45 jaar Onafhankelijkheid van Suriname:
Land of broken dreams

Dr. Hans Ramsoedh

Schrijven over vijfenveertig jaar onafhankelijkheid van Suriname [srefidensi] is schrijven over vijfenveertig jaar desillusies en broken dreams. Ik moet ook terugdenken aan het essay/boek van de Surinaamse journalist Rudi Kross (1938-2002) Anders maakt het leven je dood. De dreigende verdwijning van de staat Suriname uit 1987. Dit essay is een scherpzinnige analyse van het verdriet van Suriname waarin hij een hartstochtelijk pleidooi houdt om te zoeken naar wegen die de ongeveer een half miljoen sterke Surinaamse bevolking een kans in de toekomst geven. Kross is briljant in zijn analyse maar zijn oplossingen lopen echter vast in een woordenbrij van wetenschapsfilosofische aard.
Srefidensi is anno 2020 verworden tot een koortsdroom. De vorige maand overleden bekende Surinaamse his­to­ricus Eugène Gessel (1919-2020) zei eens dat hoop uitgestelde teleurstelling is. Deze uitspraak van hem is zeer zeker op Suriname van toepassing.

Hoopvolle start
De start bij de onafhankelijkheid op 25 november 1975 leek hoopvol. Als gevolg van de strijd tussen (Hin­do­staanse) oppositie en (Creoolse) coalitie rond de onafhankelijkheidskwestie waren tussen 1973 en 1975 de etnische spanningen tot een kookpunt gestegen. Een week vóór de onafhankelijkheid werd de kloof tussen regering en oppositie gedicht met als hoogtepunt de fameuze brasa [omhelzing] van premier Arron en oppositieleider Lachmon. Het was een gebaar van verzoening waar de Surinaamse samenleving lang naar had uitgekeken.
De start bij de onafhankelijkheid leek vooral hoopvol omdat Suriname een bedrag van € 1.2 miljard (destijds 3.5 miljard Nf) van Nederland meekreeg als af­scheidsgeschenk of bruidsschat. Dit afscheidsgeschenk staat in schril contrast tot dat aan buurland Guyana dat van de Engelse regering bij de onafhankelijkheid in 1966 een afgereden brandweerauto als afscheidscadeau kreeg.
Het Nederlandse afscheids­geschenk was omgerekend ongeveer € 4.000 (of US$ 4.600) per hoofd van de bevolking. Suriname gold in de jaren 1975-1980 dan ook als the rich man of the Caribbean. Landen in de regio keken met jaloezie naar de grote zak met geld die Suriname bij de onafhankelijkheid van de voormalige kolonisator had meegekregen.

Ondertekening onafhankelijkheidsakte door premier Den Uyl en premier Arron in de Hervormde kerk in Paramaribo op 25 november 1975 (Nationaal Archief).

Hoe anders is de situatie vijfenveertig jaar later. In 2020 bedraagt de geschatte totale binnen- en buitenlandse schuld van Suriname meer dan vier miljard USD (€ 3.4 miljard), omgerekend een schuld van ongeveer US$ 6.000 of € 5.100 per hoofd van de bevolking. Eind oktober 2020 werd bekend dat Suriname de rente van US$ 25,4 miljoen van de door de regering-Bouterse gesloten lening bij Oppenheimer van US$ 550 miljoen niet kon voldoen. Bij internationale kredietinstellingen heeft Suriname inmiddels de zogenoemde junkstatus waarbij lenen moeilijk wordt en alleen tegen zeer hoge rente. Het betekent ook dat Suriname te boek is komen te staan als een internationale wanbetaler.
Ondanks de riante financiële positie bij de on­af­hankelijkheid is de conclusie dan ook dat na vijfenveertig jaar er niet veel terecht is gekomen van ontwikkeling van het land. Suriname is inmiddels land of broken dreams. Het zijn op dit moment dan ook bittere tijden in Suriname.

