren al geselec­teerd en hebben tever­geefs gewacht op transport naar Suriname. Zij werden terug­ge­stuurd naar hun woonplaats in India. Het probleem was dat weinig trans­port­schepen beschikbaar waren, omdat deze gevorderd waren om troepen te vervoeren naar de oorlogs­ge­bieden. Bovendien was de kans op aanslagen door Duitse onder­zee­boten (met zogeheten torpedo’s) heel groot. Onder leiding van de toenmalige belang­rijkste Hindostaanse organi­satie, de Surinaamse Immigranten Vereniging (SIV) ‑later veran­derde de naam in Bharat Oeday (opkomend Hindostan)- werden acties onder­nomen ten behoeve van de vrije vestiging van Hindostanen in Suriname. Nadat het zenden van ‘verzoek­brieven’ geen resultaat opleverde werd besloten om een vierkoppige delegatie in 1920 naar India te sturen. Deze delegatie heeft ondermeer gesproken met Mahatma Gandhi, maar dat was tever­geefs.

Een laatste poging om de vrije vestiging uit India naar Suriname op gang te krijgen werd onder­nomen in oktober 1935 door pandit Bhawanibhikh Shriemisier. Hij was in India geboren en kwam als contract­ar­beider naar Suriname samen met zijn moeder die weduwe was geworden en zijn jongere broer. Zij waren uit vrije wil uit India vetrokken omdat het loon dat zij konden verdienen in Suriname veel hoger was dan in India. Zij arriveerden in 1893 in Suriname met het schip Hereford II (hij noemde het schip Harphoet) en werden te werk gesteld op plantage Poelwijk (district Commewijne). Omdat er toentertijd geen hoogge­kwa­li­fi­ceerde pandit was in Suriname, vertrok Bhawanibhikh in 1900 naar Guyana om daar een pandi­top­leiding te volgen. Hij werd een gezag­heb­bende pandit in Suriname, maar ook een zakenman. Zijn zoon Hemradj werd in 1958 de eerste Hindostaanse minister van Justitie in Suriname. Toen pandit Bhawanibhikh voldoende geld had gespaard is hij via Guyana met een schip naar India vertrokken om onder meer de grote Indiase leider Mahatma Gandhi te ontmoeten. Hij verzocht ook de Mahatma (Grote Geest) om een boodschap te geven aan de Hindostanen in Suriname.

Pandit Bhawanibhikh Shrimisier (op de foto uiterst links) werd omstreeks 1878 geboren in India, in het district Basti in de staat Uttar Pradesh. Hij arriveerde in april 1893 met het schip Hereford II in Suriname samen met zijn moeder, die weduwe was, en een jongere broer. Pandit Shrimisier was een gezag­heb­bende pandit. Hij overleed op hoge leeftijd in 1975.

Boek in het Hindi

Pandit Bhawanibhikh Shriemisier heeft zijn levens­verhaal laten vastleggen in een boek dat is verschenen in 1957 in het Hindi in India. In dit boek is de brief met de tekst van de boodschap van Mahatma Gandhi in het Hindi opgenomen.

Mahatma Gandhi schreef de onder­staande boodschap in het Hindi.

Bron: Biografie Pandit Shriemisier in het Hindi

 

Deze boodschap luidt vrij vertaald in het Nederlands:

Pandit Bhawanibhikh Mishre uit Dutch Guyana is samen met Shri Banarsi Dass Chatur Vedi bij mij gekomen om mij te ontmoeten en vroeg mij om een boodschap voor de Surinaamse Migranten. Ik heb slechts dit verzoek aan jullie, en dat is dat jullie altijd eensgezind moeten samen leven, de zuiverheid van het leven in acht nemen en in gesprekken, Hindi en Hindoestani taal gebruiken, Hindi scholen en ‑bibli­o­theken oprichten.

 Magnabadi, Wardha

11 oktober 1935

M.K. Gandhi

 

Invoering familie­namen

Overigens moest zijn familienaam luiden Shrierammisier. De Creoolse ambtenaar heeft ram geschrapt met de opmerking: ”Baboeng a neng langa toemsi “(Baboen –een denigre­rende aanspreekvorm- uw naam is te lang). Destijds werd het zogeheten schoon­schrift gebruikt bij de inschrijving van familie­namen. Deze ambtenaar wilde blijkbaar niet teveel moeite doen om de naam volledig uit te schrijven. In 1916 had de Surinaamse overheid namelijk besloten dat Hindostanen in Suriname een familienaam (geslachtsnaam) zouden moeten aannemen, omdat het immigran­te­nummer minder bruikbaar was geworden. Er werden kinderen en vele klein­kin­deren geboren en verwijzing naar het immigran­te­nummer –meestal terug te vinden in de zogeheten familieboek- werd bewer­kelijk. Kind van de immigranten met nummer xxxx was in het geval van de tweede generatie (in Suriname geboren kinderen) nog te volgen, maar bij de derde generatie ((in Suriname geboren klein­kin­deren) werd het veel ingewik­kelder. Bijvoorbeeld, Sukhia dochter van R1646, Ramraji klein­dochter van R1666, etc. Een deel van de Hindostanen dat een familienaam had ingeschreven, voordat de regeling van de geslachtsnaam van kracht werd, kreeg de naam van de moeder als familienaam bij de inschrijving.

