8 December elite: fictie of realiteit?

Kanta Adhin

Kanta Adhin

Er is al veel gezegd en geschreven over recente uitspraken die schrijfster Astrid Roemer deed op facebook en die ertoe hebben geleid dat de Taalunie afziet van een ceremoniële uitreiking van de haar toegekende Prijs der Nederlandse Letteren. Daar wil ik het nu niet over hebben. Ik wil het wel hebben over de term ‘8 december elite’ die weer eens naar voren kwam. Nou is het woord ‘elite’ op zich geen vies woord maar het wordt in dit verband al te graag gebruikt door personen die de Decembermoorden willen goedpraten en doen alsof de slachtoffers tot een bepaalde bovenlaag van de maatschappij behoorden en geen enkele binding met het gewone volk hadden. De uitspraken van Roemer zijn overigens niet nieuw. Tijdens haar optreden in het Grote Schrijversinterview in de Balie in juli vorig jaar refereerde ze reeds aan de Decembermoorden en zei over de slachtoffers onder meer: “Het volk had geen relatie met, kende die mensen ook nauwelijks. Het waren advocaten en weet ik wat allemaal. Het volk had daar geen relatie mee.”

Zulke uitspraken vind ik uiterst merk­waardig en geven blijk van een persoon die in 1982 (en daarvoor) blijkbaar niet in Suriname woonde en niet heeft kunnen observeren wat de relatie van de slachtoffers met het gewone volk van toen was. De angst die na de moorden heerste, de systematische desinformatie en het dood­zwijgen van de moorden in schoolmateriaal hebben daarna in Suriname inderdaad een generatie voort­gebracht die niet veel of niets over deze moorden weet of alleen de leugens erover die door het militaire regime zijn verspreid. We weten dat er in Nederland generaties zijn opgegroeid die niets over het Nederlandse slavernijverleden afwisten omdat de geschiedenis­boeken daarover zwegen. In het beeld dat van de Gouden Eeuw werd voorgespiegeld was geen plaats voor de duistere kanten.

Het gebruik van de term ‘elite’ in verband met de decembermoorden irriteert mij, ten eerste, omdat het vaak wordt gebruikt door mensen die zelf tot een elite behoren die anderen de mond willen snoeren, zonder dat zij zich daadwerkelijk voor het belang van het volk inzetten. De militaire staatsgreep van 1980 was totaal niet ideologisch geïnspireerd. Daarna is een groepje ‘linkse ideologen’ van de Revolutionaire Volkspartij (RVP) en de Progressieve Arbeiders en Landbouwers Unie (PALU) zich om de militairen heen gaan nestelen. Via de normale weg van verkiezingen zouden zij nooit aan de macht komen. Nu grepen zij hun kans door zich als adviseur op te dringen. Echter, Suriname is daarna alleen maar achteruitgegaan. Er is niet gewerkt aan duurzame ontwikkeling van het land ten gunste van de hele bevolking. Er werden slechts ideologische hersen­schimmen nagejaagd. Het ging de militaire elite uiteindelijk alleen maar om behoud van de macht en in hun kielzog kon de links ideologische elite experi­menteren met marxistisch-leninistische machts­model­len.

Ten tweede is het een totale misvatting dat de slachtoffers een elite vormden in de zin van een specifieke groep personen die losgezongen was van de gewone burger. Onder de slachtoffers bevonden zich vier advocaten, vier journalisten, twee militairen, twee universitair docenten, twee ondernemers en een vakbondsleider. Deze was nota bene leider van de grootste vakbond die in oktober 1982 een enorme volksmassa tegen het militaire regime wist te mobiliseren. Los van hun professie hadden de vijftien personen ook niet eenzelfde gedachtegoed. Er zaten personen bij die eerst met het militaire regime hadden samengewerkt en personen die zich vanaf het begin zeer kritisch hadden betoond. Er zaten personen bij die hun kritiek op vreedzame wijze hadden geuit en personen die bij een couppoging betrokken waren. Wat deze vijftien personen voor altijd bindt is dat zij door de militaire machthebbers en hun pajongwaaiers als een bedreiging van de macht werden gezien en dat op 8 december 1982 met de dood moesten bekopen.

Beëdiging van mr. John Baboeram

Een van de 8 december slachtoffers die vanaf het begin zeer kritisch stond tegenover het militaire regime was advocaat John Baboeram, 36 jaar, geboren en getogen in Suriname als oudste van tien kinderen in een gezin dat het niet erg breed had. In 1978 vestigde hij zich als advocaat. Op 8 september 2021 zou hij 75 jaar zijn geworden. Hij zou nog vele wandelingen langs de Surinamerivier hebben gemaakt en met volle teugen hebben genoten van de schoonheid van het land en zijn natuur. Het land, zijn land, waar hij zich op eigen kracht heeft ontwikkeld en zijn bijdrage heeft geleverd aan het functioneren van het rechtssysteem, een van de pijlers van een samenleving waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Als advocaat zette hij zich in voor rijk en arm. Zo werkte hij even hard voor zakenlui als voor minder vermogenden die tot zijn clientèle behoorden. Zoals een oudere vrouw, die na de dood van haar partner die zij jarenlang had verzorgd, door diens inhalige kinderen die in Nederland vertoefden uit de woning op een erf in de Pontewerfstraat werd gezet om die te kunnen verhuren. Hij deed ook veel pro deo strafzaken waarvoor hij zijn cliënten altijd ging opzoeken in de politiecel, waar ze ook zaten. Op Geyersvlijt, Lelydorp of elders. Als ze klachten hadden over de behandeling, besprak hij die serieus met de politie. Bijvoorbeeld klachten van de moeder van een verslaafde die lag te creperen in de cel. In Nederland kregen verslaafde gevangenen methadon om hun toestand draaglijk te houden, maar dat was in Suriname niet het geval.