Modeldekolonisatie
Betekent dit dat Suriname slechter af was met de verworven onafhanke­lijk­heid? Velen zullen deze vraag wellicht bevestigend beantwoorden, maar zo simpel is het niet. Er bestaan namelijk geen criteria om vast te stellen wanneer een land wel of niet rijp is voor de onafhankelijkheid. De Nederlandse oud-minister Jan Pronk (Suriname. Van wingewest tot natiestaat 2020; 492) schreef dat er geen afgetekend moment van volwassenheid, ideaal moment, examen of absolute rijpheid bestaat voor landen die streven naar onafhankelijkheid. In het onafhankelijkheidsproces van veel landen is het altijd een (intellectuele) voorhoede geweest die het voortouw hierin heeft genomen en de massa heeft weten te enthousiasmeren voor onafhankelijkheid. Waar wel een uitspraak over kan worden gedaan is de wijze waarop de Surinaamse onafhankelijkheid tot stand is gekomen: die is met een minimale politieke meerderheid in het parlement in het geheim voorbereid en aan de bevolking opgedrongen.

Het linkse kabinet Den Uyl (1973-1977) greep de Surinaamse onafhankelijkheidsverklaring in 1973 met beide handen aan. Het zag de Surinaamse on­af­hankelijkheid als een ‘must’ voor een zich progressief noemend Nederland. Vanuit het idee van Nederland als gidsland maakten zij van de Surinaamse on­af­hankelijkheid een Nederlands prestigeobject: een modeldekolonisatie die in de geschiedenis van de dekolonisatie als uniek moest worden beschouwd met als ‘hoogtepunt’ een afscheidsgeschenk om daarmee hun koloniale schuld (slavernijverleden, kolonialisme en koloniale oorlog in Nederlands-Indië) af te lossen.
De Surinaamse politici die voorstanders waren van de onafhankelijkheid wisten dat de progressieven in Nederland heel veel geld over hadden voor de onafhankelijkheid van Suriname. Voor de Surinaamse delegatie die onderhandelde over de onafhankelijkheid werd de bruidsschat (hoogte van het afscheidsgeschenk) dan ook belangrijker geacht dan de bruid zelf (de onafhankelijkheid). De naam voor onafhankelijkheid in het Sranan Tongo [omgangstaal] werd trouwens rond 1973 ‘uitgevonden’. Tot dan bestond er hiervoor geen woord in deze taal. Het woord Srefidensi is bedacht door de dichter Trefossa, pseudoniem van Henri de Ziel. Srefi is ‘zelf’ en Densi betekent ‘doen’. Srefidensi kreeg de betekenis van onafhankelijkheid. Trefossa is trouwens ook de schrijver van het Sranan couplet van het Surinaamse volkslied.
Vanwege de gretigheid waarmee de progressieven in Nederland hebben meegewerkt aan de on­af­han­kelijkheid kunnen we stellen dat feitelijk niet Suriname, maar Nederland onafhankelijk werd op 25 november 1975.

V.l.n.r. Premier Henck Arron, minister Olton van Genderen, prinses Beatrix, gouverneur Johan Ferrier en oppositieleider Jagernath Lachmon bij de viering van de onafhankelijkheid op 25 november 1975 (Nationaal Archief).

Vrije val Suriname
Met de in alle haast gerealiseerde onafhankelijkheid begon ook de vrije val van Suriname waaronder de dramatische omvang van de Surinaamse exodus naar Nederland met verregaande economische, bestuurlijke, sociale en psychologische gevolgen. Het Nederlandse afscheidsgeschenk bleek eerder een vloek dan een zegen te zijn. De beschikbaarstelling van ‘gratis’ ontwikkelingsgeld leidde tot graaien in de pot van ontwikkelingsgeld. Politici waren slechts gefocust op versterking van hun persoonlijke rijkdom en machtspositie. Het betekende dat er niet veel terecht kwam van pogingen om Suriname met behulp van de Nederlandse gouden handdruk een economische basis te verschaffen die het land minder afhankelijk had kunnen maken van het buitenland. Van een recht­vaardige verdeling van het nationaal inkomen kwam ook niet veel terecht. Een groot deel van de bevolking hield aan Srefidensi in de periode 1975-1980 een ‘psychische kater’ over.