Halkorisaw ke palwar (familie van Halkorisaw). Er werd toentertijd een onder­scheid gemaakt. De roepnaam werd nog steeds gebruikt en met betrekking tot de familienaam werd gezegd: Tu log ke kon naam (bedoeld werd de officiële naam) chale he. Langzamerhand werd vooral met het uitsterven van de Hindostaanse immigranten de ingeschreven familienaam steeds vaker gehan­teerd. Overigens hebben velen hun (familie)naam toen zij uit India vertrokken gewijzigd of valse namen, zoals bijvoor­beeld Bhikharie (bedelaar) of Garib (arm) opgegeven (zie verder: C. Choenni, Over het ontstaan van familie­namen op Hindorama.com). Men koos vaak met medewerking van de officiële wervers in India een valse naam om niet terug gevonden te worden bij de subdepots en het hoofd­depot in Calcutta. Veel jonge­mannen waren namelijk gevlucht van huis om te kunnen emigreren. Zij werden meestal tever­geefs door hun familie opgespoord. Bepaalde Hindostaanse jonge­mannen waren bijvoor­beeld gevlucht omdat zij het voedsel hadden opgegeten dat voor hun oudere broer was bestemd. De praktijk was toen in India dat vanwege de schaarste aan voedsel de oudere broer eerst at en de restjes gingen naar de jongere broers. Het is zelfs voorge­komen dat sommige Hindoes een moslimnaam hebben aange­nomen. Zo is een hindoe emigrant behorende tot de schrij­vers­kaste (Kayastha) onder de moslimnaam Ascarali geëmi­greerd naar Suriname (zie J.M.M. De Klerk. De immigratie der Hindostanen 1953, pagina 69, noot 48).

Zoektocht

Daarom is op grond van de meeste familie­namen het heel lastig om de roots i.c. voorouders in India te traceren. In de database Gahetna zijn gegevens van ongeveer 77% (26.2490 records) van Hindostaanse contract­ar­beiders opgenomen. Tijdens hun zoektocht raken velen teleur­ge­steld wanneer zij gegevens van hun voorouders niet kunnen vinden op grond van hun familienaam. En als ze wel relevante gegevens hebben gevonden lijken zij in hun zoektocht in India meestal niet te slagen. Vaak wordt men opgelicht door bepaalde bureaus of sommige Indiërs beweren al te graag dat zij familie zo om een relatie te hebben in het buitenland. Slechts een kleine groep heeft zijn roots kunnen vinden in India. Daarnaast had een heel kleine groep contact behouden via brieven en is het contact gebleven. Anderen hadden brief­verkeer, maar door het beide wereld­oor­logen is hun brief­verkeer opgehouden. Ook is het soms voorge­komen dat de brieven uit India in Suriname zijn kwijt geraakt of niet bewaard.

Bovendien is een deel, bijna een kwart van de gegevens van de Hindostaanse contract­ar­beiders verloren in Suriname door slecht beheer (meestal is de lijst met gegevens verpulverd). Het Hoofddepot gevestigd in Calcutta is opgeheven in 1924 en het Agentschap overge­dragen aan De Nederlandse Consul-Generaal J.C. F. Deddes (zie J.M.M. De Klerk, De immigratie der Hindostanen 1953, pagina 180,181). Het is niet bekend wat er is gebeurd met de admini­stratie over de contract­ar­beiders die zijn vetrokken naar Suriname. Daarom heb in Nederland laten nagaan of het archief van het Suriname agent­schap in het Nationaal Archief in Nederland is terecht­ge­komen. Dat is niet het geval en ook in Jakarta (Indonesië) is gezocht in de archieven. Ik heb ook in Londen in de National Archives en de Britisch Library honderden documenten ‘nagelopen’, maar niks relevants gevonden. Het lijkt mij indien het archief van het Suriname Agentschap in Calcutta niet is vernietigd dat in India moet worden gezocht. Ik heb de Archives of West Bengal in Calcutta bezocht. Wellicht is het daar terecht­ge­komen. Ik zag grote dozen en stapels dossiers in zeer slechte staat. Het kost zeer veel tijd en de nodige contacten om daar in de archieven onderzoek te mogen doen. Wellicht moet ook in de National Archives in New Delhi worden gezocht. De conclusie is helaas dat een deel van de Hindostaanse geschie­denis verloren is gegaan.

Fotobijschriften: Standbeeld Mahatma Gandhi te Paramaribo (Suriname) en prof. dr. Chan E.S. Choenni
Met dank aan Roy Khemradj en Prim Girjasing voor de foto van pandit Bhawanibhikh.

TOP