Direct na 25 februari 1980 maakte hij zich druk om het lik-op-stukbeleid van de militairen die plunderaars en andere wetsovertreders op het terrein van het kampement voor het oog van iedereen afranselden. Bovendien werd de bevolking gestimuleerd mensen aan te geven die iets hadden misdaan. Zo kwam Baboeram op voor een huilende moeder wiens zoon was afgeranseld omdat zijn afgewezen vriendin een bevriende militair had verteld dat hij haar slecht had behandeld. Baboeram kreeg ook de huilende vriendin op bezoek, want zo had zij het niet bedoeld. Voor hem was dit het ultieme bewijs van de teloorgang van de rechtsstaat: bestraffing door machthebbers zonder enige vorm van proces. Behalve voor de ‘gewone burger’ zette hij zich onder andere ook in voor voormalige politici en uit de gratie gevallen militairen van wie de mensenrechten werden geschonden. De toenmalige deken van de balie, Eddy Bruma, noemde hem een keer de enfant terrible van de advocatuur; anderen vergeleken hem met de idealistische advocaat vertolkt door Al Pacino in de film And justice for all. In 1981 brandde zijn kantoor aan de Lim-A-Po straat af. Er was sprake van brandstichting. De dader werd niet gevonden. Na de mislukte coup van maart 1982 werd als vanzelfsprekend een beroep op hem gedaan om betrokkenen bij te staan. Uit een fragment uit Noraly Beyer’s boek Recht en Waarheid maken vrij – de Decembermoorden herdacht (2020) bleek dit ook het geval in de nacht van 7 op 8 december 1982:

In de vroege ochtend van 8 december 1982 hoorde ik [Beyer] mijn naam roepen. Ik lag nog in bed, maar was klaarwakker na een onrus­tige nacht met lawaai in de lucht, alsof er vuurwerk werd afge­scho­ten. Op mijn terras bij de voordeur stond mijn goede vriend Fredje, wiskunde­docent aan de Universiteit van Suriname. Hij zag er grauw en verontrust uit. “Militairen hebben Leckie opgehaald”, zei hij. Leckie was zijn collega op de universiteit en ook een van zijn beste maatjes. Hij vroeg me het nummer van advocaat Baboeram. We belden naar Baboeram maar kregen geen gehoor.

John Baboeram zal zich niet in zijn graf hebben omgedraaid omdat de daders van de december­moorden alle rechtsmiddelen tot hun beschikking hebben. Zo hoort het in een rechtsstaat. Hij zou echter nooit zijn cliënt aanraden zijn proces niet bij te wonen om na de uitspraak een verzetsprocedure te starten en vervolgens het zwijgrecht in te roepen. Dat is niet alleen oneigenlijk gebruik van het rechtssysteem en verspilling van publieke gelden, maar ook een teken van lafheid. De coupplegers van maart 1982 hadden wel hun proces bijgewoond om de redenen voor hun daad uiteen te zetten. Als hij nog zou leven dan zou hij zeker rechtszaken hebben gedaan voor mensen die steeds armer zijn geworden, terwijl er een steeds rijkere en corruptere kliek is ontstaan van (ex-)militairen, heulers en profiteurs.

Moeder en vader van John Baboeram tijdens een 8 december herdenking in Amsterdam (Foto NRC)

Ik denk dat het John Baboeram uitermate zou tegen­vallen dat iemand als Astrid Roemer uitspraken doet over hem (en zijn medeslachtoffers) zonder dat zij hem als persoon heeft gekend. Als schrijfster beweert zij dat je alles van een personage moet kennen, intensief naar mensen moet kijken. Maar heeft zij hem bijvoorbeeld ooit in de rechtszaal geobserveerd, ook in pro deo zaken? Heeft zij gezien hoe hij omgaat met de minderbedeelden die bij hem aanklopten? Weet zij hoeveel mensen uit het gewone volk door een advocaat worden bijgestaan en daar dus een relatie mee hebben? Het advies van Baboeram aan Roemer zou zijn: houd jij je maar bij fictie want van de realiteit lijk je niet veel te snappen. Was hij in leven geweest dan zou hij zeker bereid zijn geweest mevrouw Roemer bij te staan in het observeren van een volgens haar niet bestaande elite, die zich onder leiding van de hoofdverdachte van de Decembermoorden en inmiddels in eerste instantie veroordeeld, in de loop der jaren in Suriname heeft ontwikkeld. Een die koste wat kost macht wil behouden en het volk daarom af en toe een aalmoesje toewerpt om zich van loyaliteit te verzekeren terwijl het land in het moeras wegzakt. En als zij hem (medeslachtoffers, nabestaanden en sympathisanten) per se tot een elite zou willen rekenen, dan de elite die zich inzet voor waarden als mensenrechten, democratie en rechtsstaat. Waarden waarop het moderne Europa, waar Astrid Roemer zich thuis voelt, is gestoeld.

REACTIE

TOP