De afloop na 1975 is alom bekend: de militaire staatsgreep op 25 februari 1980 en de daarop volgende militaire repressie in de periode 1980-1987 met als dieptepunt de Decembermoorden in 1982, de verwoestende binnenlandse oorlog (1985-1991), de telefooncoup in december 1990, de kapitaalcoup in 1996 waarbij Suriname via de politieke achterdeur een regering kreeg (regering-Wijdenbosch) die het niet gekozen had met Bouterse als een soort scha­duw­president en tenslotte Bouterse als president tussen 2010 en 2020. Al deze ontwikkelingen hebben een proces in gang gezet waarbij de staat werd gecriminaliseerd en de drugsmaffia onmiskenbaar greep kreeg op de politiek en de economie. Met name het presidentschap van Bouterse liet een gerampaneerd land achter: naast een economisch failliet Suriname, geërodeerde instituten, ondergraving van het maat­schap­pelijk vertrouwen, de rechtsstaat en democratie en moreel-ethische uitholling van het land in naam van zijn zogeheten ‘revo-ideologie’. Daarnaast hebben Bouterse en zijn vertrouwelingen de staatsmacht aangewend om zichzelf te verrijken. Met Bouterse als president kreeg Suriname een maffiaregering (Surinostra) en werd het een gecriminaliseerde staat met banden met trans­nationaal georganiseerde misdaad die zich bezig hield met drugshandel, het witwassen van drugsgeld en grootschalige corruptie.
Bij de bevolking is inmiddels sprake van ont­goo­cheling en diepe teleurstelling over de ontwikkelingen na 1975. Illustratief voor de huidige stand van zaken in Suriname is de volgende trieste grap van de columnist Peter de Waard in de Volkskrant (28/10/20): ‘De leiders van de VS, Nederland en Suriname mogen een vraag aan God stellen. President Trump vraagt God: “Wanneer gaat het weer goed met de Amerikaanse economie?” God zegt: “Over vijf jaar”. Trump barst in huilen uit: “Maar dat maak ik niet meer mee”. Premier Rutte vraagt daarop: “En wanneer gaat het goed met de Nederlandse economie?” God zegt: “Hopelijk over tien jaar”. Ook Rutte begint te snikken: “Dan ben ik geen premier meer”. En dan mag president Santokhi dezelfde vraag stellen. Nu barst God in huilen uit: “Dat maak ik zelfs niet meer mee”.’

Het is niet zo dat Suriname met de onafhankelijkheid in het diepe is gegooid. Het zijn Surinaamse politieke leiders die verantwoordelijk zijn voor de huidige sociaaleconomische, financiële en morele ravage. Zij beschouwen het land als hun wingewest.

Wingewest Suriname
Veelzeggend in dit verband is de titel van een van de Suriname-boeken van de Nederlandse journalist John Jansen van Galen: Kapotte plantage. Suriname een Hollandse erfenis (1995, 1e druk). Het werd hem in Suriname niet in dank afgenomen dat hij het land bestempelde als een kapotte plantage, een broko pranasi, want een dergelijke kwalificatie van het land door een Nederlander werd beschouwd als aan­matigend. Wie de ontwikkelingen in Suriname na 1975 in ogenschouw neemt, kan onmogelijk volhouden dat Jansen van Galen met zijn kwalificatie overdrijft.
Suriname is in de zeventiende eeuw gesticht als een plantagekolonie en wingewest. Het is sindsdien een wingewest gebleven, dat wil zeggen een land dat voor de politieke elite het vehikel is voor particularistische belangen, graaizucht [nyan patu en zweef teki] en ongebreidelde zelfverrijking. In de ergste traditie van derdewereldlanden hebben zij het land als een persoonlijk wingewest beschouwd. Deze politici ge­dragen zich als de nieuwe kolonisatoren van de staat waarbij de maatschappelijke orde voor hen een bijkomstigheid is. De handel en wandel van deze politieke elite zijn de oorzaak van de existentiële politieke crisis waarin Suriname sinds 1975 is komen te verkeren.

