DETAILS VERGETEN?

Boekrecensie God zij met ons Suriname ~ Herman Vuisje

Hans Ramsoedh

God zij met ons Suriname is een publicatie van de Nederlandse socioloog, schrijver en oud-journalist Herman Vuisje (1946) over multi-religiositeit in Suriname. De titel verwijst niet alleen naar de eerste regel van het Nederlandse couplet van het Surinaamse volkslied, maar is ook een verzuchting van de auteur die begaan is met Suriname en zich afvraagt waarom het mis gaat in Suriname.

Suriname is geen onbekend terrein voor de auteur. In 1969 liep hij daar als sociologiestudent stage waar hij onderzoek deed naar ontwikkelingsfuncties van religieuze organisaties. Vervolgens werd hij, zoals hij schrijft, verliefd op het land deels uit schuldgevoel over driehonderd jaar Nederlands kolonialisme en deels ook vanwege het raadsel Suriname: wat zit dit land in de weg en waarom gaat het steeds weer mis?

Na 1969 keerde hij regelmatig als journalist en toerist terug naar Suriname, maar vijftig jaar later (2018) ging hij terug om de allesdoordringende rol van religie opnieuw te onderzoeken: klopt het (vanzelfsprekende en onaantastbare) beeld nog van een door en door religieus land waar men vredig samenleeft, in hoeverre hebben globale ontwikkelingen als individualisering, verstedelijking en ontkerkelijking invloed op de manier waarop men nu met godsdienst omgaat en in hoeverre heeft de religie behalve gunstige ook minder gunstige invloeden op de manier van samenleven in Suriname? Daar waar in Nederland minder dan vijftig procent van de autochtone bevolking aangeeft zich tot een kerkelijke gemeente te rekenen, rekent circa 92% (2012) in Suriname zich tot een kerk of geloof.

Bijna de helft van de Surinaamse bevolking is christelijk (27 procent protestants en 22 procent katholiek). Hindoes maken 22 procent van de bevolking uit en het aandeel van moslims ligt op 14 procent. Religie doordrenkt de gehele Surinaamse samenleving. Ondanks de scheiding van kerk en staat in Suriname wordt God aangeroepen bij praktisch alle openbare en bestuurlijke gelegenheden. Bij ingebruikname van openbare voorzieningen is de bijdrage van geestelijken vanzelfsprekend. Zo worden aangeschafte vliegtuigen van de SLM altijd ingezegend met een christelijk, hindoe- en moslimritueel. Het betekent dat de scheiding tussen kerk en staat in Suriname ‘zo zacht is als een overrijpe mango’ (p. 23).

Ondanks dat religie de gehele Surinaamse samenleving doordrenkt is ook Suriname langzamerhand aan het seculariseren. De overgrote meerderheid van de Surinamers blijft wel in God geloven, maar minder in de kerk. Identiteit, ergens bij willen horen, wordt steeds een belangrijker aspect van religieuze groepsvorming. Het gros van de mensen bezoekt de kerk niet meer voor hun ziel en zaligheid, maar opdat men kan zien dat ze nog bij de club horen (believing without belonging).

God zij met ons Suriname is geen wetenschappelijke studie, maar vooral een journalistieke en impressionistische schets van de religieuze verscheidenheid in Suriname. De 238 pagina’s in het boek zijn verdeeld in vijfendertig hoofdstukjes, variërend van drie tot acht bladzijden en met enkele uitschieters naar tien tot dertien bladzijden.

De traditionele godsdiensten, zoals het christendom, jodendom, hindoeïsme en islam komen summier aan bod. Ook besteedt de auteur aandacht aan de opkomst van het Javanisme sinds 1984, een mix van animisme, hindoeïsme, boeddhisme en islam en dat op het moment een aanhang heeft van ongeveer tienduizend mensen,

Over de rol van de kerken in het verleden is Vuisje nogal negatief. Die rol is paternalistisch (geweest) als gevolg waarvan een cultuur van afhankelijkheid (de Verlosser of Heiland als helpiman) bij de volgelingen is ontstaan. Daarnaast hebben de lijdelijke accenten in het EBG-credo (berusting, indolentie en hulpbehoevendheid) geleid tot ingesloten patronen van afhankelijkheid en geloof in hemelse bijstand. Hoewel de auteur geen link legt met Bouterse is het dan ook niet verwonderlijk dat laatstgenoemde langzamerhand als de helpiman of ‘Verlosser’ wordt gezien die met voedselpakketten en valse beloftes een deel van de Surinaamse bevolking aan zich weet te binden.

De focus in dit boek ligt vooral op de nieuwe evangelische kerken, de new kids on the block, (emotiekerken als de Pinkster- en volle Evangeliegemeenten), de Marrons en de Creoolse volksreligiositeit waaronder Winti en het geloof in geesten. De opmars van de nieuwe evangelische kerken hangt vooral samen met de ontevredenheid onder traditionele christelijke kerkgangers over hetgeen de traditionele kerken te bieden hebben. De traditionele liturgie spreekt velen nu eenmaal minder aan dan de uitbundige vieringen van de emotiekerken. Ook steeds meer Javanen en mindere mate Hindostanen sluiten zich bij deze kerken aan.

Naast aandacht voor de opmars van de emotiekerken ligt de focus van de auteur op de religiositeit van de Marrons en de volksreligiositeit van de Creoolse bevolking. Bij volksreligiositeit gaat het om het geloof in geesten (bakru’s, leba’s, yorka’s en ‘ronddolende entiteiten’) en magische krachten (Wisie).