Onafhankelijkheidsviering in 2005

Existentiële politieke crisis
Vertrouwen van de kiezer in politieke leiders en politieke instituties is van eminent belang voor de legitimiteit van een democratisch bestel. Een democratie kan niet functioneren zonder draagvlak, want wanneer burgers op grote schaal ontevreden zijn met het functioneren van de politieke instituties dan komt de legitimiteit van het democratische bestel in het geding. Vertrouwen in politieke leiders en politieke instituties zijn het begin en het einde van een fatsoenlijke samenleving. Beide aspecten bepalen in belangrijke mate ook het eco­no­mische succes of falen van een land.
Uit diverse opiniepeilingen, commentaren, columns en ingezonden stukken in de dagbladen in Suriname blijkt dat een overgrote meerderheid van de burgers al decennialang geen vertrouwen heeft in de politiek en politici. Het politieke bestel in Suriname kampt met andere woorden met een legitimiteitsvraagstuk.
Als daarnaast de politiek van zijn idealisme en ethiek wordt ontdaan, dan prijst zij zichzelf uit de markt. Dit maakt ieder politiek systeem kwetsbaar voor criminalisering van de politiek en politiek avonturisme. De ‘omarming’ van Bouterse door het Surinaamse electoraat in 2010 is illustratief voor deze existentiële crisis waarin de Surinaamse politiek is komen te verkeren. Met Bouterse koos het Surinaamse electoraat voor een president die in Nederland wegens drugshandel was veroordeeld en tegen wie een justitieel proces liep voor zijn rol en aandeel in de Decembermoorden in 1982. Zijn coalitie met Brunswijk en Somohardjo in 2010 was een ‘bizar pact’ omdat de politieke leiding van Suriname in handen kwam van drie politieke leiders met een strafrechtelijk verleden. Een strafrechtelijk verleden vormde geen belemmering meer voor een politieke carrière. Het presidentschap van Bouterse had eigenlijk voor de kiezer, gelet op zijn track record, de kroniek van een aangekondigde ont­goo­cheling moeten zijn.

Kunstwerk Kurt Nahar 2015 (Ready Gallery)

Hierbij dient gelijk opgemerkt te worden dat de rol van kiezers bij de heersende politieke cultuur in Suriname niet onbelangrijk is omdat die cultuur slechts kan voortbestaan dankzij hun steun. Generaties lange armoede en uitzichtloosheid hebben een wijdverbreide cultuur van lethargie, het koesteren van slacht­of­fer­schap, afhankelijkheid, lijdelijkheid en een gebrek aan verantwoordelijkheid voortgebracht. Hierdoor heeft, zoals Kross schrijft (p. 48-54) de bevolking een buitensporige behoefte ontwikkeld aan een weldoende verlosser of gudu pa [weldoener] en een veiligheid biedende macht. Een cultuur van neks no fout [er is niets fout – leuze van Bouterse en zijn NDP] vond dan ook ingang. Bouterse werd de verpersoonlijking van deze cultuur. De oorsprong van deze cultuur begon op de plantages in de koloniale tijd, is later door eeuwen van kerkelijk paternalisme versterkt en heeft zich nadien voortgezet in parlementair-achtige partijen in de periode na 1945. Het betekende het ontstaan van leiderschap die men omschrijft als charismatisch of messiaans. Hiermee had Suriname niet de leiders die het verdiende, maar die het koos. Met andere woorden, een politieke cultuur kan niet veranderen zolang politici en het electoraat elkaar in een wurggreep houden bij de instandhouding van een corrupt status quo.

Wo set’en
Chan Santokhi en de VHP wierpen zich bij de afgelopen verkiezingen in mei 2020 op als de redder van Suriname. De belofte was een eind te maken aan tien jaar wanbeleid van de regering-Bouterse. Met de leuze Wo set’en [wij gaan orde op zaken stellen] wist hij een belangrijk deel van het electoraat te overtuigen dat hij weer orde op zaken zal stellen. Dat vertrouwen kreeg echter al vanaf het begin een ernstige deuk doordat hij accepteerde dat Ronnie Brunswijk, ondanks zijn veroordeling in Nederland en Frankrijk wegens handel in drugs, werd benoemd als vicepresident en dat zijn familieleden werden benoemd op belangrijke posities. Ook de president maakte zich schuldig aan nepotisme door zijn echtgenote te benoemen in verschillende functies. De first lady werd op sociale media mikpunt van spot, satire en sarcasme. Deze hele affaire kreeg ook nog het karakter van een familiesoap toen de zoon van de president op social media zijn misnoegen uitte over de vele functies van de first lady om vervolgens enkele weken later zijn verontschuldiging aan te bieden aan de president en zijn echtgenote. Scenarioschrijvers van Braziliaanse en Mexicaanse telenovela’s (soapseries) zouden met afgunst deze soap gevolgd hebben.

Santokhi op verkiezingscampagne in 2020

De verontwaardiging in de samenleving was dan ook groot over deze benoemingen. Het vertrouwen in de president werd er niet groter op toen hij verklaarde in zijn eerste regeerperiode een brug over de grensrivieren de Corantijn en de Marowijne te zullen bouwen, twee projecten die honderden miljoenen zullen kosten terwijl er niet eens geld is om salarissen en rente op leningen te betalen. Het zijn plannen die herinneringen oproepen aan de aangekondigde megalomane projecten van Bouterse in 2010 (de bouw van een diepzeehaven, de aanleg van dammen en waterkrachtcentrales, een brug over de Corantijnrivier, zuidwaarts een weg naar Brazilië, de aanleg van een tramlijn tussen Paramaribo en Onverwagt et cetera). Geen van deze plannen zijn gerealiseerd.
Veel Surinamers hebben langzamerhand het gevoel na het wegstemmen van de regering-Bouterse te maken hebben met een pur bruku wer bruku-scenario [lood om oud ijzer]. Het Surinaamse politieke bedrijf heeft dan ook veel weg van een toneelvoorstelling die keer op keer wordt herhaald met steeds andere acteurs.

Hoop
Betekent het dat er niets positiefs valt te melden over de afgelopen vijfenveertig jaar? Lichtpunten zijn er zeer zeker geweest. Er is hoop vanwege de relatieve etnische stabiliteit waarbij Suriname ondanks de politieke en sociaaleconomische malaise raciale strijd bespaard is gebleven. In het proces van relatieve vreedzame co-existentie in Suriname hebben politieke en religieuze leiders een belangrijke rol vervuld. Daarnaast kan genoemd worden de veerkracht van het maatschappelijk middenveld (vakbonden, werkgeversorganisaties, media, mensenrechtenorganisaties et cetera) bij het agenderen van sociaaleconomische en politieke vraagstukken en het verdedigen van de democratische rechtsstaat. Dit geldt ook voor het Hof van Justitie dat ondanks intimidatie en dreigementen de zittende president Bouterse in 2019 veroordeelde tot twintig jaar gevangenisstraf voor zijn aandeel in de Decem­bermoorden. Dit was geen geringe prestatie in een land waar de regering-Bouterse aan de poten van alle controlerende en rechtsprekende instituties heeft proberen te zagen.

Ontmoeting van president Ronald Venetiaan en echtgenote met paus Benedictus XVI in het Vaticaan in november 2009.

Voorts kan ook worden gewezen op de regeerperiodes van president Venetiaan. Hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de versterking van de democratische rechtsstaat en macro-economisch herstel in Suriname in de jaren 1991-1996 en 2000-2010, een opmerkelijke prestatie tegen de achtergrond van de failliete boedel die hij in 1991 en 2000 overnam. Venetiaan geldt ook als de politicus ‘met tien schone vingers’, in het corrupte politieke klimaat in Suriname een grote uitzondering. Van hem wordt verteld dat dat hij daags na zijn aftreden als president in 2010 naar het Kabinet van President reed om een pen terug te brengen die hij als staatsbezit beschouwde. Hoe anders was de situatie in juli 2020 toen de nieuw gekozen president Santokhi en zijn ministersploeg werden geconfronteerd met haast leeggedragen kantoren. President Santokhi was onaangenaam verrast toen hij op de eerste werkdag op zijn kabinet ontdekte dat er niet eens een computer en printer meer aanwezig waren voor brieven die de deur uit moesten.
Hoopvol is ook het huidig politiek activisme onder Surinaamse jongeren. Hun activisme leidde mede tot de onttroning van Bouterse en plaveide daarmee mede de weg voor de verkiezingswinst van Santokhi en zijn VHP. President Santokhi zal moet beseffen dat het politiek activisme onder jongeren inmiddels een krachtige onderstroom is in de Surinaamse samenleving. Het betekent dan ook dat het kiezersvertrouwen dat hij in mei 2020 kreeg niet onvoorwaardelijk is.

De Nederlandse VVD-minister van Buitenlandse Zaken (Stef Blok) zorgde in juli 2018 voor grote opschudding toen hij Suriname een failed State noemde vanwege de etnische opdeling. De minister etaleerde met zijn opvatting echter een enorm gebrek aan historisch besef. Suriname (en zijn multi-etniciteit) is een creatie van het Nederlandse kolonialisme. Als hij Suriname een failed state noemt dan dient hij te beseffen dat Nederland daar debet aan is. Bovendien is het hem ontgaan dat juist in Suriname etnische relaties over het algemeen niet conflictueus zijn verlopen. De Surinaamse regering eiste excuses van Nederland en vanwege de kritiek kon de minister niet anders dan per brief zijn excuses aanbieden aan de Surinaamse regering voor zijn denigrerende uitspraken. Suriname is geen failed state, maar heeft te maken met falend bestuur.