Praktisch iedereen die Vuisje interviewde (in totaal vijftig personen) gelooft in het bestaan van geesten. Bij een groot deel van de bevolking bestaat hierover geen twijfel, van toiletjuffrouw tot academici, imams, dominees; ‘Die dingens zijn er’. Maar men hult zich bij voorkeur in algemeenheden als het gaat om dit soort zaken, of zoals een bekende Sranan gezegde luidt: Ala nyan bun fu nyan, ma ala taki no bun fu taki [alle voedsel is eetbaar, maar niet alles kan worden gezegd]. Winti (Afro-Amerikaanse godsdienst) is op dit moment bezig uit de taboesfeer te komen met een emancipatieslag. Zo wordt nu door de Surinaamse regering een aantal wintipriesters bezoldigd en kan een ieder sinds 1993 die dat wenst op oudejaarsdag op het Onafhankelijkheidsplein een wasi [kruidenbad] nemen om rein het nieuwe jaar tegemoet te treden. Hiermee is Winti langzamerhand vanuit de verboden sfeer van schemerige achtererven in het hart van Paramaribo gebracht.

De leidende vragen van de auteur bij dit boek worden niet op een consistente manier uitgewerkt. Pas in de laatste acht hoofdstukken maakt hij duidelijk hoe de volksreligiositeit haar stempel drukt op de Surinaamse samenleving. Als het gaat om de religieuze praktijk komen we in de eerste 27 hoofdstukken vooral de journalist Vuisje tegen, iemand die participeert, observeert en registreert. In de zeven hoofdstukken die hierop volgen komen we de socioloog Vuisje tegen die bij aspecten van volksreligiositeit dieper graaft en het beeld van Suriname van een door en door religieus land waar men vredig samen leeft aan een kritische beschouwing onderwerpt. In deze beschouwende hoofdstukken is het beeld dat de auteur schetst van de volksreligiositeit in Suriname niet positief. Zo schrijft hij dat onder het vernis van hartverwarmende gemoedelijkheid en uitbundigheid de hele samenleving is doortrokken van angst en afgunst, een basisgesteldheid van de Surinaamse samenleving. Ontelbaar zijn de verhalen over bewiesen [gebruik van wisie om iemand schade te berokkenen] of kroy, magisch spul, als gevolg waarvan je speelbal wordt van een ander. Een ongeluk gebeurt niet zomaar, er móét iets achter zitten, een vloek uit het verleden, een actie van een afgunstig iemand of een andere ongrijpbare kracht. Angst is er niet alleen voor inbrekers, maar ook voor politici. Onder die vriendelijkheid zit een samenleving waarin Surinamers elkaar genadeloos uitbuiten. Niet verwonderlijk is dan ook, volgens Vuisje, dat de familie wordt gezien als veilig bastion te midden van een samenleving die trekken vertoont van een jungle. Waar instanties het laten afweten, is buiten de familie alles geoorloofd. Voor Surinamers heeft deze cultuur van angst en afgunst iets vanzelfsprekends gekregen, zij hebben geleerd ermee te leven. Hierdoor is volgens de auteur een angstindustrie ontstaan van astrologen, wisiemans en ojha’s. Het is in de optiek van Vuisje deze volksreligiositeit die een belangrijke rol speelt bij het voortbestaan van het verdriet in Suriname: niet het goede en het geluk staan voorop, maar het afweren en bezweren van kwaadaardigheid. Het is een nogal stellige en generaliserende bewering van Vuisje over de angstcultuur in Suriname. Ik durf ernstig te betwijfelen of de gehele Surinaamse samenleving doordrenkt is van angst. Dit geldt in mijn optiek sterker voor de Afro-Surinaamse gemeenschap (Creolen en Marrons) voor wie winti en wisie een belangrijk onderdeel vormen van hun volksreligiositeit dan bijvoorbeeld voor Hindostanen en Javanen die tezamen ongeveer de helft van de bevolking vormen.

In het laatste hoofdstuk gaat de auteur in op de vraag in hoeverre Suriname als gidsland kan dienen voor Nederland. Vuisje schrijft dat we de geroemde Surinaamse multiculturele samenleving niet moeten beschouwen als een hoog gegrepen en hooggespannen beginsel, maar eerder moeten zien als een kwestie van nuchter pragmatisme: roeien met de riemen die je hebt, niet het onmogelijke van elkaar verlangen. Met andere woorden, we moeten het multiculturalisme in Suriname vooral zien als uitkomst van de no span-mentaliteit [maak je niet druk, leef en laat leven]. Wat Nederland van Suriname kan leren is volgens Vuisje de wijze waarop religieuze leiders in Suriname elkaar gevonden hebben in een vorm van consensusdemocratie en daarmee harmonieuze religieuze diversiteit hebben bevorderd.

De auteur is een bij Suriname betrokken buitenstaander die zoals hijzelf schrijft (p. 224) ‘afwisselend met verbazing, verontwaardiging en bewondering’ de plaats en rol van volksreligie in Suriname beschrijft. Met zijn outside looking in heeft Vuisje met God zij met ons Suriname vooral religie als vloek beschreven en met name de minder gunstige invloeden van volksreligiositeit op de manier van samenleven in Suriname. Het is een indringend portret geworden van religieus Suriname met de kanttekening dat vooral de volksreligiositeit van Afro-Suriname voor het voetlicht wordt gebracht. Daarnaast is dit boek geschreven met een vlotte pen en de combinatie van schrijven met een journalistieke en een sociologische bril maakt het geschikt voor een breed lezerspubliek.

Herman Vuisje, God zij met ons Suriname. Religie als vloek en zegen. Zutphen 2019: Walburg Pers. ISBN 9789462494442, 238 pp., € 19.99

TOP