Rentmeesterschap
Van de regering Santokhi / Brunswijk mag niet wor­den verwacht dat zij over een magische to­ver­stok beschikt om de door de regering-Bouterse achtergelaten Augiasstal plotsklaps op te ruimen. Wel dat zij een visie heeft over aanpak van de problemen: wat zijn haar drijfveren, waar gelooft zij in, hoe gaat zij het anders doen en welke resultaten verwacht zij van haar plannen? Want zoals een Bijbelcitaat luidt ‘waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk’. In dit verband kan ook worden gewezen op het (christelijk) begrip rentmeesterschap als leidraad voor het politieke handelen. Het verwijst naar het ideaal van dienend, verantwoord leiderschap en beheer zodat toekomstige generaties daar ook profijt van kunnen hebben. Suriname is namelijk niet het particuliere wingewest van politici en hun familie. Het begrip rentmeesterschap impliceert ook een pleidooi voor een politiek-ethisch handelen als norm in de politiek. Alleen dan zal er vertrouwen zijn in de opruiming van de Augiasstal door de huidige regering.

Minister van Buitenlandse Zaken Albert Ramdin op werkbezoek bij de Nederlandse minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag in augustus 2020.

Nederland en Suriname
In politiek Den Haag werd opgelucht adem gehaald na het vertrek van Bouterse als president. Sinds de militaire staatsgreep in 1980 staat Suriname in ambtelijk Den Haag bekend als het ‘hoofdpijndossier’. De ver­hou­dingen tussen beide landen werden tussen 1975 en 2000 getypeerd als een ‘belaste relatie’ die veroorzaakt werd door onder meer verschillen van inzicht met betrekking tot de besteding van de Nederlandse ontwikkelingshulp. Met Bouterse als president tussen 2010 en 2020 was tussen Suriname en Nederland sprake van een ‘koude oorlog in miniatuur’. Met het vertrek van Bouterse is de weg weer geopend voor normalisering van de betrekkingen. Vol verwachting wordt in Paramaribo na mei 2020 gekeken naar Den Haag voor hulp. Heeft Nederland een rol bij het helpen oplossen van de huidige sociaaleconomische pro­ble­matiek van Suriname? Er is te veel Nederland in Suriname en te veel Suriname in Nederland om elkaar als willekeurige buitenland te beschouwen. Nederlandse hulp is uiteraard wenselijk, maar Suriname dient te beseffen dat de periode van Nederlandse sinterklazerij (ont­wik­ke­lings­geld zonder voorwaarden) onder Joop Den Uyl en Jan Pronk tot het verleden behoort. De huidige generatie Nederlandse politici (Rutte c.s.) gaat niet gebukt onder de last van het Nederlandse koloniaal en sla­ver­nij­verleden.

Tot slot
Niet de onafhankelijkheid in 1975 is de bron van het huidige verdriet van Suriname maar falend bestuur. Suriname zal zichzelf aan de eigen haren uit het moeras moeten trekken. Bij zijn inauguratie als president in juli 2020 zei Santokhi tegen het Surinaamse volk: ’Geef mij uw vertrouwen en ik geef u een prachtig land terug’. Zijn belofte van Wo set’en is alleen mogelijk met rent­meesterschap en politiek-ethisch leiderschap als lei­draad in plaats van nepotisme en megalomanie. Anders is de vrees niet ondenkbeeldig dat ook onder deze regering Suriname een wingewest voor de politieke elite en land of broken dreams zal blijven.

Foto’s: Nationaal Archief en Ra1 Photography

NPO Radio 1 FOCUS (25 november 2020)
INTERVIEW met dr. Hans Ramsoedh: 
45 jaar onafhankelijkheid, Suriname Land of Broken Dreams?  https://www.nporadio1.nl/podcasts/dekennisvannu/434167-suriname-land-of-broken-dreams

Uw reactie kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam en het artikel waar u op reageert.

TOP